ECLI:NL:RVS:2026:2643

ECLI:NL:RVS:2026:2643

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 202303363/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij twee besluiten van 21 september 2021 heeft de burgemeester van Almere aanvragen van FEBO Almere voor een terrasvergunning en een vergunning alcoholvrij bedrijf afgewezen. FEBO Almere heeft de burgemeester verzocht vergunningen te verlenen voor een terras en een alcoholvrij bedrijf. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd om advies. Uit die adviezen volgt dat in mindere mate gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. De burgemeester is echter van mening dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hij heeft daarom geweigerd de vergunning voor een alcoholvrij bedrijf te verlenen.

Uitspraak

202303363/1/A3.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de burgemeester van Almere,

2. FEBO Almere Stationsplein B.V. (hierna: FEBO Almere), gevestigd in Almere,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 6 april 2023 in zaak nr. 22/4654 in het geding tussen:

FEBO Almere

en

de burgemeester van Almere.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 21 september 2021 heeft de burgemeester aanvragen van FEBO Almere voor een terrasvergunning en een vergunning alcoholvrij bedrijf afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2022 heeft de burgemeester de door FEBO Almere daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2023 heeft de rechtbank het door FEBO Almere daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 augustus 2022 vernietigd en de burgemeester opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. FEBO Almere heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

FEBO Almere heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De burgemeester heeft een zienswijze gegeven.

Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de burgemeester onder voorschriften een vergunning alcoholvrij bedrijf en een terrasvergunning aan FEBO Almere verleend.

FEBO Almere heeft gronden ingediend tegen dat besluit.

De burgemeester en FEBO Almere hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 26 maart 2026 behandeld, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.P. Verbraeken, rechtsbijstandverlener, en FEBO Almere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. FEBO Almere heeft de burgemeester verzocht vergunningen te verlenen voor een terras en een alcoholvrij bedrijf. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd om advies. Uit die adviezen volgt dat in mindere mate gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. De burgemeester is echter van mening dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hij heeft daarom geweigerd de vergunning voor een alcoholvrij bedrijf te verlenen.

2. Omdat geen vergunning voor een alcoholvrij bedrijf verleend kon worden, heeft de burgemeester op grond van artikel 2:17, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV Almere 2011 geweigerd de terrasvergunning te verlenen.

Feiten en omstandigheden die de burgemeester heeft betrokken

3. Volgens de burgemeester blijkt het ernstige gevaar uit het volgende. [gemachtigde] is bestuurder van FEBO Almere en staat in relatie tot strafbare feiten die [persoon A], [persoon B] en [persoon C] vermoedelijk hebben gepleegd. [persoon B] en [persoon C] zijn (indirect) vermogensverschaffer van FEBO Almere en hebben € 650.000,- geleend aan [gemachtigde]. Dat geld is gebruikt om te investeren in FEBO Almere. [persoon A] is de echtgenoot van [gemachtigde] en is middellijk enig aandeelhouder van FEBO Almere. Daarom is ook sprake van een zakelijk samenwerkingsverband tussen FEBO Almere en [persoon A]. De burgemeester is ook van mening dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, omdat [persoon A] eerder als leidinggevende heeft gewerkt bij Poolcentrum Almere en daar samenwerkte met [persoon B] en [persoon C]. Na incidenten over heling en vuurwapenhandel, is de vergunning voor het Poolcentrum ingetrokken.

3.1. Volgens de burgemeester hebben [persoon A], [persoon B] en [persoon C] (vermoedelijk) meerdere strafbare feiten gepleegd.

3.1.1. [persoon A] heeft in strijd gehandeld met het Vuurwerkbesluit, waarvoor hij op 6 mei 2015 is veroordeeld tot vijftig uur taakstraf en subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan de helft voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Ook heeft hij in strijd met de Wet wapens en munitie (Wwm) een boksbeugel en pepperspray voorhanden gehad. Daarvoor heeft [persoon A] op 31 december 2007 een transactie geaccepteerd. [persoon A] is in de periode 2015 tot en met 2018 vermoedelijk betrokken geweest bij herhaaldelijke overtredingen van de Drank- en Horecawet (DHW) bij het Poolcentrum. Ook bestaat een ernstig vermoeden dat [persoon A] feitelijk leiding heeft gegeven aan heling en vuurwapenhandel, gepleegd door [persoon D], in het Poolcentrum.

3.1.2. [persoon C] heeft vermoedelijk valsheid in geschrifte gepleegd bij een aanvraag voor een vergunning voor Hotel Cataleya. Ook heeft hij vermoedelijk in strijd gehandeld met de Opiumwet omdat hij op 26 oktober 2016 hasj binnen een Penitentiaire Inrichting probeerde te brengen. Ook [persoon C] is in de periode 2015 tot en met 2018 vermoedelijk betrokken geweest bij herhaaldelijke overtredingen van de Drank- en Horecawet (DHW) bij het Poolcentrum. Verder heeft [persoon C] op 27 februari 2011 in strijd met de Wwm gehandeld.

3.1.3. [persoon B] heeft op 24 december 2019 vermoedelijk artikel 1b, derde lid, van de Woningwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit 2021 en artikel 1.2.2, derde lid, van het Vuurwerkbesluit overtreden. Daarnaast heeft [persoon B] vermoedelijk feitelijk leiding gegeven aan heling en vuurwapenhandel, gepleegd door [persoon D].

3.2. De burgemeester heeft over de overtredingen in het Poolcentrum het volgende gesteld. In 2015 en 2016 heeft de burgemeester het Poolcentrum bestuurlijke boetes en een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de artikelen 20 en 24 van de DHW. In 2016 heeft het Poolcentrum een formele waarschuwing ontvangen voor het aanzetten tot geweld. [persoon D] zou daarbij een dakloos persoon ertoe hebben aangezet flesjes in de richting van mensen te gooien. In 2017 is opnieuw een waarschuwing opgelegd, omdat [persoon B] met een honkbalknuppel zou hebben gedreigd. Verder is in 2017 de DHW-vergunning voor de duur van twee weken geschorst, omdat er geen leidinggevende in de horecagelegenheid aanwezig was. In 2018 is dat opnieuw geconstateerd, waarna [persoon D] intimiderend gedrag richting toezichthouders zou hebben vertoond. Op 1 november 2018 heeft de burgemeester het Poolcentrum gesloten voor de duur van zes maanden, omdat vermoedelijk strafbare feiten zich hebben voorgedaan in de horecagelegenheid. Daarbij heeft de burgemeester verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 maart 2020 in zaaknummer 19/1975. Uit die uitspraak volgt dat het Poolcentrum een belangrijke rol speelde bij criminele activiteiten, waaronder vuurwapenhandel en heling. [persoon D] zou een wapen hebben verhandeld. Ook is een koffer aangetroffen met voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor het onderhoud van vuurwapens. Tot slot werd een bedrag van bijna € 70.000,- aangetroffen. Op basis van strafrechtelijk onderzoek, is volgens de burgemeester sprake van ernstige vermoedens van handelen in strijd met de Wwm en heling door [persoon D]. In 2019 is de DHW-vergunning voor het Poolcentrum ingetrokken, omdat er verschillende incidenten zijn geweest die de openbare orde schaadden.

3.3. De burgemeester heeft zich verder op het standpunt gesteld dat [persoon A], [persoon B] en [persoon C] betrokken zullen zijn bij de bedrijfsvoering van FEBO Almere. Hoewel nog niet duidelijk is dat zij daadwerkelijk betrokken zullen zijn, omdat FEBO Almere nog niet geopend is, bestaat een aanmerkelijk risico dat zij zich zullen bemoeien met de bedrijfsvoering. Daarbij neemt de burgemeester in aanmerking dat in het verleden mogelijk schijnconstructies hebben bestaan bij ondernemingen van [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

3.4. Volgens de burgemeester zijn de betrokkenen structureel of herhaaldelijk betrokken bij vermoedelijk gepleegde strafbare feiten. Sinds het laatst vermoedelijk gepleegde strafbare feit tot aan het besluit van 21 september 2021 waren twee jaar verstreken, zodat het tijdsverloop volgens de burgemeester niet afdoet aan de gevaarsconclusie.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Weliswaar staat volgens de rechtbank vast dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen enerzijds FEBO Almere en anderzijds [persoon A], [persoon B] en [persoon C], maar is er geen sprake van een ernstig gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Volgens de rechtbank is er sprake van een mindere mate van gevaar. De burgemeester moet daarom van de rechtbank een nieuw besluit nemen, waarbij de mogelijkheid wordt bezien of voorschriften aan een vergunning kunnen worden verbonden.

Wettelijk kader

5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Hoger beroep en incidenteel hoger beroep

6. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard, het besluit van 9 augustus 2022 heeft vernietigd en hem heeft opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Volgens hem is geen sprake van een motiveringsgebrek.

6.1. FEBO Almere heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de burgemeester ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond is. Omdat, zoals hierna zal blijken, het hoger beroep van de burgemeester gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en komt de Afdeling toe aan het bespreken van de gronden van het incidenteel hoger beroep. Dat incidenteel hoger beroep zal de Afdeling hierna gezamenlijk bespreken met het hoger beroep van de burgemeester.

Feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten

7. De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat [persoon A] feitelijk leiding heeft gegeven aan heling en vuurwapenhandel in het Poolcentrum. Weliswaar volgt de rechtbank het betoog dat hij de strafbare feiten die [persoon D] heeft gepleegd heeft getolereerd en gefaciliteerd, maar dat betekent niet dat sprake is van een vermoeden dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan die strafbare feiten. [persoon A] moet daarvoor zeggenschap en wetenschap hebben gehad. Als eigenaar van het Poolcentrum was hij bij machte om in te grijpen, maar onvoldoende is vast komen te staan dat [persoon A] wetenschap had van die feiten. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor [persoon B]. De burgemeester mocht deze strafbare feiten dan ook niet bij zijn oordeel betrekken. Het vermoeden dat [persoon A] en [persoon B] feitelijk leiding hebben gegeven aan herhaaldelijke overtredingen van de DHW, dat [persoon A] vermoedelijk in strijd met de Wwm heeft gehandeld, de strafbare feiten die [persoon C] vermoedelijk heeft begaan en de overige feiten die [persoon B] vermoedelijk heeft begaan, mocht de burgemeester wel betrekken bij zijn gevaarsbeoordeling, aldus de rechtbank.

7.1. Volgens de burgemeester heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij het leidinggeven aan vuurwapenhandel en heling door [persoon A] en [persoon B] in het geheel niet mocht betrekken. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte overwogen dat vast moet komen te staan dat zij wetenschap hadden van de strafbare feiten. Dat volgt volgens de burgemeester ook uit de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:392. Voor zover dat al vast moet komen te staan, stelt de burgemeester zich op het standpunt dat zij er van wisten dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan of er van af moesten weten. Ook is het oordeel van de rechtbank op dit punt tegenstrijdig, omdat zij enerzijds overweegt dat [persoon A] de strafbare feiten heeft getolereerd en gefaciliteerd, maar anderzijds vaststelt dat hij hier geen weet van kon hebben, aldus de burgemeester.

7.2. FEBO Almere betoogt dat de rechtbank onvoldoende een onderscheid heeft gemaakt tussen het zakelijk samenwerkingsverband dat zij heeft met [persoon A] en de vermogensverschaffing van [persoon B] en [persoon C].

7.3. Uit het besluit van 21 september 2021 volgt dat de politie op 19 oktober 2018 bij doorzoeking van het poolcentrum een koffer voor de opslag van een handvuurwapen heeft gevonden met daarin voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor het onderhoud en gebruik van vuurwapens. Deze bevindingen heeft de politie neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 19 december 2018. Uit dat politieonderzoek blijkt verder dat op 26 april 2018 vanuit het Poolcentrum een wapen is verhandeld. Ook blijkt uit het onderzoek dat [persoon B] in sommige gevallen binnen gehoorafstand aanwezig is, als het gaat over criminele activiteiten.

7.4. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob bepaalt dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als een ander de strafbare feiten heeft gepleegd en die persoon vermogen heeft verschaft en/of in een zakelijk samenwerkingsverband staat of heeft gestaan. Omdat FEBO Almere erkent dat [persoon A] in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot haar en [persoon B] en [persoon C] vermogen hebben verschaft, kan in het midden worden gelaten of de duiding daarvan door de rechtbank juist is. Artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob bepaalt immers dat in die gevallen een relatie tot strafbare feiten bestaat.

7.5. Los van de vraag of het nodig is dat [persoon A] en [persoon B] wetenschap en zeggenschap hadden moeten hebben over het vermoedelijk leidinggeven aan vuurwapenhandel en heling, staat naar het oordeel van de Afdeling, gelet op wat in overweging 7.3 staat beschreven, vast dat zij deze strafbare feiten in ieder geval hebben gefaciliteerd. Bij artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kunnen immers ook feiten en omstandigheden worden betrokken die redelijkerwijs doen vermoeden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Dat betekent dat zij vermoedelijk betrokken zijn geweest bij dat strafbare feit. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de burgemeester dit feit niet mocht betrekken en FEBO Almere niet in relatie staat tot die strafbare feiten.

7.6. Het betoog van de burgemeester slaagt. Het betoog van FEBO Almere slaagt niet.

Samenhang

8. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester het handelen in strijd met het Vuurwerkbesluit door [persoon A] niet mocht betrekken bij zijn beoordeling, omdat onvoldoende samenhang bestaat tussen dit feit en de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd.

8.1. Volgens de burgemeester heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het handelen in strijd met het Vuurwerkbesluit door [persoon A] niet mocht worden betrokken. Hij had in zijn woning 107 kg vuurwerk opgeslagen en voorhanden. Men kan ook in een horeca-inrichting vuurwerk opslaan. In het Poolcentrum, waarvan [persoon A] leidinggevende was, heeft de politie ook grote hoeveelheden illegaal vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen. Al eerder heeft een horecavergunning dit strafbare feit mogelijk gemaakt. Strafbare feiten die eerder zijn gepleegd bij de exploitatie van een soortgelijke onderneming, hangen volgens de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1360, samen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd, aldus de burgemeester.

8.2. FEBO Almere betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester de overtredingen van de artikelen 20 en 24 van de DHW mocht betrekken bij zijn besluitvorming. FEBO Almere heeft vergunningen voor een alcoholvrij bedrijf en een terrasvergunning aangevraagd. De vergunningen maken het dan ook niet mogelijk dat nieuwe overtredingen worden gepleegd en alcohol zal worden geschonken aan minderjarigen, zodat geen samenhang bestaat, aldus FEBO Almere.

8.3. Artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4759, kan van activiteiten die samenhangen met die waarvoor de beschikking is gevraagd, worden gesproken als het gaat om activiteiten die in elkaars verlengde liggen. Als een overtreding heeft plaatsgevonden in het kader van de exploitatie van een bedrijf, moet alleen al daarom worden aangenomen dat sprake is van samenhang. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019.

8.4. Uit het advies van het LBB volgt dat [persoon A] vermoedelijk in strijd heeft gehandeld met het Vuurwerkbesluit. Daarvoor is hij op 6 mei 2015 veroordeeld tot vijftig uur taakstraf en subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan de helft voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Uit het advies van het LBB blijkt dat op 6 september 2013 ongeveer 107 kg illegaal vuurwerk werd aangetroffen in de woning van [persoon A].

8.4.1. Uit een bestuurlijke rapportage van 25 oktober 2018 volgt dat de politie op 17 december 2015 heeft geconstateerd dat bij de achterzijde van het Poolcentrum drie mannen, waaronder [persoon D], bij een voertuig staan. Twee van die personen lopen vanuit het Poolcentrum naar het voertuig en stoppen daar een doos in. Die doos bleek na controle van de politie illegaal vuurwerk te bevatten.

8.4.2. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de overtredingen van het Vuurwerkbesluit buiten beschouwing moest laten. De burgemeester heeft terecht van belang geacht dat de doos met vuurwerk uit het Poolcentrum kwam en in samenhang bezien met de aangetroffen hoeveelheid vuurwerk in de woning van [persoon A] dus aannemelijk is dat vanuit de horecagelegenheid werd gehandeld in illegaal vuurwerk. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019 volgt, hangt deze overtreding daarom samen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd, omdat de overtreding in het kader van de exploitatie van een bedrijf heeft plaatsgevonden.

8.5. Verder is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester de overtredingen van artikelen 20 en 24 van de DHW mag betrekken bij zijn beoordeling of sprake is van ernstig gevaar, omdat deze overtredingen samenhangen met de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd. Dit zijn overtredingen van voorschriften die al dan niet rechtstreeks zijn verbonden aan de vergunning in het kader van de uitoefening van een horecabedrijf. Weliswaar heeft FEBO Almere een vergunning voor een alcoholvrij bedrijf aangevraagd, maar ondanks dat kan zij nog steeds alcohol schenken aan personen, zonder dat dat is toegestaan op grond van artikel 20 van de DHW. Ook volgt de eis dat een leidinggevende in de horecagelegenheid aanwezig moet zijn niet direct uit de APV Almere 2011. De burgemeester heeft echter op de zitting toegelicht dat een dergelijke eis als voorschrift op de vergunning kan worden opgenomen. Om die reden hangen ook de overtredingen van artikel 24 van de DHW samen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

8.6. Het betoog van de burgemeester slaagt. Het betoog van FEBO Almere slaagt niet.

Mate van gevaar

9. De rechtbank heeft overwogen dat de strafbare feiten die [persoon A] heeft begaan zwaarder wegen dan de strafbare feiten die [persoon B] en [persoon C] hebben begaan, omdat de band van [persoon A] als echtgenoot van de bestuurder van FEBO Almere sterker is dan die van [persoon B] en [persoon C]. Voor het handelen in strijd met de Wwm door [persoon A] is de rechtbank van oordeel dat de mate van de ernst van dit strafbare feit gering is, omdat dit feit uit 2007 dateert. De overtredingen van de DHW die [persoon A] herhaaldelijk heeft gepleegd heeft de burgemeester volgens de rechtbank als ernstige strafbare feiten mogen aanmerken. Omdat de relatie met [persoon B] en [persoon C] niet zo sterk is, is er in mindere mate sprake van gevaar. De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is van een mindere mate van gevaar.

9.1. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [persoon B] en [persoon C] in een verder verwijderd verband staan van FEBO Almere en aan de door hen gepleegde strafbare feiten een minder zwaar gewicht moet worden toegekend. Daarbij neemt de burgemeester in aanmerking dat het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van de wetgever is. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:829, en 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3732, volgt dat, ondanks het ontbreken van daadwerkelijke betrokkenheid bij de bedrijfsvoering, de strafbare feiten betrokken kunnen worden bij de beoordeling. De wetgever heeft het zakelijk samenwerkingsverband in het leven geroepen om schijnconstructies tegen te gaan. De essentie daarvan is dat personen buiten beeld proberen te blijven van een bestuursorgaan en zich dus niet zichtbaar bemoeien met de bedrijfsvoering van een bedrijf. Het oordeel van de rechtbank is dan ook onjuist. Verder is er een sterke band tussen [persoon B] en [persoon C] enerzijds en FEBO Almere anderzijds. Zij hebben namelijk een bedrag van € 650.000,- geleend aan FEBO Almere. Daarmee hebben zij een aanzienlijk belang bij de exploitatie van de onderneming. Tussen de familieleden bestaat een intensieve samenwerking. Verder is de burgemeester van mening dat de rechtbank ten onrechte op de stoel van het bestuur is gaan zitten. Het is volgens hem niet aan de rechtbank maar aan hem om te motiveren dat sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, aldus de burgemeester

9.2. Artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob bepaalt op basis waarvan de mate van gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen wordt vastgesteld. Die beoordeling is in eerste instantie aan het bestuursorgaan. Daartoe heeft zij een motiveringsplicht. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens of het bestuursorgaan redelijkerwijs tot de conclusie kon komen dat een ernstig gevaar bestaat.

9.3. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob bepaalt dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als een ander de strafbare feiten heeft gepleegd en die persoon vermogen heeft verschaft en/of in een zakelijk samenwerkingsverband staat of heeft gestaan. Zoals de burgemeester terecht opmerkt, kan ook een verbroken samenwerkingsverband worden betrokken bij het oordeel over de mate van het gevaar. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat een actueel zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen [persoon A] enerzijds, en FEBO Almere anderzijds. [persoon B] en [persoon C] hebben ook geld geleend aan FEBO Almere en zijn daarmee vermogensverschaffer. Dat betekent dat zij in relatie staat tot de strafbare feiten die [persoon A], [persoon B] en [persoon C] hebben gepleegd.

9.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een mindere mate van gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen. Uit het voorgaande blijkt dat de burgemeester mocht betrekken dat [persoon A] en [persoon B] vermoedelijk leiding hebben gegeven aan vuurwapenhandel en heling. Verder stelt de Afdeling vast dat [persoon A] en [persoon C] in de jaren 2015 tot en met 2018 verschillende overtredingen hebben gepleegd van de DHW bij het Poolcentrum. Tot slot mocht ook betrokken worden dat [persoon C] de Opiumwet heeft overtreden en vermoedelijk valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij een aanvraag voor Hotel Cataleya. Daarover heeft de Afdeling in de uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:212, geoordeeld dat die vermoedens van valsheid in geschrifte mochten leiden tot een weigering een Alcoholwetvergunning te verlenen. Al deze feiten zijn naar het oordeel van de Afdeling ernstig en niet te verenigen met de exploitatie van een horeca-inrichting. Bovendien hangen die feiten samen met de exploitatie van een horeca-inrichting. De horecabranche is een branche die kwetsbaar is voor dit soort strafbare feiten, zoals de Afdeling ook al heeft geoordeeld in de voormelde uitspraak van 22 januari 2025. De overtredingen laten een patroon van het handelen van [persoon A]. [persoon B] en [persoon C] zien. Omdat zij in relatie staan tot FEBO Almere, mocht de burgemeester redelijkerwijs het standpunt innemen dat sprake is van ernstig gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen.

9.5. Het betoog slaagt.

Evenredigheid

10. De rechtbank heeft geoordeeld dat, omdat sprake is van een mindere mate van gevaar, de weigering van de vergunningen niet evenredig is. De burgemeester moet daarom van de rechtbank een nieuwe afweging maken over de evenredigheid van de weigering van de vergunningen in het licht van de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

10.1. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat zijn besluitvorming evenredig is en aan de eisen van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob voldoet.

10.2. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering van de vergunningen slechts plaatsvindt als die evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

10.3. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft geoordeeld, is sprake van een ernstig gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Ook zijn de strafbare feiten ernstig. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot een andere conclusie gekomen. Het belang dat FEBO Almere de vergunningen krijgt, weegt naar het oordeel van de Afdeling minder zwaar dan het belang dat de burgemeester heeft bij het voorkomen van plegen van strafbare feiten met de vergunningen. Bovendien kan FEBO Almere nog steeds haar onderneming exploiteren, alleen zonder dat in de horecagelegenheid mag worden gegeten en gedronken. Zij mag wel geopend zijn voor afhalen en bezorging.

10.4. Het betoog slaagt.

Conclusie over het hoger beroep, het incidenteel hoger beroep en het beroep van rechtswege

11. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van FEBO Almere slaagt niet. Dit oordeel betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep dat FEBO Almere bij de rechtbank heeft ingesteld ongegrond verklaren. Dat betekent dat FEBO Almere geen vergunningen krijgt voor een alcoholvrij bedrijf en een terras.

11.1. Met het besluit van 9 juni 2023 heeft de burgemeester, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van FEBO Almere beslist en een vergunning onder voorschriften verleend. Dit besluit is, gelet op de artikelen 6:24 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege onderwerp van dit geding. De vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt ertoe dat aan dat besluit de grondslag is komen te ontvallen. Het besluit moet alleen al daarom worden vernietigd. Aan een bespreking van de gronden die FEBO Almere tegen het besluit van 9 juni 2023 heeft aangevoerd, komt de Afdeling niet toe.

11.2. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Almere gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van FEBO Almere Stationsplein B.V. ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 6 april 2023 in zaak nr. 22/4654;

IV. verklaart het beroep ongegrond;

V. vernietigt het besluit van de burgemeester van Almere van 9 juni 2023, kenmerk: 214909.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

voorzitter

w.g. Renkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

BIJLAGE

Wet Bibob

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

[…]

b. strafbare feiten te plegen.

[…]

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

[…]

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

[…]

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.

APV Almere 2011

Artikel 2:17 Terrasvergunning

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras bij een openbare inrichting in te richten en in gebruik te nemen en te houden.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

[…]

b. voor de openbare inrichting waaraan het terras gekoppeld is geen drank- en horecavergunning of vergunning alcoholvrij bedrijf is verleend of kan worden verleend, of indien deze vergunning is ingetrokken.

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand