ECLI:NL:RVS:2026:2617

ECLI:NL:RVS:2026:2617

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202401546/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het college van burgermeester en wethouders van Noordenveld geweigerd handhavend op te treden tegen de opslag van grasbalen op het perceel achter Westeinde [locatie 1 en 2] in Leutingewolde. In het verleden oefende [appellant] op perceel [locatie 1-2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [appellant] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant].

Uitspraak

202401546/1/R3.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Leutingewolde, gemeente Noordenveld,

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 25 januari 2024 in zaak nr. 23/408 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de opslag van grasbalen op het perceel achter [locatie 1] en [locatie 2] in Leutingewolde.

Bij besluit van 20 december 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, tegelijk met het hoger beroep in zaak nr. 202405776/1/R3, op zitting behandeld op 27 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door ir. S. Boonstra, rechtsbijstandverlener in Zwolle, en het college vertegenwoordigd door M. de Boer en E. Oosterloo, zijn verschenen. Verder is [partij], vertegenwoordigd door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat in Assen, op de zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 28 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. In het verleden oefende [appellant] op perceel [locatie 1-2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [appellant] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant].

3. Op de hiervoor genoemde gronden van [appellant] en [partij] rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld" (bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf". Op een groot deel van de gronden rust de aanduiding "bouwvlak". Het gaat hier om één bouwvlak, dat in feite gesplitst is; zowel [appellant] als [partij] zijn eigenaar van een deel ervan.

4. [partij] heeft op zijn deel van het bouwvlak grasbalen opgeslagen ten behoeve van het agrarisch bedrijf dat hij uitoefent op [locatie 3]. [appellant] heeft het college verzocht daartegen handhavend op te treden. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Volgens het college is het opslaan van grasbalen een agrarische activiteit en niet in strijd met de bestemming.

[appellant] is het daarmee niet eens en is daarom opgekomen tegen de weigering om handhavend op te treden.

Relevante regelgeving

5. Artikel 4.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;

[…]."

Artikel 6.1 luidt:

"De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;

[…]."

Beoordeling van het hoger beroep

6. Het gaat in deze procedure, gelet op het handhavingsverzoek, alleen om de opslag van grasbalen op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak". Dat wat [appellant] in hoger beroep over de opslag van andere zaken op deze gronden of op andere gronden die in gebruik zijn bij [partij] heeft aangevoerd, laat de Afdeling buiten beschouwing.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het opslaan van grasbalen niet in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 4.1 van de planregels. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat vanwege de op de gronden rustende bestemming maar één agrarisch bedrijf is toegestaan, en daarmee ook de agrarische activiteiten van één agrarisch bedrijf. Hij wijst daarvoor op de tekst van artikel 4.1 en de bedoeling van de planwetgever. De rechtbank heeft volgens [appellant] bij de uitleg van artikel 4.1 van de planregels ten onrechte betekenis toegekend aan artikel 6.1 van de planregels.

7.1. Voor het antwoord op de vraag of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.

7.2. In geschil is of op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" de uitoefening van (activiteiten van) meerdere agrarische bedrijven in het bouwvlak zijn toegestaan.

7.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat binnen het bouwvlak de vestiging van maar één agrarisch bedrijf is toegestaan. Door het tijdelijk plaatsen van grasbalen is evenwel geen sprake van het vestigen van een tweede bedrijf binnen het bouwvlak. De opslag van grasbalen is op grond van het bestemmingsplan een toegestane agrarische activiteit, aldus het college.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de planregels niet volgt dat maar één agrarisch bedrijf per perceel is toegestaan. Zij heeft bij de uitleg van artikel 4.1 van de planregels betekenis toegekend aan artikel 6.1 van de planregels en concluderend overwogen dat in artikel 4.1 geen beperkingen zijn gesteld aan het aantal bedrijven dat per perceel wordt uitgeoefend. Het college heeft zich daarom volgens de rechtbank niet op het standpunt kunnen stellen dat er op het perceel maar één agrarisch bedrijf mag worden uitgeoefend. De rechtbank heeft hierin reden gezien het besluit op bezwaar te vernietigen. Zij heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de opslag van grasbalen niet in strijd is met de bestemming en het handhavingsverzoek dus terecht heeft afgewezen.

7.4. De Afdeling stelt voorop dat artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels niet spreekt over het vestigen van het agrarisch bedrijf, maar van de uitoefening van het agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft daar ook terecht op gewezen. In de tekst van deze bepaling wordt 'het agrarisch bedrijf' in enkelvoud gebruikt. Dit duidt erop dat een beperking is gesteld aan het aantal bedrijven dat op de gronden mag worden uitgeoefend. Maar in dit geval zou met de gebruikte formulering ook kunnen worden gedoeld op de uitoefening van agrarische bedrijvigheid in zijn algemeenheid. Naar het oordeel van de Afdeling is de planregel op zichzelf bezien daarom niet duidelijk over hoeveel bedrijven op het hier aan de orde zijnde perceel mogen worden uitgeoefend. De betekenis van de bepaling wordt ook niet duidelijk als deze, zoals de rechtbank heeft gedaan, wordt gelezen in samenhang met artikel 6.1 van de planregels. In dat artikel wordt weliswaar ook de formulering 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' gebruikt, maar dit artikel gaat over de gebiedsbestemming "Agrarisch met waarden" terwijl artikel 4 een bestemming op perceelsniveau is, wat ook blijkt uit de verbeelding. Naar het oordeel van de Afdeling komt daarom betekenis toe aan de plantoelichting. In de toelichting staat onder meer dat de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" is gegeven aan alle volwaardige agrarische bedrijven en dat per afzonderlijk bedrijf een bouwvlak is aangegeven. De Afdeling leidt uit de toelichting af dat het de bedoeling is geweest dat op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" maar één agrarisch bedrijf mag worden uitgeoefend. Hieruit vloeit naar het oordeel van de Afdeling voort dat ook maar één agrarisch bedrijf agrarische activiteiten mag uitoefenen. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

7.5. Het voorgaande betekent dat op de hier aan de orde zijnde gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" de uitoefening van (activiteiten van) één agrarisch bedrijf is toegestaan. Op deze gronden wordt het agrarisch bedrijf van [appellant] uitgeoefend. De opslag van grasbalen op die gronden voor het agrarische bedrijf van [partij] is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding en het daarom niet bevoegd is handhavend op te treden. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit op bezwaar op onjuiste gronden heeft vernietigd. Zij heeft voorts ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

Conclusie

9. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit in stand blijven.

Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

10. [appellant] heeft op verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

10.2. De Afdeling gaat ervan uit dat het college het bezwaarschrift van [appellant] van 5 september 2022 heeft ontvangen op 6 september 2022. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.

Proceskosten

11. Het college moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 25 januari 2024 in zaak nr. 23/408, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 20 december 2022 in stand blijven;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.941,25, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand