202402219/1/R3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] , wonend in Zoetermeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024 in zaak nr. 21/2124 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellant A] en [appellant B] afgewezen.
Bij besluit van 2 februari 2021 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij A] en [partij B] en [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 27 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. N.M. Dik, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Gadzuric en W.G.M. Coenen, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 30 april 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 1] in Zoetermeer. Aan de andere kant van de straat, tegenover de woning staat, op het perceel [locatie 2], de woning van [partij A] en [partij B]. Tussen de beide woningen is, nadat de woningen en de daken waren gebouwd, over de straat een overkluizing aangebracht. De woningen zijn in zoverre dus met elkaar verbonden. Het deel van de overkluizing boven de straat behoort tot de woning van [appellant A] en [appellant B]. Het dak van de overkluizing sluit haaks aan op het schuine dak van de woning van [partij A] en [partij B]. De straatgevel van hun woning op [locatie 2] is opgetrokken tot het dakbeschot van de overkluizing. Het oorspronkelijke dakbeschot van de woning op [locatie 2] is bij de oplevering blijven zitten, waardoor er een loze ruimte ontstond tussen het dakbeschot en de overkluizing. Zo'n loze ruimte wordt een bouwsnipper genoemd.
3. De vorige bewoner van de woning op [locatie 2] heeft de bouwsnipper bij zijn woning getrokken door de gordingen en het dakbeschot van het schuine dak van zijn woning te verwijderen. De vorige bewoner heeft in de ene hoek van de aansluitende dakvlakken een zogeheten kilkeper aangebracht. In de andere hoek rustten de gordingen op een wandje van gipsbetonblokken. [partij A] en [partij B] hebben dat wandje vervangen door twee verticale houten balken die zijn verankerd in de betonvloer.
4. In 2016 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht handhavend op te treden tegen de gewijzigde kapconstructie. Het college heeft dat verzoek afgewezen. [partij A] heeft vervolgens in 2018 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van de kapconstructie. Het college heeft bij besluit van 23 maart 2018 een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend. Deze vergunning is met de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2020 onherroepelijk geworden.
5. Bij brief van 30 april 2020 hebben [appellant A] en [appellant B] het in deze zaak aan de orde zijnde handhavingsverzoek ingediend.
Beoordeling van het hoger beroep
Reikwijdte van het handhavingsverzoek
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het verzoek heeft mogen opvatten als een verzoek om handhavend op te treden in verband met gestelde afwijkingen van de verleende omgevingsvergunning.
6.1. De rechtbank heeft onder 7.3 overwogen dat het college de brief van [appellant A] en [appellant B] van 30 april 2020 terecht (uitsluitend) heeft opgevat als een verzoek om handhavend optreden in verband met gestelde afwijkingen ten opzichte van de verleende (onherroepelijke) omgevingsvergunning. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en in de onder 7.2 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat [appellant A] en [appellant B] niet deskundig zijn op juridisch gebied daaraan niet afdoet.
Het betoog slaagt niet. Dit betekent dat de Afdeling het betoog van [appellant A] en [appellant B] over de juridische status van de bouwsnipper, de brandveiligheid en geluidsoverlast niet zal bespreken.
Is de feitelijke situatie vergund?
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de constructie zoals die in de woning aanwezig is, afwijkt van de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren aan dat de locatie van één van de houten steunen een andere is dan de vergunde locatie. Zij wijzen er in dit verband op dat het college op de zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat één van de steunen op de tekening bij de omgevingsvergunning niet goed is ingetekend. Zij voeren verder aan dat, hiervan uitgaande, het college had moeten onderzoeken of de feitelijk gerealiseerde dakconstructie voldoet aan het Bouwbesluit 2012.
7.1. [partij A] heeft in 2018 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Op het aanvraagformulier is vermeld dat de aanvraag gaat over de legalisering van de eerder uitgevoerde werkzaamheden aan de kapconstructie. Bij de aanvraag is een rapport van [bedrijf] van 26 februari 2018 gevoegd. In dat rapport is vermeld dat het gaat om een legalisatie van een aanpassing aan de dakconstructie en dat de berekeningen in het rapport zijn gebaseerd op de oorspronkelijke bouwtekeningen uit het gemeentelijk archief en de opname ter plaatse. In het rapport zijn verschillende foto's van de situatie ter plaatse opgenomen waarop ook de aangebrachte houten steunen te zien zijn. Dat deze foto's de feitelijke situatie weergegeven, is niet betwist. In het rapport is ook een schets opgenomen waarop de twee steunen zijn weergegeven. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend bij eerder genoemd besluit van 23 maart 2028.
7.2. Aangezien aldus op het aanvraagformulier is vermeld dat de aanvraag wordt ingediend ter legalisering van de eerder uitgevoerde verbouwing, de feitelijke situatie te zien is op foto's in het rapport dat bij aanvraag behoort en de omgevingsvergunning, waarvan dat rapport deel uitmaakt, is verleend voor de legalisering van de feitelijke situatie, is de Afdeling van oordeel dat de feitelijke situatie de vergunde situatie is.
Anders dan [appellant A] en [appellant B] in hun nader stuk aanvoeren, heeft het college op de zitting bij de rechtbank niet erkend dat de steunen feitelijk niet op vergunde plek staan. Het college heeft, zo staat in het proces-verbaal van de zitting, benadrukt dat de feitelijke situatie in overeenstemming is met de verguning. Het college heeft op de zitting bij de rechtbank wel een opmerking gemaakt over de plek waarop één van de steunen op een tekening is ingetekend. Namelijk dat deze steun per abuis, in afwijking van de feitelijke situatie zoals die op de foto’s is te zien, verkeerd is ingetekend op de tekening. Het college heeft dit, gelet op de in hoger beroep overgelegde verklaring van de constructeur van [bedrijf], als een tekenfout mogen aanmerken. De omstandigheid dat één van de steunen op de schets in het rapport van [bedrijf] niet juist is ingetekend, leidt de Afdeling daarom niet tot een ander oordeel.
Aangezien er verder geen aanknopingspunten zijn dat de feitelijke situatie sinds het plaatsen van de steunen is gewijzigd, is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van afwijkingen ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning en dat er dus geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog slaagt niet. Wat [appellant A] en [appellant B] voor het overige hierover hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Verzoek om schadevergoeding
9. [appellant A] en [appellant B] hebben de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden schade. Zij stellen schade te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit en onrechtmatige handelingen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.1. Uit wat hiervoor over het hoger beroep is overwogen, volgt dat de in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb opgenomen omstandigheden zich niet voordoen. Het verzoek van [appellant A] en [appellant B] zal alleen al daarom worden afgewezen.
Proceskosten
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
473