BRS.25.000567
ECLI:NL:RVS:2026:2668
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 april 2025 in zaak nr. NL25.121 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2025 heeft de minister bepaald dat betrokkene wordt overgedragen aan Duitsland.
Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkene heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort, en betrokkene, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen.
De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. BRS.25.000720.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft asielverzoeken ingediend in Polen, Duitsland en Nederland. De minister heeft bepaald dat betrokkene aan Duitsland wordt overgedragen in het kader van de Dublinverordening, omdat Duitsland volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Het gaat in deze zaak uiteindelijk om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling is van oordeel dat Nederland, en dus de minister, daarvoor verantwoordelijk is. De Afdeling legt in deze uitspraak uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Heeft de minister nog belang bij de behandeling van zijn hoger beroep?
2. De minister heeft bij brief van 23 september 2025 aan de Afdeling te kennen gegeven dat hij betrokkene heeft opgenomen in de nationale asielprocedure. Daardoor kan de minister geen uitvoering meer geven aan zijn overdrachtsbesluit. Ondanks deze situatie, heeft de minister toch een belang bij de behandeling van zijn hoger beroep. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat een bestuursorgaan in beginsel belang heeft bij de beoordeling van een hoger beroep als de rechtbank een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478, onder 4.1.
Wat zijn de feiten en omstandigheden?
3. De minister was in eerste instantie voornemens om betrokkene over te dragen aan Duitsland nadat betrokkene in Nederland een asielverzoek had ingediend. De Duitse autoriteiten hadden het terugnameverzoek van de minister op 24 augustus 2023 afgewezen. Die autoriteiten gaven daarbij aan de minister te kennen dat Polen toen nog verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek tot 21 september 2024, omdat de overdrachtstermijn dan zou verstrijken. De minister heeft naar aanleiding van deze reactie van de Duitse autoriteiten op 25 augustus 2023 bij de Poolse autoriteiten een terugnameverzoek ingediend. De Poolse autoriteiten hebben dat verzoek op 31 augustus 2023 geaccepteerd. De Poolse autoriteiten stelden daarbij voor dat de minister voor een eventuele overdracht aan Polen contact zou opnemen met de Duitse autoriteiten om te controleren of de verantwoordelijkheid niet inmiddels naar Duitsland was verschoven.
3.1. De minister heeft vervolgens op 9 december 2024 aan de Poolse autoriteiten te kennen gegeven dat hij betrokkene op 18 december 2024 aan Polen zou overdragen. De Poolse autoriteiten hebben die overdracht geweigerd op 12 december 2024, omdat volgens de Poolse autoriteiten Duitsland inmiddels verantwoordelijk was geworden. De minister heeft vervolgens weer een terugnameverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten op 13 december 2024. De Duitse autoriteiten hebben dat verzoek op 2 januari 2025 geaccepteerd.
Wat is tussen partijen in geschil?
4. In het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, B., F. en K., ECLI:EU:C:2023:4, punten 80 tot en met 85, heeft het Hof uitgelegd hoe lidstaten moeten handelen in dit soort situaties met meerdere asielverzoeken en lopende overdrachtstermijnen tussen andere lidstaten. Vergelijk in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2109, onder 4.3. In punt 84 van het arrest B., F. en K. verwijst het Hof naar punt 63 van het arrest van het Hof van 25 januari 2018, Hasan, ECLI:EU:C:2018:35. Uit die punten volgt voor deze zaak dat de minister binnen een redelijke termijn, vanaf het tijdstip waarop hij over informatie beschikt die hem in staat stelt een terugnameverzoek in te dienen, een terugnameverzoek moet indienen bij Duitsland. Als de minister dat niet doet, of niet op tijd, dan wordt Nederland verantwoordelijk. De specifieke rechtsvraag in deze zaak is vanaf welk tijdstip de minister beschikte over informatie die hem in staat stelde om een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland. Dit tijdstip, en dus de aanvang van de termijn om een terugnameverzoek in te dienen, staat tussen partijen ter discussie.
4.1. De voor deze zaak relevante overwegingen uit de arresten B., F. en K. en Hasan zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De termijn voor het indienen van een terugnameverzoek
5. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de termijn voor het indienen van een terugnameverzoek twee maanden is. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling betoogd dat de termijn om een terugnameverzoek in te dienen drie maanden moet zijn als bedoeld in artikel 23, tweede lid en tweede alinea, van de Dublinverordening. De minister erkent dat hij in deze procedure steeds is uitgegaan van een termijn van twee maanden en voert voornoemd standpunt pas voor het eerst in hoger beroep aan. De Afdeling komt niet toe aan de beoordeling van dat standpunt, omdat de uitspraak van de rechtbank volgens artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 centraal staat in hoger beroep. De Afdeling gaat in deze zaak dan ook uit van een termijn van twee maanden.
Uitspraak van de rechtbank en de grief van de minister
6. De rechtbank heeft overwogen dat de minister op 24 augustus 2023, het moment van de afwijzing van het terugnameverzoek door Duitsland, er al van op de hoogte was dat de verantwoordelijkheid van Polen op 21 september 2024 van rechtswege zou verschuiven naar Duitsland door het verlopen van de overdrachtstermijn. Op laatstgenoemde datum begon de termijn te lopen om een terugnameverzoek in te dienen en daarom heeft de minister het terugnameverzoek van 13 december 2024 te laat ingediend bij Duitsland. Nederland is dus verantwoordelijk geworden, aldus de rechtbank.
7. De minister klaagt in zijn enige grief over dit oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, omdat de termijn voor het indienen van een terugnameverzoek bij Duitsland pas aanving, toen hij wist dat de verantwoordelijkheid daadwerkelijk was verschoven van Polen naar Duitsland. Dat was volgens de minister pas op het moment van de afwijzing door Polen op 12 december 2024. De minister is in deze zaak uitgegaan van een termijn van twee maanden en dus heeft hij het terugnameverzoek bij Duitsland van 13 december 2024 op tijd ingediend. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft de minister specifiek gewezen op punt 69 van het arrest Hasan. Het Hof heeft daarin overwogen dat de termijn ingaat op het tijdstip waarop de verzoekende lidstaat verneemt dat de vreemdeling zich op zijn grondgebied bevindt en die lidstaat kennis heeft van de gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is. Volgens de minister volgt daaruit dat hij ervan op de hoogte moet zijn dat de verantwoordelijkheid daadwerkelijk is verschoven voordat de termijn begint te lopen.
7.1. De minister heeft verder toegelicht dat er van alles kan gebeuren tijdens een Dublinprocedure waardoor op voorhand niet of minder duidelijk is of een bepaalde lidstaat verantwoordelijk is of dat de verantwoordelijkheid inmiddels is verschoven naar een andere lidstaat. Bijvoorbeeld als een vreemdeling later een asielverzoek indient in een andere lidstaat en dat verzoek daar inhoudelijk in behandeling is genomen, of doordat de termijnen voor het uitbrengen van een claimverzoek door die lidstaat niet worden gehaald. Het vergt volgens de minister dan ook een onevenredige inspanning om bij de betrokken lidstaten steeds navraag te doen of de verantwoordelijkheid is verschoven.
Het arrest Hasan
7.2. Uit de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof volgt geen algemene verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om andere betrokken lidstaten actief te informeren over een verschuiving van de verantwoordelijkheid. Daarbij is het inherent aan het Dublinsysteem dat de verzoekende lidstaten eerst terugnameverzoeken moeten indienen en dat die vervolgens worden beoordeeld door de aangezochte lidstaat voordat een overdracht mag plaatsvinden. Het is dus altijd mogelijk dat een lidstaat een terugnameverzoek weigert, omdat hij niet of nog niet verantwoordelijk is wegens feiten en omstandigheden die niet bij de verzoekende lidstaat bekend waren en niet bekend konden zijn.
7.3. Het Hof heeft in punt 64 van het arrest Hasan overwogen dat de termijn voor het indienen van zulke verzoeken logischerwijze niet ingaat op een tijdstip waarop de verzoekende lidstaat niet over de informatie beschikt die hem in staat stelt de terugnameprocedure in te leiden. De minister wijst er terecht op dat tijdens een Dublinprocedure de verantwoordelijkheid kan verschuiven door verschillende omstandigheden zoals weergegeven onder 7.1. De Afdeling volgt de minister in zoverre in zijn standpunt dat hij daardoor niet in elke Dublinprocedure telkens navraag moet doen naar een mogelijke verschuiving van de verantwoordelijkheid door bijvoorbeeld steeds terugnameverzoeken in te dienen bij betrokken lidstaten.
7.4. In de punten 63 tot en met 65 van het arrest Hasan heeft het Hof het algemene uitgangspunt weergegeven over de aanvang van de termijn om een terugnameverzoek in te dienen. Het ging in het arrest Hasan om informatie over de aanwezigheid van de vreemdeling op het grondgebied van de verzoekende lidstaat, nadat die vreemdeling na overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, illegaal naar de verzoekende lidstaat was teruggekeerd. De verzoekende lidstaat was niet bekend met de illegale inreis van de vreemdeling. De Afdeling leidt uit punt 69 van het arrest Hasan af dat het Hof het algemene uitgangspunt uit de punten 63 tot en met 65 toepast op dat geval. Uit punt 69 van dat arrest volgt dat in zo’n geval de termijn om een terugnameverzoek in te dienen niet aanvangt. Uit de bewoordingen in punt 69 "gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is" leidt de Afdeling af dat die termijn wel aanvangt als er gegevens zijn waaruit duidelijk volgt dat de overdrachtstermijn op een bepaald moment verstrijkt en de verantwoordelijkheid dan van rechtswege verschuift.
7.5. De Afdeling leidt uit de punten 63 tot en met 69 van het arrest Hasan niet af dat de minister pas in staat is om een terugnameverzoek in te dienen, als blijkt dat de verantwoordelijkheid tussen twee andere lidstaten daadwerkelijk is verschoven. In punt 63 van het arrest staat alleen dat de lidstaat moet beschikken over informatie die hem in staat stelt om een terugnameverzoek in te dienen. Het kan in dat kader onder meer gaan om gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is of zal worden. Daaruit volgt niet dat de verzoekende lidstaat in elk geval pas in staat is om een terugnameverzoek in te dienen, als hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat een andere lidstaat op dat moment daadwerkelijk al verantwoordelijk is geworden. Deze uitleg is in lijn met het doel van de Dublinverordening om asielverzoeken snel te behandelen door te waarborgen dat de terugnameprocedure zonder onnodige vertraging wordt uitgevoerd.
7.6. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling gewezen op de Duitse, Franse en Engelse tekst van de punten 63 tot en met 69 van het arrest Hasan. De Afdeling is van oordeel dat daaruit geen inhoudelijke verschillen volgen met de Nederlandse tekst van het arrest Hasan. De minister heeft tijdens de zitting verder niet toegelicht wat de concrete verschillen zijn die voornoemde standpunten ondersteunen.
Wat betekent dit voor het geval van betrokkene?
7.7. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de termijn om een terugnameverzoek bij Duitsland in te dienen, is aangevangen op 21 september 2024. Dat was het moment waarop de overdrachtstermijn tussen Polen en Duitsland was verstreken en Duitsland dus van rechtswege verantwoordelijk was geworden. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de minister het terugnameverzoek van 13 december 2024 niet binnen twee maanden na 21 september 2024 heeft ingediend en dat Nederland dus verantwoordelijk is geworden.
7.8. De minister beschikte in dit individuele geval wel over informatie die hem in staat stelde om vanaf 21 september 2024 een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland. In de afwijzing van de Duitse autoriteiten van 24 augustus 2023 staat namelijk duidelijk dat de termijn voor overdracht aan Polen zou verstrijken op 21 september 2024. Dit betekende dat Duitsland vanaf dat moment van rechtswege verantwoordelijk zou worden. Daarnaast hebben de Poolse autoriteiten in het claimakkoord van 31 augustus 2023 aan de minister voorgesteld om voor een eventuele overdracht aan Polen contact op te nemen met de Duitse autoriteiten om te controleren of de verantwoordelijkheid niet inmiddels naar Duitsland was verschoven. Dit was voor de minister dan ook relevante informatie om vanaf 21 september 2024 een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland.
7.9. De minister betoogt tot slot dat niet is uitgesloten dat Polen toch nog verantwoordelijk kon zijn na 21 september 2024 door bijvoorbeeld de schorsende werking van een rechtsmiddel of doordat Polen artikel 17 van de Dublinverordening had toegepast. De minister heeft hiermee naar het oordeel van de Afdeling geen concreet aanknopingspunt naar voren gebracht dat de verantwoordelijkheid in dit specifieke geval niet op 21 september 2024 van rechtswege is overgegaan van Polen naar Duitsland en dat Duitsland daarna niet meer verantwoordelijk zou zijn.
7.10. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag wanneer de termijn voor het indienen van een terugnameverzoek aanvangt, in deze zaak kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
7.11. De grief faalt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
992
BIJLAGE
Het arrest B., F. en K.
84. De toepassing van deze regel in een dergelijke situatie zou overigens niet in overeenstemming zijn met het doel van de termijnen van artikel 23, lid 2, van deze verordening, namelijk waarborgen dat de verzoekende lidstaat de terugnameprocedure inleidt binnen een redelijke termijn vanaf het tijdstip waarop hij over informatie beschikt die hem in staat stelt een terugnameverzoek bij een andere lidstaat in te dienen (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Hasan, C-360/16, EU:C:2018:35, punt 63).
Het arrest Hasan
62. Wat de berekening van die termijnen betreft, dient erop te worden gewezen dat die termijnen bedoeld zijn om een regeling voor de terugnameprocedure te treffen en op doorslaggevende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van het doel verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen door te waarborgen dat de terugnameprocedure wordt uitgevoerd zonder onnodige vertraging (zie naar analogie arresten van 26 juli 2017, Mengesteab, C-670/16, EU:C:2017:587, punten 53 en 54, en 25 oktober 2017, Shiri, C-201/16, EU:C:2017:805, punt 31).
63. Daarom dienen die termijnen te waarborgen dat de verzoekende lidstaat de terugnameprocedure inleidt binnen een redelijke termijn vanaf het tijdstip waarop hij over informatie beschikt die hem in staat stelt een terugnameverzoek tot een andere lidstaat te richten. Welke termijn in dat verband van toepassing is, hangt af van de aard van die informatie.
64. Bijgevolg kunnen die termijnen logischerwijze niet ingaan op een tijdstip waarop de verzoekende lidstaat niet over de informatie beschikte die hem in staat stelde de terugnameprocedure in te leiden.
65. Dit is in een situatie als in het hoofdgeding niet alleen het geval wanneer die lidstaat niet op de hoogte is van de gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is, maar, in een context waar personen de binnengrenzen in beginsel kunnen overschrijden zonder dat grenscontroles worden verricht, ook wanneer die lidstaat niet op de hoogte is van het feit dat de betrokken persoon zich op zijn grondgebied bevindt.
66. Zou worden aangenomen dat die termijnen ingaan op het tijdstip waarop de lidstaat in het kader van een eerste overname- of terugnameprocedure beschikte over informatie waaruit bleek dat een andere lidstaat verantwoordelijk was, dan zou daarenboven de doeltreffendheid van de procedures uit de Dublin III-verordening aanzienlijk worden beperkt en zouden voorts de betrokkenen ertoe kunnen worden aangezet na een eerste overdracht illegaal terug te keren naar het grondgebied van de verzoekende lidstaat, waardoor de toepassing van de beginselen en procedures van die verordening faalt (zie naar analogie arresten van 17 maart 2016, Mirza, C-695/15 PPU, EU:C:2016:188, punt 52, en 13 september 2017, Khir Amayry, C-60/16, EU:C:2017:675, punt 37).
67. In een situatie waarin de betrokkene na een eerste overdracht zonder verblijfstitel is teruggekeerd naar het grondgebied van de verzoekende lidstaat, zou een dergelijke uitlegging de termijn waarover die lidstaat beschikt om een terugnameverzoek te verzenden, namelijk aanzienlijk verkorten of zelfs uitsluiten dat een dergelijk verzoek wordt verzonden alvorens de betrokkene de gelegenheid is geboden om een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen, indien die persoon naar dat grondgebied is teruggekeerd meer dan twee of drie maanden na het tijdstip waarop die lidstaat, in het kader van de eerste overname- of terugnameprocedure beschikte over informatie waaruit bleek dat een andere lidstaat verantwoordelijk was.
68. Derhalve is de in artikel 24, lid 2, eerste alinea, van de
Dublin III-verordening bedoelde termijn, die slechts van toepassing is wanneer een lidstaat op het grondgebied waarvan een persoon zich zonder verblijfstitel ophoudt, besluit het Eurodac-systeem te raadplegen, relevant indien de verzoekende lidstaat heeft besloten dat te doen in het kader van de terugnameprocedure die is ingeleid nadat de betrokkene na een eerste overdracht naar zijn grondgebied is teruggekeerd, wat noodzakelijkerwijze veronderstelt dat die lidstaat weet dat de betrokkene zich op zijn grondgebied ophoudt.
69. Indien de betrokken lidstaat niet besluit het Eurodac-systeem te raadplegen is artikel 24, lid 2, tweede alinea, van die verordening van toepassing. In dat geval gaat de in die bepaling genoemde termijn pas in op het tijdstip waarop de verzoekende lidstaat verneemt dat de betrokkene zich op zijn grondgebied ophoudt en die lidstaat kennis heeft van de gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is.