202303560/1/V3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Verwijzingsuitspraak in het kader van het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 mei 2023 in zaak nr. NL22.25430 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Bij brief van 14 april 2026 heeft de Afdeling partijen meegedeeld dat zij voornemens is het Hof van Justitie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze zaak voor te leggen vraag. Aan partijen is de vraag in concept voorgelegd.
Appellant en de minister hebben hierop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze verwijzingsuitspraak gaat over de vraag of het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) zo kan worden uitgelegd dat dit woord verwijst naar de keuze van bestemming van de onderdaan van een derde land.
1.1. In deze verwijzingsuitspraak geeft de Afdeling eerst de feiten en het verloop van de procedure weer (onder 2 tot en met 3.1). Daarna zet zij het relevante wettelijk kader uiteen. Vervolgens geeft de Afdeling een voorlopig oordeel en licht zij toe waarom zij aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen (onder 4 tot en met 7), waarna zij die vraag formuleert (onder 8).
Feiten en het verloop van de procedure
2. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 33, tweede lid en onder c, van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en hieruit volgt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien een derde land voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd. De minister heeft Ecuador voor appellant als veilig derde land beschouwd. Niet in geschil is dat appellant zes jaar lang legaal in Ecuador heeft verbleven. Het besluit op de asielaanvraag is ook een terugkeerbesluit, waarin de minister Ecuador als land van terugkeer heeft aangewezen. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij niet naar Ecuador wil terugkeren. Omdat de minister de asielaanvraag van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft hij de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Hij heeft dus ook niet getoetst of er een refoulementrisico bestaat voor Venezuela, het land van herkomst.
2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het terugkeerbesluit van 6 december 2022 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn zo gelezen moet worden dat verwacht wordt dat de onderdaan van het derde land binnen de gestelde termijn uit zichzelf het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verlaat. Deze bepaling gaat daarom niet over de vraag of de betreffende persoon terug wil keren naar het derde land, aldus de rechtbank.
Standpunten in hoger beroep
3. Appellant klaagt in hoger beroep over het oordeel van de rechtbank dat de minister op goede gronden een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd. Hij voert aan dat de rechtbank een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn. Volgens appellant verwijst ‘vrijwillig’ in deze context naar de keuze van bestemming van de betrokken onderdaan van een derde land. Omdat appellant niet naar Ecuador wil terugkeren, had de minister daarom geen terugkeerbesluit met Ecuador als land van terugkeer mogen uitvaardigen.
3.1. In reactie op vragen van de Afdeling, heeft de minister zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de uitleg die appellant aan het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn geeft, onjuist is. Daarbij wijst hij op artikel 38 van de Procedurerichtlijn, dat procedures voor de terugkeer naar een veilig derde land regelt. De uitleg dat een dergelijke terugkeer afhankelijk is van de instemming van de vreemdeling zou dit artikel tot een loze bepaling maken. Daarnaast gaat die uitleg van appellant volgens de minister in tegen het algemene doel van de Terugkeerrichtlijn, namelijk het voeren van een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid.
Wettelijk kader - Unierecht - Terugkeerrichtlijn - Considerans
(2) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen, op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden.
Artikel 3
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
(…)
3. „terugkeer": het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:
- zijn land van herkomst, of
- een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of
- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten;
Procedurerichtlijn
Artikel 33
(…)
2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
(…)
c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd;
Artikel 38
1. De lidstaten mogen het begrip "veilig derde land" alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:
(…)
2. De toepassing van het begrip "veilig derde land" is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, waaronder:
(…)
Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk "terugkeerhandboek" voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken
1.3. Terugkeer
(…)
De definitie houdt ook in dat de lidstaten terugkeeroperaties naar een derde land alleen mogen verrichten in de omstandigheden die in een van de drie streepjes van de definitie uitputtend zijn opgesomd. Daarom is het bijvoorbeeld niet mogelijk een repatriant zonder diens instemming te verwijderen naar een derde land dat noch het land van herkomst, noch het land van doorreis is.
(…)
De term „besluit vrijwillig terug te keren" in het derde streepje is niet hetzelfde als vrijwillig vertrek. „Vrijwillig" verwijst in deze context naar de keuze van de bestemming door de repatriant. Een dergelijke vrijwillige keuze van de bestemming kan ook worden gemaakt bij de voorbereiding van een verwijderingsoperatie: er kunnen gevallen zijn waarin de repatriant liever naar een ander derde land wordt verwijderd dan het land van doorreis of herkomst.
Nationaal recht
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 30a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
(…)
c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;
Voorlopig oordeel van de Afdeling en aanleiding voor de prejudiciële vraag
4. De Afdeling is op grond van het Terugkeerhandboek, dat bij aanbeveling (EU) 2017/2338 is vastgesteld en richtsnoeren biedt voor de uitleg van de Terugkeerrichtlijn, vooralsnog van oordeel dat de minister een derde land, anders dan het land van herkomst of een land van doorreis, alleen als land van terugkeer kan aanwijzen, als de onderdaan van een derde land te kennen heeft gegeven naar dit land terug te willen keren. Zij stelt tegelijkertijd vast dat dit oordeel in strijd lijkt te zijn met de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn en met artikel 33, tweede lid en onder c, en artikel 38 van de Procedurerichtlijn. Dat legt zij hieronder uit.
Artikel 3, derde lid, derde streepje van de Terugkeerrichtlijn
5. Uit artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt naar welke landen een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terug kan keren. Dit zijn het land van herkomst (eerste streepje), een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen (tweede streepje), of een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten (derde streepje).
5.1. Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling moet aan het woord ‘vrijwillig’ onder het derde streepje een andere betekenis worden toegekend dan aan ‘vrijwillig vertrek’, als bedoeld in artikel 3, achtste lid, en artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling vindt hiervoor steun in het Terugkeerhandboek. Een aanbeveling, zo volgt uit artikel 288, vijfde alinea, van het VWEU, is niet verbindend, maar nationale rechterlijke instanties zijn wel gehouden een aanbeveling bij de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen in aanmerking te nemen. Vergelijk het arrest van het Hof van 13 december 1989, Grimaldi, ECLI:EU:C:1989:646, onder 18. In punt 1.3 van het Terugkeerhandboek staat dat "besluit vrijwillig terug te keren" niet hetzelfde is als vrijwillig vertrek en dat het in deze context verwijst naar de keuze van bestemming door de repatriant. Een dergelijke vrijwillige keuze kan ook worden gemaakt bij de voorbereiding van een verwijderingsoperatie: er kunnen gevallen zijn waarin de repatriant liever naar een ander derde land wordt verwijderd dan het land van doorreis of herkomst. In punt 1.3 van het Terugkeerhandboek staat ook dat de lidstaten terugkeeroperaties naar een derde land alleen mogen verrichten in de omstandigheden die in één van de drie streepjes van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn uitputtend zijn opgesomd. Daarom is het bijvoorbeeld niet mogelijk een repatriant zonder diens instemming te verwijderen naar een derde land dat noch het land van herkomst, noch het land van doorreis is, aldus het Terugkeerhandboek. Dat het hier gaat om een vrijwillige keuze blijkt volgens de Afdeling ook uit de bewoordingen in verschillende andere taalversies van de Terugkeerrichtlijn, zoals de Engelse (another third country, to which the third-country national concerned voluntarily decides to return), de Franse (un autre pays tiers dans lequel le ressortissant concerné d’un pays tiers décide de retourner volontairement) en de Duitse (ein anderes Drittland, in das der betreffende Drittstaatsangehörige freiwillig zurückkehren will).
Doelstelling van de Terugkeerrichtlijn
6. Het doel van de Terugkeerrichtlijn is erin gelegen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren. De uitleg die de Afdeling onder 5.1 aan het woord ‘vrijwillig’ heeft gegeven, lijkt hiermee in strijd te zijn. Een dergelijke uitleg zou namelijk tot gevolg hebben dat de enkele omstandigheid dat een vreemdeling niet wil terugkeren naar een derde land, anders dan het land van herkomst of een land van doorreis, ertoe leidt dat de minister geen terugkeerbesluit naar dat land kan uitvaardigen. Dit doet afbreuk aan de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren. De Afdeling zal hierover daarom de onder 8 geformuleerde prejudiciële vraag stellen.
Artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van de Procedurerichtlijn
7. In artikel 33, tweede lid, onder c, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd. In artikel 38 van de Procedurerichtlijn zijn de voorwaarden opgenomen op basis waarvan het begrip ‘veilig derde land’ kan worden toegepast. De Afdeling constateert dat deze bepalingen op gespannen voet lijken te staan met de betreffende bepaling uit de Terugkeerrichtlijn en de uitleg die in het Terugkeerhandboek aan het woord ‘vrijwillig’ wordt gegeven. Deze uitleg leidt er namelijk toe dat een asielaanvraag op grond van de genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn niet-ontvankelijk kan worden verklaard, omdat sprake is van een veilig derde land, terwijl de minister geen terugkeerbesluit naar dat land kan uitvaardigen als de verzoeker daar niet naar wil terugkeren. Het gevolg hiervan is dat de onderdaan van een derde land in dat geval niet in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf, maar dat er ook geen terugkeerbesluit met daarin het betreffende derde land als land van terugkeer kan worden uitgevaardigd, tenzij hij daarmee instemt. Uit het arrest van het Hof van 14 mei 2020, FMS e.a., ECLI:EU:C:2020:367, onder 115, volgt namelijk dat in een terugkeerbesluit een land van terugkeer moet worden vermeld. Het voorgaande betekent dat de uitleg dat een onderdaan van een derde land moet instemmen met de terugkeer naar een veilig derde land, de nuttige werking van artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van de Procedurerichtlijn, ontneemt. De Afdeling stelt daarom hierover de onder 8 geformuleerde prejudiciële vraag.
Prejudiciële vraag
8. Gelet op alles dat hiervoor is overwogen, verzoekt de Afdeling het Hof om, bij wijze van prejudiciële beslissing, antwoord te geven op de volgende prejudiciële vraag:
Moet het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de doelstelling van die richtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren en in samenhang met artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU, zo worden uitgelegd dat dit verwijst naar de keuze van bestemming van de onderdaan van een derde land?
Conclusie
9. De behandeling van het hoger beroep in zaak nr. 202303560/1/V3 zal worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vraag:
Moet het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de doelstelling van die richtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren en in samenhang met artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU, zo worden uitgelegd dat dit verwijst naar de keuze van bestemming van de onderdaan van een derde land?
II. schorst de behandeling van het hoger beroep tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
981