ECLI:NL:RVS:2026:2592

ECLI:NL:RVS:2026:2592

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202503349/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluiten van 15 november 2023, 22 november 2023 en 13 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om private schulden van [appellante] over te nemen. In deze zaak gaat het om besluiten die zijn genomen op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft daarvoor een schadevergoeding ontvangen. Daarnaast heeft zij een aantal aanvragen ingediend voor overname van private schulden. Het gaat om een schuld die in België via een schuldbemiddelingsregeling is afbetaald van € 15.711,00 en om vier andere schulden van respectievelijk € 1.355,00, € 360,17, € 169,49 en € 780,00. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat de schulden uit de Belgische bemiddelingsregeling al zijn voldaan, er bij een andere schuld geen sprake is van een (dreigende) opeisbare hoofdsom en voor de overige schulden geen omstandigheden zijn aangevoerd, die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvragen in bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak

202503349/1/A2.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025 in zaken nrs. 24/3852, 24/3853, 24/3854 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 november 2023, 22 november 2023 en 13 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om private schulden van [appellante] over te nemen.

Bij besluiten van 21 maart 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. S. Akkas, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om besluiten die zijn genomen op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht staat welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Dat is, onder meer een private schuld die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021. In artikel 4.1, vierde lid, van de Wht staat welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen.

3. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft daarvoor een schadevergoeding ontvangen. Daarnaast heeft zij een aantal aanvragen ingediend voor overname van private schulden. Het gaat om een schuld die in België via een schuldbemiddelingsregeling is afbetaald van € 15.711,00 en om vier andere schulden van respectievelijk € 1.355,00, € 360,17, € 169,49 en € 780,00.

4. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat de schulden uit de Belgische bemiddelingsregeling al zijn voldaan, er bij een andere schuld geen sprake is van een (dreigende) opeisbare hoofdsom en voor de overige schulden geen omstandigheden zijn aangevoerd, die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvragen in bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft overwogen dat niet is voldaan aan de vereisten van hoofdstuk 4 van de Wht voor overname van private schulden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de schuld in België in 2018 al is voldaan, dat bij een andere schuld geen sprake is van een opeisbare hoofdsom, en dat de minister voor de overige schulden de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen.

5.1. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de informele schuld niet voor overname of afbetaling in aanmerking komt, omdat met alleen bankafschriften de opeisbaarheid niet is aangetoond, er niet is voldaan aan het vereiste van een notariële akte/rechterlijke uitspraak, en de hardheidsclausule ook hier niet toegepast hoefde te worden.

Beoordeling van het hoger beroep

6. In wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank dat hierboven onder 4 samengevat is weergegeven. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en kan zich vinden in de onder rechtsoverweging 6, 6.1, 7,1, 8.2, 9.1 en 9.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Voor zover [appellante] in hoger beroep betoogt dat de rechtbank het doel en strekking van hoofdstuk 4 van de Wht onvoldoende heeft toegepast, volgt de Afdeling haar daarin niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft de wetgever bewust gekozen voor een afbakening en uitgangspunt dat de schuldenaanpak is gericht op een nieuwe start en niet op herstel van het verleden (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:630, r.o 6.5.).

6.1. [appellante] heeft in hoger beroep haar beroep op de hardheidsclausule nader onderbouwd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

6.2. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een actuele schrijnende situatie als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat weliswaar een budget- en schuldenoverzicht is overgelegd, maar dat daarbij geen stukken zijn gevoegd aan de hand waarvan dat overzicht kan worden geverifieerd. [appellante] heeft dan ook onvoldoende inzicht verschaft in haar (financiële) situatie, zodat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie van serieuze en structurele financiële nood of andere persoonlijke omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule hadden kunnen leiden.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

284-1189

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. O. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand