ECLI:NL:RVS:2026:2595

ECLI:NL:RVS:2026:2595

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202301728/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 28 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegeven in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] woont sinds 3 maart 1981 in Nederland en staat ingeschreven in de brp met de geboortedatum [datum] 1962. Deze registratie is gebaseerd op het Marokkaanse paspoort dat hij in 1981 heeft overgelegd toen hij zich in Nederland vestigde. Voor zijn naturalisatieprocedure heeft [appellant] een geboorteakte overgelegd met geboortedatum 1962, welke op 3 maart 2000 werd geregistreerd. [appellant] heeft op 17 juni 2019 een verzoek ingediend om zijn geboortejaar te wijzigen naar 1955. Hij heeft hiertoe verschillende documenten overgelegd, waaronder verschillende geboorteaktes en een rechterlijke uitspraak uit Marokko van 3 april 2019. In deze rechterlijke uitspraak heeft de rechtbank in Marokko het geboortejaar van [appellant] gewijzigd van 1962 naar 1955 op basis van het familieboekje van de vader van [appellant] en verschillende Marokkaanse beschikkingen en aktes die door de gemachtigde van [appellant] in het geding in Marokko zijn ingebracht. Het college heeft het rectificatieverzoek van [appellant] afgewezen omdat [appellant] niet de onderliggende documenten van de rechterlijke uitspraak heeft overgelegd waardoor niet buiten redelijke twijfel is dat het door [appellant] gestelde geboortejaar juist is.

Uitspraak

202301728/1/A3.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Rotterdam,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2023 in zaak nr. 22/3094 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegeven in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 24 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Talhaoui, advocaat in Rotterdam, en [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.D.J. Straver, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] woont sinds 3 maart 1981 in Nederland en staat ingeschreven in de brp met de geboortedatum [datum] 1962. Deze registratie is gebaseerd op het Marokkaanse paspoort dat hij in 1981 heeft overgelegd toen hij zich in Nederland vestigde. Voor zijn naturalisatieprocedure heeft [appellant] een geboorteakte overgelegd met geboortedatum 1962, welke op 3 maart 2000 werd geregistreerd. [appellant] heeft op 17 juni 2019 een verzoek ingediend om zijn geboortejaar te wijzigen naar 1955. Hij heeft hiertoe verschillende documenten overgelegd, waaronder verschillende geboorteaktes en een rechterlijke uitspraak uit Marokko van 3 april 2019. In deze rechterlijke uitspraak heeft de rechtbank in Marokko het geboortejaar van [appellant] gewijzigd van 1962 naar 1955 op basis van het familieboekje van de vader van [appellant] en verschillende Marokkaanse beschikkingen en aktes die door de gemachtigde van [appellant] in het geding in Marokko zijn ingebracht. Het college heeft het rectificatieverzoek van [appellant] afgewezen omdat [appellant] niet de onderliggende documenten van de rechterlijke uitspraak heeft overgelegd waardoor niet buiten redelijke twijfel is dat het door [appellant] gestelde geboortejaar juist is.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat onvoldoende is komen vast te staan dat het geboortejaar van [appellant] in de brp onjuist is. De in de rechterlijke uitspraak uit Marokko genoemde onderliggende documenten zijn niet overgelegd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de rechterlijke uitspraak uit Marokko op betrouwbare gegevens is gebaseerd. Daar komt bij dat de twee door [appellant] overgelegde geboorteaktes onderling van elkaar afwijken en daardoor ook twijfel bestaat aan wat er in die aktes is vermeld.

Wettelijk kader

3. Artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) luidt: "De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: […] een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; […]".

Artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp luidt: "Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten".

Beoordeling van het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat zijn geboortejaar in de brp niet juist is. [appellant] stelt dat de documenten die het college van hem verlangt niet van doorslaggevende betekenis zijn omdat uit de rechterlijke uitspraak uit Marokko blijkt dat zijn geboortejaar 1955 is. Verder zijn in de rechterlijke uitspraak uit Marokko geen indicaties dat sprake is van onbetrouwbare brondocumenten en/of dat die mogelijk in strijd zouden zijn met de Nederlandse openbare orde. Het ligt volgens [appellant] op de weg van het college om te bewijzen dat de rechterlijke uitspraak uit Marokko niet betrouwbaar is. Voor zover de door het college opgevraagde documenten wel van doorslaggevende betekenis zijn, verkeert hij in bewijsnood. [appellant] heeft er alles aan gedaan om aan de verzochte documenten te komen. Zo is hij naar Marokko gegaan om deze documenten in zijn bezit te krijgen. Dat is hem niet gelukt, aldus [appellant].

5. Niet in geschil is dat de rechterlijke uitspraak uit Marokko een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet brp. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, moet bij rectificatieverzoeken worden beoordeeld of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd.

De Afdeling heeft verder in deze overzichtsuitspraak overwogen dat als sprake is van een brondocument, dat niet betekent dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Bij het beoordelen of deze feiten moeten worden verwerkt, moet ook rekening worden gehouden met de relevante bepalingen uit paragraaf 3 van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de Wet brp. Van belang is in dit verband dat uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp volgt dat aan de hier bedoelde brondocumenten geen gegevens mogen worden ontleend voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de daarin vermelde feiten. Het gaat hierbij om de openbare orde in materiële en in processuele zin (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 128). Van strijd met de openbare orde is sprake als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

Als het college stelt dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet het dit aannemelijk maken. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het brondocument in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder kan het zo zijn dat de documenten waarmee de aanvrager het brondocument heeft verkregen, niet betrouwbaar zijn. Om het college in staat te stellen hierover een standpunt in te nemen, mag het van de aanvrager verlangen dat hij die onderliggende documenten overlegt, tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat hij dit niet kan en dat hem dit niet kan worden verweten. Ook kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de gegevens die in het brondocument worden vermeld, niet overeenkomen met gegevens die worden vermeld in andere documenten die de aanvrager ten grondslag heeft gelegd aan zijn aanvraag.

Als uit de door het college aangevoerde feiten of omstandigheden blijkt dat voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dan is het aan de aanvrager om met tegenbewijs te komen. De aanvrager kan hiervoor bewijs leveren vanuit andere bronnen dan brondocumenten. Bij de beoordeling of dat tegenbewijs voldoende is, wordt mede betrokken in hoeverre de eerder, dan wel later verstrekte gegevens zijn ontleend aan bewijsbronnen die als objectief te beschouwen zijn.

6. De Afdeling is van oordeel dat niet is vast te stellen of er voorafgaand aan de afgifte van de rechterlijke uitspraak uit Marokko kennelijk behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het college heeft [appellant] gevraagd om de onderliggende documenten die hij bij de rechtbank in Marokko heeft ingediend, over te leggen om te beoordelen of deze betrouwbaar zijn. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit niet kan en dat hem dit niet kan worden verweten. De enkele stelling dat hij naar Marokko is gegaan en er alles aan heeft gedaan om aan de onderliggende documenten te komen, is daarvoor onvoldoende. Uit de stukken blijkt dat de gemachtigde van [appellant] in Marokko die gevraagde onderliggende documenten bij de rechtbank in Marokko heeft overgelegd. Op de zitting heeft [appellant] dat bevestigd. [appellant] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten waarom hij die onderliggende documenten niet van de rechtbank of van zijn gemachtigde kan krijgen. Ook heeft hij geen schriftelijke afwijzende reactie van zijn gemachtigde in Marokko of de rechtbank in Marokko overgelegd die zijn stelling zouden kunnen onderbouwen, en geen algemene (ambts)berichten of iets soortgelijks overgelegd waaruit blijkt dat de rechtbank in Marokko in het algemeen onderliggende documenten niet verstrekt. Daarnaast wijken de geboorteaktes die [appellant] ten grondslag heeft gelegd aan zijn rectificatieverzoek van elkaar af. In de geboorteaktes wordt immers verwezen naar verschillende onderliggende Marokkaanse beschikkingen die niet zijn overgelegd. Daardoor kan niet worden beoordeeld of de onderliggende documenten, waarmee [appellant] de geboorteaktes heeft verkregen, betrouwbaar zijn. Bovendien is een van de geboorteaktes vervaardigd op basis van de rechterlijke uitspraak uit Marokko. Hierdoor kan aan deze geboorteaktes niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan wil toekennen. Nu [appellant] de gevraagde onderliggende documenten niet heeft overgelegd en daar geen afdoende verklaring voor heeft gegeven, kan niet worden vastgesteld dat de rechterlijke uitspraak uit Marokko, waarbij het geboortejaar van [appellant] is gewijzigd, na deugdelijk onderzoek tot stand is gekomen. Dit geldt ook voor de geboorteakte die is vervaardigd op basis van de rechterlijke uitspraak uit Marokko. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Overschrijding van de redelijke termijn

9. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

9.1. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden als de totale procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In dit geval is het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 2 juni 2021. Met de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Dat betekent dat de redelijke termijn met de uitspraak van vandaag met elf maanden is overschreden. Die overschrijding is in dit geval toe te rekenen aan het college en de Afdeling. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom toegewezen.

9.2. Met een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding in totaal € 1.000,00 ten laste van het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

9.3. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot betaling aan [appellant] van € 294,12;

III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant] van € 705,88;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

990

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D. Singh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand