BRS.25.000720
ECLI:NL:RVS:2026:2679
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 juni 2025 in zaak nr. NL25.10710 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de minister bepaald dat appellant wordt overgedragen aan Duitsland.
Bij uitspraak van 10 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2026, waar appellant, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, en de minister, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort, zijn verschenen.
De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. BRS.25.000567.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft asielverzoeken ingediend in Roemenië, Duitsland en Nederland. De minister heeft bepaald dat appellant aan Duitsland wordt overgedragen in het kader van de Dublinverordening, omdat Duitsland volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Het gaat in deze zaak uiteindelijk om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling is van oordeel dat Nederland, en dus de minister, daarvoor verantwoordelijk is. De Afdeling legt in deze uitspraak uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wat zijn de feiten en omstandigheden?
2. De minister heeft op 8 augustus 2024 een terugnameverzoek ingediend bij de Roemeense autoriteiten. Die autoriteiten hebben dat verzoek op 14 augustus 2024 geweigerd, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van het asielverzoek. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 19 augustus 2024 een terugnameverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten, maar die autoriteiten weigerden dat verzoek op 21 augustus 2024, omdat Roemenië volgens de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zou zijn. De overdrachtstermijn tussen Roemenië en Duitsland zou volgens de Duitse autoriteiten namelijk eindigen op 30 november 2024. Naar aanleiding van die weigering heeft de minister op 21 augustus 2024 aan de Roemeense autoriteiten verzocht om de eerdere weigering van 14 augustus 2024 te heroverwegen. De Roemeense autoriteiten hebben dat gedaan en het terugnameverzoek geaccepteerd op 27 augustus 2024.
3. Bij besluit van 13 december 2024 heeft de minister het asielverzoek van appellant vervolgens niet in behandeling genomen, omdat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is. Bij uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:559, is dat besluit in rechte vast komen te staan. De Roemeense autoriteiten hebben daarna uit zichzelf op 13 februari 2025 een bericht naar de minister gestuurd waarin staat dat de verantwoordelijkheid per 1 december 2024 is overgegaan op Duitsland. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 13 februari 2025 een terugnameverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten. Die autoriteiten hebben dat verzoek op 19 februari 2025 geaccepteerd.
Wat is tussen partijen in geschil?
4. In het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, B., F. en K., ECLI:EU:C:2023:4, onder punten 80 tot en met 85, heeft het Hof uitgelegd hoe lidstaten moeten handelen in dit soort situaties met meerdere asielverzoeken en lopende overdrachtstermijnen tussen andere lidstaten. Vergelijk in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2109, onder 4.3. In punt 84 van het arrest B., F. en K. verwijst het Hof naar punt 63 van het arrest van het Hof van 25 januari 2018, Hasan, ECLI:EU:C:2018:35. Uit die punten volgt voor deze zaak dat de minister binnen een redelijke termijn, vanaf het tijdstip waarop hij over informatie beschikte die hem in staat stelde een terugnameverzoek in te dienen, een terugnameverzoek moet indienen bij Duitsland. Als de minister dat niet doet, of niet op tijd, dan is Nederland verantwoordelijk geworden. De specifieke rechtsvraag in deze zaak is vanaf welk tijdstip de minister beschikte over informatie die hem in staat stelde om een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland. Dit tijdstip, en aldus de aanvang van de termijn om een terugnameverzoek in te dienen, staat tussen partijen ter discussie.
4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de termijn om een terugnameverzoek bij de Duitse autoriteiten in te dienen is aangevangen op 13 februari 2025, het moment dat de Roemeense autoriteiten aan de minister te kennen hebben gegeven dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van appellant op Duitsland is overgegaan. Appellant stelt zich op het standpunt dat de termijn is aangevangen op 1 december 2024, te weten het moment dat Duitsland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van appellant.
Arrest Hasan
5. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2668, onder 7.2 tot en met 7.6, heeft de Afdeling overwogen dat in de punten 63 tot en met 65 van het arrest Hasan het Hof het algemene uitgangspunt heeft weergegeven over de aanvang van de termijn om een terugnameverzoek in te dienen. De Afdeling leidt uit de punten 63 tot en met 69 van het arrest Hasan niet af dat een lidstaat een terugnameverzoek pas kan indienen, als blijkt dat de verantwoordelijkheid tussen twee andere lidstaten daadwerkelijk is verschoven. In punt 63 van het arrest staat alleen dat de lidstaat moet beschikken over informatie die hem in staat stelt om een terugnameverzoek in te dienen. Het kan in dat kader onder meer gaan om gegevens waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is of zal worden. Daaruit volgt niet dat de verzoekende lidstaat in elk geval pas in staat is om een terugnameverzoek in te dienen, als hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat een andere lidstaat op dat moment daadwerkelijk al verantwoordelijk is geworden. Deze uitleg is in lijn met het doel van de Dublinverordening om asielverzoeken snel te behandelen door te waarborgen dat de terugnameprocedure zonder onnodige vertraging wordt uitgevoerd.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft overwogen dat de minister pas bij het bericht van Roemenië op 13 februari 2025 beschikte over feitelijke informatie die hem in staat stelde om een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland. Het gaat volgens de rechtbank niet om informatie waarover de minister redelijkerwijs had kunnen beschikken. De informatie uit de eerdere afwijzing van de Duitse autoriteiten van 21 augustus 2024 valt niet onder feitelijke informatie. Daarbij heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid afhankelijk is van meerdere factoren zoals het toepassen van artikel 17 van de Dublinverordening. Dit is bij uitstek een omstandigheid waarvan de minister door de lidstaten op de hoogte moet worden gesteld en die hij zelf niet kan achterhalen, aldus de rechtbank.
Het oordeel van de Afdeling over de grieven van appellant
7. Appellant klaagt in zijn grieven terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister pas bij het bericht van de Roemeense autoriteiten op 13 februari 2025 beschikte over informatie die hem in staat stelde om een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland.
7.1. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen over het arrest Hasan, betoogt appellant terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet is vereist dat het altijd moet gaan om informatie waarin vaststaat dat een bepaalde lidstaat daadwerkelijk verantwoordelijk is op dat moment. Appellant betoogt daarbij terecht dat de minister in het individuele geval van appellant wel over informatie beschikte die hem in staat stelde om vanaf 1 december 2024 een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland. In de afwijzing van de Duitse autoriteiten van 21 augustus 2024 staat namelijk duidelijk dat de overdrachtstermijn met Roemenië zou eindigen op 30 november 2024. Dit betekent dat Duitsland daarna, op 1 december 2024, van rechtswege verantwoordelijk zou worden voor de behandeling van het asielverzoek. Dit was voor de minister dan ook relevante informatie om vanaf 1 december 2024 een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland.
7.2. Daarnaast wijst appellant er terecht op dat de Roemeense autoriteiten bij het accepteren van het terugnameverzoek op 27 augustus 2024 de informatie van de Duitse autoriteiten hebben bevestigd op basis waarvan de overdrachtstermijn zou eindigen op 30 november 2024. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
7.3. De rechtbank heeft erop gewezen dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid afhankelijk is van meerdere factoren zoals het toepassen van artikel 17 van de Dublinverordening waar lidstaten niet van op de hoogte kunnen zijn. Appellant betoogt hierover terecht dat de minister geen concreet aanknopingspunt naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat de verantwoordelijkheid in dit specifieke geval niet op 1 december 2024 van rechtswege is overgegaan van Roemenië naar Duitsland. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat de minister niet heeft bestreden dat appellant vanaf 6 juli 2024 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. De Duitse en de Roemeense autoriteiten waren daarvan op de hoogte. Ook daarom is er geen concreet aanknopingspunt dat Roemenië of Duitsland de behandeling van de asielverzoek aan zich zouden trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
7.4. Appellant heeft dan ook terecht betoogd dat de termijn om een terugnameverzoek in te dienen bij Duitsland was aangevangen op 1 december 2024. De minister is in deze procedure uitgegaan van een claimtermijn van twee maanden en gerekend vanaf 1 december 2024, heeft hij het terugnameverzoek van 13 februari 2025 te laat ingediend bij Duitsland. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek.
7.5. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag over wanneer de termijn voor het indienen van een terugnameverzoek aanvangt, in deze zaak kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
7.6. De grieven slagen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 februari 2025. De minister moet de asielaanvraag van appellant in behandeling nemen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 juni 2025 in zaak nr. NL25.10710;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 26 februari 2025, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
992