202307034/1/R2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
en
de raad van de gemeente Breda,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Haagse Beemden, Uitoord 129" (het bestemmingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 oktober 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door F.A.C. Kanters, L.J.M. Dolmans en M. Geervliet, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Stichting vASStgoed, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de raad de gelegenheid te geven het bestemmingsplan op onderdelen te wijzigen.
Bij besluit van 27 november 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Haagse Beemden, Uitoord 129" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (bestemmingsplan 2025).
[appellant] heeft, mede namens 41 buurtbewoners, een zienswijze op het bestemmingsplan 2025 ingediend. Ook Stichting Alwel heeft een zienswijze op het bestemmingsplan 2025 ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 2 maart 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door F.A.C. Kanters en L.J.M. Dolmans, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Stichting Alwel, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 15 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van zorgwoningen op het perceel Uitoord 129 in Breda (het perceel). De zorgwoningen worden ontwikkeld door Stichting Alwel en verhuurd aan Stichting VASStgoed. [appellant] woont in de directe omgeving van het perceel en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat als de beoogde ontwikkeling op een nu nog onbebouwd stuk grond in zijn directe woonomgeving kan plaatsvinden.
Besluit van 27 november 2025 (herstelbesluit)
3. De raad heeft met het herstelbesluit twee wijzigingen aangebracht ten opzichte van het oorspronkelijke bestemmingsplan. Het betreft ten eerste de toevoeging van een maximum aantal zorgeenheden op gronden met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - zorgeenheden’. Uit artikel 3.2.1, onder c, van het bestemmingsplan 2025, in combinatie met de verbeelding, volgt dat het maximum aantal zorgeenheden twaalf bedraagt. In het bestemmingsplan was ten tweede geen maximale bouwhoogte opgenomen. Met het herstelbesluit is ook hierin voorzien. Op grond van artikel 3.2.1, onder d, van het bestemmingsplan 2025, in combinatie met de verbeelding, is de toegestane maximale bouwhoogte binnen het bouwvlak, binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - zorgeenheden’, 10 meter.
4. Met het herstelbesluit is het besluit van 14 september 2023 vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het herstelbesluit niet geheel aan het beroep van [appellant] tegemoet komt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit besluit.
De Afdeling zal eerst het beroep tegen het herstelbesluit beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 september 2023.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep tegen het herstelbesluit
6. [appellant] voert ten eerste aan het niet eens te zijn met het wijzigen van het bestemmingsplan om het laatste stukje ongebouwde grond in de wijk te kunnen bebouwen. Ten tijde van de koop van zijn woning gold het bestemmingsplan "Haagse Beemden" en hadden de gronden binnen het plangebied een maatschappelijke bestemming, met een maximale bouwhoogte van 7 meter. Dit zou onveranderd moeten blijven gelden.
6.1. De raad stelt zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Dat betekent dat, zoals de raad in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, [appellant] geen aanspraak kan maken op blijvende, ongewijzigde voortzetting van de regels uit het bestemmingsplan ‘Haagse Beemden". Uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat het realiseren van de twaalf zorgappartementen aansluit bij het gemeentelijk beleid dat er, samengevat, op neer komt differentiatie in woonmilieus te creëren en voor verschillen doelgroepen te voorzien in voldoende woonruimte, zodat ook een bijdrage wordt geleverd aan de mogelijkheden voor doorstroming op de woningmarkt. Het voorliggende plan, op een locatie van een inmiddels gesloopt kinderdagverblijf, zorgt voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit in de wijk en voorkomt achteruitgang van de leefbaarheid in de wijk. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat het plan een relatief kleinschalig plan betreft binnen het stedelijk woonmilieu in de wijk Haagse Beemden. Het type woning is onderscheidend voor de wijk, waardoor wordt bijgedragen aan een gemêleerd woonmilieu. Omdat [appellant] verder niet aanvoert waarom het bestemmingsplan op zich niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, slaagt deze beroepsgrond niet.
7. [appellant] voert ten tweede aan dat de zorgeenheden die zijn beoogd en die mogelijk worden gemaakt op gronden met de bestemming "Maatschappelijk" niet kunnen worden aangemerkt als zorgeenheden. De appartementen die zijn voorzien, zijn geen zorgappartementen maar woningen voor mensen die ambulante zorg behoeven. Op termijn zouden de appartementen ook aan andere doelgroepen, waaronder ouderen of asielzoekers, kunnen worden verhuurd.
7.1. De raad wijst er op dat ter plaatse de bestemming "Maatschappelijk" geldt. Binnen deze bestemming zijn op grond van artikel 3.1 van de planregels maatschappelijke voorzieningen toegestaan en, daar waar de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - zorgeenheden’ op de verbeelding is opgenomen, ook zorgeenheden. De doelgroep die intrek zal nemen in de beoogde nieuwbouw op Uitoord 129 bestaat uit mensen met een autisme spectrum stoornis. De voor deze groep te realiseren woningen zijn volgens de raad te beschouwen als zorgwoning. Het bestemmingsplan laat het verder niet toe dat de te realiseren appartementen worden verhuurd aan reguliere woningzoekenden.
7.2. In deze procedure gaat het om het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan. Dit besluit wordt getoetst aan de hand van het toetsingskader zoals beschreven onder 5 van deze uitspraak. De vraag of de bebouwing die op grond van het bestemmingsplan gerealiseerd wordt, inclusief het beoogde gebruik, in overeenstemming is met het bestemmingsplan staat los van de vraag of de raad het bestemmingsplan heeft kunnen vaststellen. Dit aspect komt aan de orde bij verlening van de omgevingsvergunning voor de beoogde ontwikkeling.
Uit artikel 1.38 van de regels van het bestemmingsplan volgt dat onder ‘maatschappelijke voorzieningen’ wordt verstaan voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid (medisch en paramedisch), cultuur, religie, verenigingsleven, onderwijs, openbare orde en veiligheid, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Een zorgeenheid is in artikel 1.48 van de regels van het bestemmingsplan gedefinieerd als ‘een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte’. Het bestemmingsplan staat het door [appellant] genoemde gebruik niet toe, terwijl, gelet op de definitie van het begrip ‘zorgeenheid’, het plan de door de raad beoogde ontwikkeling mogelijk maakt.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellant] voert verder in beroep aan dat ten onrechte wordt voorzien in zeven parkeerplaatsen. Als uitgegaan wordt van twaalf appartementen zouden er, op grond van de Nota Parkeernormen Breda 2021, twaalf parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.
8.1. De raad wijst er op dat voor de te realiseren zorgeenheden uitgegaan kan worden van de parkeernorm die op grond van de Nota Parkeernormen Breda 2021 voor een bejaardenzorgwoning/aanleunwoning geldt. Deze parkeernorm bedraagt 0,6 per bejaardenzorgwoning/aanleunwoning. Bij het realiseren van 12 zorgeenheden zijn daarom, zo stelt de raad, 7,2 (afgerond 7) parkeerplaatsen nodig.
8.2. Op grond van artikel 10.1, sub a, van de regels van het bestemmingsplan wordt, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen of uitbreiden van gebouwen dan wel voor het afwijken van de planregels over het toegestane gebruik, getoetst of in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s en fietsen. Het parkeren of stallen van auto’s of fietsen dient daarbij, zo volgt uit artikel 10.1, sub b, van de regels van het bestemmingsplan, plaats te vinden in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Artikel 10.1, sub c, van de regels van het bestemmingsplan bepaalt verder dat het benodigde aantal parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen wordt vastgesteld aan de hand van de Nota parkeernormen Breda 2021, of, bij wijziging van deze nota, aan de gewijzigde beleidsregels.
8.3. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd, gelet op artikel 10.1, sub a en c, van de regels van het bestemmingsplan, pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde zal komen, moet de raad bij de vaststelling van het plan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5438.
De gronden binnen het bestemmingsplan met de bestemming "Maatschappelijk", zijn mede bestemd voor parkeren. Ook als, zoals [appellant] stelt, artikel 10.1, sub a en c, van de regels van het bestemmingsplan er toe zou leiden dat er twaalf parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, dan is dat op grond van het bestemmingsplan mogelijk. [appellant] heeft verder niet onderbouwd gemaakt waarom de planregeling in art. 10.1, sub a en c, van het bestemmingsplan ontoereikend zal zijn en waarom er niet voldoende ruimte voor het benodigde aantal parkeerplaatsen zal zijn.
Het betoog slaagt niet.
9. [appellant] voert voorts aan dat er geen nadere stedenbouwkundige beoordeling heeft plaatsgevonden over de beoogde hoogte van de bebouwing die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Zo’n beoordeling was volgens hem aangewezen omdat het perceel direct grenst aan de landgoederenzone Haagse Beemden. Een flatgebouw direct grenzend aan de landgoederenzone is volgens [appellant] niet passend en wenselijk. Dat blijkt ook uit het feit dat een eerder verzoek voor uitbouw op de begane grond op het adres Vekenoord 72 door de gemeente werd afgewezen vanwege de ligging direct aan de landgoederenzone. De beoogde hoogte is verder niet passend bij de omringende huizen. Deze huizen hebben een nokhoogte van de schuine daken 8,90 meter en een goothoogte 5,40 meter, terwijl het bestemmingsplan voorziet in bebouwing met een plak dak van 9,5 meter.
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan, ook wat betreft de maximaal toegestane hoogte van de bebouwing, passend is in de omgeving. Onder verwijzing naar de Nota beantwoording zienswijzen wijst de raad erop dat de nieuwbouw waarin het bestemmingsplan voorziet niet direct aansluit op de al bestaande woningen. De afstand tot de perceelsgrenzen van de omliggende woningen bedraagt 22 tot 24 meter. De tussenruimte is groen ingericht en zowel aan de oost- als de westzijde van beoogde nieuwbouw ligt openbaar groen waardoor er vanuit Uitoord zicht blijft op de landgoederenzone. De nieuwbouw is omringd door groen en door "lucht en ruimte" er om heen, zo volgt uit de Nota beantwoording zienswijzen. Daarom acht de raad het acceptabel dat de nieuwbouw iets hoger en forser is dan de bestaande woningen zonder dat dit tot een onacceptabele inbreuk op de leefsituatie van omwonenden leidt. De raad heeft verder in het verweerschrift toegelicht de vergelijking van een afwijzing van een uitbouw op de begane grond voor de woning Vekenoord 72 niet te kunnen volgen; voor deze uitbouw is in 2005 een bouwvergunning verleend.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee toereikend gemotiveerd waarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt is gekozen voor de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte. Daarbij betrekt de Afdeling dat de maximaal toegestane bouwhoogte op het merendeel van de percelen in de directe omgeving van het plangebied ook 10 meter bedraagt en dat op de locatie aan de overzijde van het plangebied een bouwhoogte van maximaal 12 meter is toegestaan. Dit volgt uit artikel 19.2.2, onder a, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Haagse Beemden".
Het betoog slaagt niet.
10. [appellant] stelt ten slotte te vrezen voor verminderd uitzicht en lichtinval in de tuin en de woonkamer, met waardedaling van zijn woning als gevolg.
10.1. De raad erkent dat het uitzicht vanuit de bestaande woningen in de omgeving zal veranderen, maar acht deze verandering niet onacceptabel. Het beoogde gebouw waarin het bestemmingsplan voorziet zal in de vroege ochtend op de woningen aan de westzijde en in de late namiddag enige extra schaduw aan de oostzijde veroorzaken. Door de afstand tot de bestaande woningen zal dit minimaal zijn, ook omdat schaduw al optreedt door bestaande bomen in het gebied. Het gebouw staat, aldus de raad, te ver van bestaande woningen af om invloed te hebben op de daadwerkelijke lichtinval in de woningen. De raad heeft op de zitting toegelicht dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan op de gronden binnen het plangebied bebouwing kon worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 7 meter. Het bestemmingsplan staat weliswaar hogere bebouwing toe, maar de raad acht dit passend in de omgeving. De raad wijst er verder op dat, indien sprake is van waardedaling van de woning, een verzoek om planschade kan worden ingediend.
10.2. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de gevolgen van het plan voor [appellant] niet zo groot zijn dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan houdt wel een verandering voor [appellant] in, maar naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich op het standpunt stellen dat deze verandering op deze locatie in een stedelijke omgeving niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant], waaronder zijn uitzicht en de lichtinval in zijn woning. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van het onroerend goed van [appellant] betreft, overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit van 27 november 2025 is, gelet op het voorgaande, ongegrond. Omdat het herstelbesluit waarbij het bestemmingsplan geheel opnieuw is vastgesteld, in stand blijft, komt aan het oorspronkelijke besluit van 14 september 2023 geen betekenis meer toe. Daarom heeft [appellant] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 14 september 2023. Dit betekent dat zijn beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk is.
12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 14 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haagse Beemden, Uitoord 129" niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 27 november 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haagse Beemden, Uitoord 129" ongegrond;
III. gelast dat de raad van de gemeente Breda aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026