202203935/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de streekarchivaris van het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juni 2022 in zaak nr. 20/5287 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de streekarchivaris.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2020 heeft de streekarchivaris het verzoek van [wederpartij] om inzage in de documenten van de gemeentelijke raadsenquêtecommissie afgewezen.
Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft de streekarchivaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 juni 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 augustus 2020 vernietigd en de streekarchivaris opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de streekarchivaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de streekarchivaris de voorzieningenrechter van de Afdeling gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 24 augustus 2022 in zaak nr. 202203935/3/A3 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de streekarchivaris niet opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te beslissen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Bij besluit van 13 juni 2023, op 29 juni 2023 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2023, nr. 287978, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar een herbeoordeling gemaakt van de openbaarheidsbeperkingen op de archiefbescheiden van de raadsenquêtecommissie.
[wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 13 juni 2023.
De streekarchivaris heeft een zienswijze gegeven.
Bij brief van 24 april 2025 heeft [wederpartij] verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 juni 2025 behandeld, waar de streekarchivaris, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam en mr. M.H.P. Bullens, advocaten te Nijmegen, en [wederpartij], zijn verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nrs. 202300318/1/A3, 202300320/1/A3, 202400970/1/A3 en 202400981/1/A3. Tijdens de zitting waren daarom ook het college en de raad van de gemeente Zevenaar, ook vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam en mr. M.H.P. Bullens, advocaten te Nijmegen, en E.J.M. Sloot-Vet, E.B. Maris en drs. R. Dragt, aanwezig, evenals [persoon A] en [persoon B], beiden partij in deze procedures.
Overwegingen
Inleiding
1. De raad heeft in 2016 besloten om een enquêtecommissie in te stellen om onderzoek te doen naar het P&O-beleid van de gemeente Zevenaar in de periode 1 juni 2002 tot 31 december 2015. Na het uitbrengen van het eindrapport van 12 juni 2017 heeft de enquêtecommissie op 25 oktober 2017 besloten tot het opleggen van beperkingen aan de openbaarheid over alles wat aan haar digitaal of analoog ter beschikking is gesteld (de raadsenquêtedocumenten) en tot het overbrengen van de desbetreffende documenten naar het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg (het streekarchief) voor de duur van 75 jaar. [wederpartij] heeft de streekarchivaris vervolgens verzocht om inzage in alle niet vernietigde raadsenquêtedocumenten en de bijbehorende inventarislijsten.
Samenhang met andere zaken
2. Deze procedure hangt samen met zaak nrs. 202300318/1/A3, 202300320/1/A3, 202400970/1/A3 en 202400981/1/A3, waarin de Afdeling vandaag ook uitspraak heeft gedaan. Dit zijn zaken van oud-ambtenaren [persoon A] en [persoon B] die zijn opgekomen tegen de besluitvorming over de openbaarheidsbeperkingen aan de raadsenquêtedocumenten en de overbrenging van de desbetreffende documenten naar het streekarchief. De Afdeling heeft deze zaken daarom samen op een zitting behandeld. De uitspraken van de Afdeling van vandaag in zaak nr. 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692) en 202400981/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2693) hebben ook gevolgen voor het inzageverzoek van [wederpartij] dat in deze procedure voorligt. De Afdeling komt daar onder 15 en 16, in de conclusie over het in deze procedure voorliggende hoger beroep, op terug.
Relevante wet- en regelgeving
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. De wet- en regelgeving waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen hanteert verschillende definities voor de begrippen ‘informatie’, ‘documenten’, ‘archiefbescheiden’, et cetera. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak is ervoor gekozen om zo veel mogelijk de algemene term ‘document’ aan te houden.
Wat heeft de streekarchivaris besloten?
4. De streekarchivaris heeft het inzageverzoek van [wederpartij] met het besluit van 9 april 2020 afgewezen. De streekarchivaris heeft aan [wederpartij] laten weten dat er bij overbrenging van de raadsenquêtedocumenten naar het streekarchief beperkingen zijn gesteld aan de openbaarheid. In dit geval geldt er gelet op het besluit van 25 oktober 2017 een beperking van de openbaarheid van 75 jaar na de datum van overbrenging. De streekarchivaris heeft erop gewezen dat hij overeenkomstig artikel 17 van de Archiefwet 1995 de in het streekarchief berustende archiefbescheiden alleen aan een verzoeker ter raadpleging beschikbaar stelt met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen. Aangezien er volgens de streekarchivaris in het geval van [wederpartij] geen rechtstreeks of bijzonder persoonlijk belang is bij inzage in de raadsenquêtedocumenten, welk belang zich zou onderscheiden van de belangen van anderen, is er geen wettelijke grond om [wederpartij] met voorbijgaan aan de opgelegde beperking inzage te geven. Wel is het volgens de streekarchivaris mogelijk om de bij het archief behorende inventarislijst in te zien.
5. [wederpartij] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Kort samengevat heeft hij aangevoerd dat de openbaarheidsbeperking die met het besluit van 25 oktober 2017 aan de raadsenquêtedocumenten is opgelegd niet rechtsgeldig is omdat er geen sprake is van een deugdelijke motivering daarvan en het openbaarheidsbeperkingenbesluit niet is gepubliceerd. De streekarchivaris heeft het bezwaar met een wijziging van de motivering ongegrond verklaard en zijn besluit van 9 april 2020 voor het overige gehandhaafd. De streekarchivaris heeft er daarbij op gewezen dat bij besluit van 25 oktober 2017 beperkingen aan de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten zijn gesteld en dat de afwijzing daarop is gebaseerd. Dat besluit was op 9 april 2020 nog niet bekendgemaakt, maar dat is op 12 augustus 2020 (Gemeenteblad 2020, nr. 206781) alsnog gebeurd. In de heroverweging in bezwaar kan de streekarchivaris dit feit meenemen in de beoordeling. Verder heeft [wederpartij] niet duidelijk gemaakt waarom de besluitvorming niet deugdelijk is gemotiveerd, aldus de streekarchivaris.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
6. De rechtbank is de streekarchivaris niet gevolgd in zijn stelling dat [wederpartij] geen belanghebbende is bij het besluit op het verzoek om inzage, omdat hij zich niet (in voldoende mate) onderscheidt van anderen die inzage in de raadsenquêtedocumenten zouden kunnen vragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 14 van de Archiefwet 1995 een ieder de bevoegdheid toekent om archiefbescheiden te raadplegen. Degene die een dergelijk verzoek doet, is daarom belanghebbende bij zo’n besluit.
6.1. De rechtbank heeft daarnaast - kort samengevat - geoordeeld dat het besluit van 25 oktober 2017 van de enquêtecommissie onbevoegd genomen is. Volgens de rechtbank is namelijk alleen het college op grond van artikel 15, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bevoegd tot het nemen van een dergelijk besluit. Dat betekent dat er ten tijde van het besluit op bezwaar van 31 augustus 2020 geen sprake was van een rechtsgeldig besluit tot beperking van de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995. Er was op dat moment dus geen beperking van de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten.
6.2. De rechtbank heeft het door [wederpartij] ingestelde beroep daarom gegrond verklaard en de streekarchivaris opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Waarom is de streekarchivaris het niet met de rechtbank eens?
7. De streekarchivaris is het met beide oordelen van de rechtbank niet eens.
7.1. Volgens de streekarchivaris heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [wederpartij] belanghebbende is bij zijn verzoek om inzage. Alleen in de Wet open overheid (de Woo) staat dat eenieder recht heeft op toegang tot publieke informatie zonder dat diegene daarbij een belang hoeft te stellen. Zo’n bepaling staat niet in de Archiefwet 1995. Dat betekent dat de algemene uitgangspunten uit de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) gelden en dat een aanvraag op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb alleen gedaan kan worden door een belanghebbende. Volgens de streekarchivaris is [wederpartij] niet aan te merken als belanghebbende.
7.2. Verder betoogt de streekarchivaris dat niet alleen het college bevoegd is om beperkingen aan de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten te stellen, maar ook de enquêtecommissie. De rechtbank heeft dat volgens hem niet onderkend. De streekarchivaris verwijst daarvoor naar artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995. Daarin is vastgelegd dat de zorgdrager bij overbrenging van archiefbescheiden beperkingen kan stellen aan de openbaarheid. De zorgdrager is op gemeentelijk niveau het college. De rechtbank leidt daaruit af dat het college bij uitsluiting bevoegd is om openbaarheidsbeperkingen te stellen. Dat volgt volgens de streekarchivaris echter niet uit de tekst van het artikel en ook niet uit de parlementaire totstandkomingsgeschiedenis. Een andere uitleg zou er daarnaast toe leiden dat gehandeld wordt in strijd met de Gemeentewet. Op grond van de Gemeentewet kan de enquêtecommissie immers geheimhouding op de raadsenquêtedocumenten opleggen. Het gevolg van de uitspraak van de rechtbank is dat het college bij overbrenging van de raadsenquêtedocumenten naar het streekarchief de door de enquêtecommissie opgelegde geheimhouding kan ‘doorhalen’ door de raadsenquêtedocumenten naar het streekarchief over te brengen zonder daaraan openbaarheidsbeperkingen te stellen. Dat kan niet de bedoeling zijn, aldus de streekarchivaris.
Beoordeling van het hoger beroep
Moet [wederpartij] aangemerkt worden als belanghebbende?
8. De Afdeling komt net als de rechtbank tot het oordeel dat iedereen op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 een verzoek tot inzage kan doen en dat diegene, die een dergelijk verzoek doet, daarmee belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is. Dat betekent dat [wederpartij] belanghebbende is bij zijn verzoek om inzage. De streekarchivaris heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dat niet zo is. De Afdeling licht dit als volgt toe.
8.1. Artikel 14 van de Archiefwet 1995 luidt: "De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17, openbaar. Ieder is, behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken." Het artikel bepaalt dus dat de archiefbescheiden in beginsel openbaar zijn én dat ieder bevoegd is om deze in te zien.
8.2. De formulering van artikel 14 van de Archiefwet 1995 sluit aan bij de formulering en systematiek van de Wet openbaarheid van bestuur, tegenwoordig de Woo. Artikel 1.1 van de Woo luidt immers: "Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen." Weliswaar ontbreekt in artikel 14 van de Archiefwet 1995 de zinsnede dat degene die om inzage verzoekt ‘daartoe geen belang hoeft te stellen’, maar de Afdeling heeft geen aanknopingspunten dat de wetgever bij de Archiefwet 1995 een andere systematiek voor ogen heeft gehad dan bij de Woo of zijn voorganger.
8.3. De werking van de Woo en Archiefwet 1995 bij respectievelijk verzoeken om openbaarmaking en raadpleging sluiten elkaar uit: de Woo is van toepassing op documenten zolang deze niet naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Na de overbrenging naar een archiefbewaarplaats is de Archiefwet 1995 van toepassing. Zowel de Archiefwet 1995 als Woo beogen vanuit een verschillend perspectief de openbaarheid van overheidsdocumenten te verzekeren en bepalen daarom - kort samengevat - dat documenten openbaar zijn, tenzij een uitzondering van toepassing is. De Afdeling verwijst daarbij naar de memorie van toelichting bij de Archiefwet 1995 (Kamerstukken II 1992/93, 22 866, nr. 3, blz. 7):
"Zoals in de memorie van toelichting op de met ingang van 1 mei 1992 in werking getreden Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703) is gesteld, dient de Archiefwet een nog grotere mate van openbaarheid van overheidsdocumenten te verzekeren dan aanwezig is in de fase waarin de stukken nog betrekking hebben op het actuele doen en laten van de overheid."
De wetgever heeft voor documenten van overheidsorganen die naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht dus een grotere mate van openbaarheid beoogd dan voor (informatie in) documenten die daarnaar niet zijn overgebracht en onder de werking van de Woo vallen. Het bij een inzageverzoek op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 tegenwerpen dat de betrokken verzoeker geen belanghebbende is, verhoudt zich daarmee niet. Op die manier wordt de openbaarheid immers beperkt tot een kleinere kring van personen.
8.4. De streekarchivaris heeft ter onderbouwing van zijn betoog nog verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:928), onder 2.4, en van de rechtbank Den Haag van 9 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:15524), onder 4. Deze uitspraken gaan over beperkingenbesluiten. In die uitspraken wordt beoordeeld of degene die opkomt tegen een besluit tot beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden belanghebbende is. Volgens de streekarchivaris kan uit deze uitspraken afgeleid worden dat bij de toepassing van de Archiefwet 1995 ook het vereiste geldt dat iemand belanghebbende moet zijn en dat dit vereiste dus ook geldt bij een besluit op een verzoek om inzage op grond van artikel 14 van die wet. Gelet op wat hiervoor onder 8.1 tot en met 8.3 over een besluit op een inzageverzoek is overwogen, komt aan dit betoog niet de betekenis toe die de streekarchivaris daaraan hecht.
Het betoog slaagt niet.
Wie is bevoegd om beperkingen aan de openbaarheid te stellen?
9. De Afdeling komt net als de rechtbank tot het oordeel dat alleen het college bevoegd is om bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden te stellen. Het betoog van de streekarchivaris dat ook de enquêtecommissie dergelijke beperkingen kan stellen, zoals is gebeurd met het besluit van 25 oktober 2017, volgt de Afdeling niet. Dat betekent dat er ten tijde van het besluit van 31 augustus 2020 geen sprake was van een rechtsgeldig besluit tot beperking van de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995. Er gold op dat moment met andere woorden dus geen beperking van de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten. De Afdeling licht dit als volgt toe.
9.1. Artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bepaalt - kort samengevat - dat de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, bij overbrenging van archiefbescheiden slechts beperkingen aan de openbaarheid kan stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op de in dat artikel genoemde belangen. De zorgdrager is gelet op artikel 30, eerste lid, van de Archiefwet 1995 het college. Dat artikel bepaalt immers dat overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening ‘burgemeester en wethouders’ zorgdragen voor de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Archiefwet 1995 geen andere bestuursorganen als zorgdrager aanwijst. De Archiefwet 1995 is op dit punt duidelijk.
9.2. De streekarchivaris heeft gewezen op artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995 en stelt dat dat artikel onderstreept dat niet alleen de zorgdrager archiefbescheiden kan overbrengen en daaraan beperkingen kan stellen. Dat artikel luidt:
"De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, kan, gehoord degene op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht, de ingevolge het eerste of het tweede lid aan de openbaarheid gestelde beperkingen opheffen, dan wel ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing laten, indien het belang van de gestelde beperking niet opweegt tegen diens belang tot raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden."
Als er geen ander orgaan dan de zorgdrager is die de archiefbescheiden naar het streekarchief kan overbrengen en openbaarheidsbeperkingen daaraan kan stellen, dan valt volgens de streekarchivaris niet in te zien waarom de Archiefwet 1995 regelt dat de zorgdrager ‘degene op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht’ moet horen voordat hij tot het opheffen van openbaarheidsbeperkingen kan overgaan. Het college zou dan immers zichzelf moeten horen, aldus de streekarchivaris. De Afdeling volgt die uitleg niet. ‘Op wiens last’ betekent dat diegene - dus degene die verzoekt om archiefbescheiden over te brengen - de archiefbescheiden niet zelf naar het - in dit geval - streekarchief kan overbrengen. Het overbrengen is gelet op artikel 15, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30 van de Archiefwet 1995 immers een bevoegdheid die het college als zorgdrager toekomt. Dat betekent dat de enquêtecommissie of de raad (als opvolger van de enquêtecommissie) het college als zorgdrager had moeten verzoeken om de raadsenquêtedocumenten op grond van artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 vervroegd naar het streekarchief over te brengen en daarbij op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 beperkingen aan de openbaarheid te stellen. Het is vervolgens het college die de enquêtecommissie (of raad) moet horen op het moment dat het college wil overgaan tot het opheffen van de openbaarheidsbeperkingen die bij de overbrenging zijn opgelegd, omdat de raadsenquêtedocumenten op last van de enquêtecommissie (of de raad) door het college naar het streekarchief overgebracht moeten worden.
9.3. De verwijzing van de streekarchivaris naar de uitspraken van de Afdeling van 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2476, en 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4453, die gaan over de archivering op landelijk niveau, leidt niet tot een ander oordeel. Op landelijk niveau is de archivering van documenten namelijk anders geregeld. Artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bepaalt dat onder andere de Tweede Kamer der Staten-Generaal en elke minister voor zich zorg draagt voor hun archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats. De Tweede Kamer en elke minister kan dus zijn eigen archiefbescheiden overdragen naar het rijksarchief en daarbij ook beperkingen aan de openbaarheid stellen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995. Deze mogelijkheid heeft de Tweede Kamer dus ook als het gaat om stukken van een parlementaire enquêtecommissie. Op het moment dat de archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaats zijn overgebracht en daar berusten, is het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die zorgdraagt voor de archiefbescheiden. Dat staat in het derde lid van artikel 23 van de Archiefwet 1995. Op landelijk niveau zijn er dus meerdere zorgdragers en is er een onderscheid tussen wie de zorgdrager is voordat en nadat de archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaats zijn overgebracht. Dit onderscheid wordt in hoofdstuk V van de Archiefwet 1995 voor archiefbescheiden van gemeenten niet gemaakt. Dat betekent dat er op gemeentelijk niveau maar één zorgdrager is die beperkingen aan de openbaarheid kan stellen.
9.4. Voor zover de streekarchivaris betoogt dat de hiervoor gegeven uitleg in strijd is met wat de Gemeentewet regelt over de geheimhouding van documenten, is het volgende van belang.
9.5. De enquêtecommissie is op grond van artikel 155a, vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 87 van de Gemeentewet bevoegd om een verplichting tot geheimhouding van documenten op te leggen. Artikel 87 van de Gemeentewet bepaalt dat een enquêtecommissie op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo, een verplichting tot geheimhouding kan opleggen ‘ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust’. Zoals volgt uit artikel 8.8 van de Woo en de bijlage bij de Woo gaat de geheimhouding die is opgelegd op grond van de Gemeentewet voor op de Woo. De Archiefwet 1995 kent een dergelijke bepaling niet. Op grond van artikel 89, derde lid, van de Gemeentewet duurt de verplichting tot geheimhouding voort totdat de enquêtecommissie haar opheft. Als de enquêtecommissie - zoals in dit geval - niet meer bestaat, kan die verplichting door de raad worden opgeheven. Gelet op deze bepaling is het in beginsel duidelijk in welk geval de geheimhouding wordt opgeheven.
9.6. Een redelijke uitleg van de Gemeentewet en Archiefwet 1995 leidt er naar het oordeel van de Afdeling echter toe dat de geheimhouding op grond van de Gemeentewet ook wordt opgeheven op het moment dat de desbetreffende documenten naar een archiefbewaarplaats worden overgebracht. Er moet namelijk een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds een geheimhouding die op grond van de Gemeentewet op documenten wordt gelegd op het moment dat deze documenten bij het bestuursorgaan berusten, en anderzijds, nadat deze documenten naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht, gestelde beperkingen aan de openbaarheid van documenten uit hoofde van de Archiefwet 1995.
9.7. Vanaf het moment van overbrenging geldt wat betreft de openbaarheid van die documenten hetgeen in het bijzonder de artikelen 14 en 15 van de Archiefwet 1995 daarover bepalen. Daarbij is van belang dat overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van de Archiefwet 1995 de overbrenging van archiefbescheiden naar de archiefbewaarplaats gebeurt door de zorgdrager en dat het de zorgdrager is die op grond van artikel 15 van de Archiefwet 1995 bij de overbrenging beperkingen aan de openbaarheid kan stellen voor een bepaalde duur. In het geval de geheimhouding die op grond van de Gemeentewet is opgelegd, zou blijven gelden, doorkruist dat wat in de Archiefwet 1995 is geregeld. In artikel 14 van de Archiefwet 1995 staat immers dat de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar zijn, behoudens het bepaalde in artikel 15, 16 en 17. De openbaarheid van de archiefbescheiden wordt overeenkomstig de Archiefwet 1995 dus niet beperkt door eerder opgelegde geheimhouding onder de Gemeentewet. In artikel 17 van de Archiefwet 1995 staat dat de beheerder van de archiefbewaarplaats de daar berustende archiefbescheiden aan een verzoeker daarom ter raadpleging of gebruik beschikbaar stelt met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen. De aan de openbaarheid gestelde beperkingen moeten op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 daarnaast aan een bepaalde termijn gebonden zijn. Daarmee verhoudt zich niet dat documenten op grond van de Gemeentewet geheim blijven totdat deze geheimhouding wordt opgeheven, dus ook nadat de documenten zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Dat de Gemeentewet op grond van artikel 8.8 van de Woo voorrang heeft op de Woo, maar niet op de Archiefwet 1995, komt naar het oordeel van de Afdeling door de omstandigheid dat als documenten zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, die documenten niet meer onder het desbetreffende bestuursorgaan berusten, zoals is vereist voor toepassing van de Woo en de Gemeentewet, maar onder de werking van de Archiefwet 1995 vallen.
9.8. De Afdeling vindt voor deze uitleg ook aanknopingspunten in de wijze waarop het parlementair enquêterecht op landelijk niveau is geregeld. Zij verwijst daarvoor naar artikel 40, eerste lid, van de Wet op de parlementaire enquête 2008 en de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstukken II 2005/06, 30 415, nr. 3, blz. 58, 59, 60 en 83). Artikel 40, eerste lid, luidt:
"De commissie kan voor de periode na de dag waarop zij haar rapport aanbiedt aan de Kamer beperkingen stellen aan de openbaarheid van documenten die onder de commissie berusten of, nadat deze documenten op grond van artikel 35 zijn overgegaan op de Kamer, hebben berust. Deze beperkingen gelden zolang de documenten onder de commissie onderscheidenlijk de Kamer berusten."
In de memorie van toelichting staat verder:
"De door de enquêtecommissie gestelde beperkingen aan de openbaarheid gelden op grond van dit wetsvoorstel tot het moment waarop de documenten naar het Nationaal Archief worden overgebracht, dan wel worden vernietigd. (…) Voor de periode daarna kunnen op grond van de Archiefwet 1995 opnieuw beperkingen aan de openbaarheid worden gesteld."
9.9. Anders dan de streekarchivaris betoogt, is het oordeel dat alleen het college bevoegd is om bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden te stellen, dus niet in strijd met wat de Gemeentewet regelt over de geheimhouding van documenten. De enquêtecommissie had er overigens ook voor kunnen kiezen om de raadsenquêtedocumenten niet vervroegd over te brengen, zodat de geheimhouding op grond van de Gemeentewet zou zijn blijven gelden.
9.10. De Afdeling merkt terzijde nog op dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.2 heeft overwogen dat artikel 18, tweede en derde lid, van de Enquêteverordening gemeente Zevenaar 2014 in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995. Dat is niet juist. Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de raad bij verordening nadere regels met betrekking tot een enquête stelt. De raad heeft dat gedaan in de Enquêteverordening gemeente Zevenaar 2014. Artikel 18 van die verordening bepaalt kort samengevat hoe de archiefbescheiden van de enquêtecommissie bewaard moeten worden en eventueel of deze geheim zijn. Zoals hiervoor onder 9.6 overwogen, geldt de eventueel opgelegde geheimhouding tot aan het moment van overbrenging en moet bij overbrenging op grond van artikel 15 van de Archiefwet 1995 bepaald worden of er openbaarheidsbeperkingen worden opgelegd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is artikel 18 van de Enquêteverordening gemeente Zevenaar 2014 daarom niet in strijd met artikel 15 van de Archiefwet 1995.
9.11. De streekarchivaris heeft er tenslotte op gewezen dat het college de door de enquêtecommissie op grond van artikel 87 van de Gemeentewet opgelegde geheimhouding teniet zou kunnen doen bij overbrenging van de archiefbescheiden naar het streekarchief. Dat is volgens hem niet wenselijk. Gelet op wat hiervoor is overwogen, volgt uit de systematiek van de Gemeentewet en de Archiefwet 1995 echter dat deze situatie zich voor kan doen. Voor zover de wetgever dat geen wenselijke situatie vindt, is het aan hem om de Archiefwet 1995 aan te passen. De Afdeling komt hier onder 10 tot en met 13 op terug.
Het betoog slaagt niet.
Terugkoppeling aan de wetgever
10. Zoals hiervoor onder 9 tot en met 9.11 is overwogen, is het aan het college om bij overbrenging van de raadsenquêtedocumenten naar een archiefbewaarplaats al dan niet openbaarheidsbeperkingen op te leggen. De streekarchivaris heeft tijdens de zitting bij de Afdeling toegelicht dat dit geen wenselijke situatie is, omdat het college in dat geval gaat over het opleggen van openbaarheidsbeperkingen op de archiefbescheiden die gaan over de enquête die is uitgevoerd naar het personeelsbeleid van het college zelf. De Afdeling onderschrijft het standpunt van de streekarchivaris dat dit geen wenselijke situatie is vanwege de staatsrechtelijke verhoudingen tussen raad en college. Dit volgt echter uit de Archiefwet 1995. De wetgever lijkt geen rekening te hebben gehouden met deze situatie.
11. De Afdeling stelt vast dat een vergelijkbare situatie zich op landelijk niveau niet kan voordoen. Artikel 23 van de Archiefwet 1995 bepaalt namelijk dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal als zorgdrager voor haar archiefbescheiden openbaarheidsbeperkingen op de archiefbescheiden van een - door haar op grond van de Wet parlementaire enquête 2008 ingestelde - enquêtecommissie kan leggen. De Afdeling verwijst hiervoor naar artikel 35, 39 en 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 en de memorie van toelichting daarbij (Kamerstukken II 2005/06, 30 415, nr. 3, blz. 58, 59 en 83). Op landelijk niveau heeft de wetgever het dus anders geregeld.
12. Het is aan de wetgever om een regeling te treffen voor de onwenselijke situatie die zich kan voordoen ten aanzien van de archiefbescheiden van een gemeentelijke enquêtecommissie. Daarbij merkt de Afdeling op dat dit niet alleen geldt voor archiefbescheiden van een gemeentelijke enquêtecommissie, maar - zoals onder 9.6 overwogen - ook voor documenten waarop op grond van artikel 87 van de Gemeentewet om andere redenen geheimhouding rust die is opgelegd door een ander bestuursorgaan dan het college. Voor die documenten geldt immers ook dat het college als zorgdrager op grond van de Archiefwet 1995 een besluit moet nemen over de openbaarheid ervan op het moment dat die documenten worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats, ook als een ander bestuursorgaan op grond van artikel 87 van de Gemeentewet een verplichting tot geheimhouding ten aanzien van die documenten heeft opgelegd.
13. Totdat de wetgever een regeling heeft getroffen, ligt het op de weg van het college om als volgt te handelen, zoals het college in dit geval ook heeft gedaan. Als het college op grond van artikel 15 van de Archiefwet 1995 documenten naar een archiefbewaarplaats overbrengt waarop op grond van de Gemeentewet nog geheimhouding rust, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich dat het college het bestuursorgaan raadpleegt dat de verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd. Dat bestuursorgaan kan dan zijn zienswijze geven op het al dan niet onder beperkingen van de openbaarheid overbrengen van de desbetreffende documenten naar de archiefbewaarplaats. Aan de gegeven zienswijze komt dan een zwaar gewicht toe.
Conclusie over het hoger beroep
14. Het hoger beroep van de streekarchivaris is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
15. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 augustus 2022 in zaak nr. 202203935/3/A3 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de streekarchivaris niet opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te beslissen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De streekarchivaris heeft daarom nog geen besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen. Gelet op de ongegrondverklaring van het hoger beroep en daarmee de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, dient de streekarchivaris nu alsnog een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
16. Voor het nieuw te nemen besluit is van belang dat het door de enquêtecommissie onbevoegd genomen besluit van 25 oktober 2017 door het college bij besluit van 5 juli 2022 bekrachtigd is. Het college heeft daarna - naar aanleiding van procedures die zijn gevoerd - uiteindelijk op 13 juni 2023 een nieuw besluit genomen over de openbaarheidsbeperkingen van de raadsenquêtedocumenten. De Afdeling heeft in haar uitspraken van vandaag in zaak nr. 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692) en 202400981/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2693), evenals in deze uitspraak (zie hierna onder 18 tot en met 27), uitspraak gedaan over de tegen het besluit van 13 juni 2023 ingestelde beroepen en die beroepen ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit van 13 juni 2023 onherroepelijk. Dat betekent dat de streekarchivaris bij het op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 nieuw te nemen besluit de openbaarheidsbeperkingen die met het besluit van 13 juni 2023 zijn opgelegd in acht moet nemen.
17. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Besluit van 13 juni 2023 van het college
18. Als de streekarchivaris een besluit neemt op een verzoek om inzage in archiefbescheiden, moet hij ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995 de aan de openbaarheid gestelde beperkingen in acht nemen. Deze bepaling biedt de streekarchivaris geen ruimte voor het maken van een belangenafweging. Deze ruimte heeft het college wel als zorgdrager, gehoord de raad (als opvolger van de enquêtecommissie) op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht. Het college kan op grond van artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995 de aan de openbaarheid gestelde beperkingen opheffen dan wel ten aanzien van de verzoeker buiten toepassing laten. In zoverre moet een verzoek om inzage waarbij om toepassing van deze bevoegdheid wordt gevraagd, worden opgevat als een verzoek om het opheffen of buiten toepassing laten van aan de openbaarheid gestelde beperkingen door het college. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4453), onder 13. Aangezien een ander bestuursorgaan dan de streekarchivaris hiertoe bevoegd is, heeft de streekarchivaris het verzoek van [wederpartij] doorgestuurd naar het college. Het college heeft daar met het besluit van 13 juni 2023 op beslist.
19. Het college heeft met het besluit van 13 juni 2023 besloten tot het gedeeltelijk opheffen van de bij besluit van 25 oktober 2017 van de enquêtecommissie opgelegde openbaarheidsbeperkingen. Het college heeft besloten om (citaat):
- "de beslissing tot het vervroegd overbrengen van de archiefbescheiden door de enquêtecommissie, voor zover vereist, te bekrachtigen, behoudens voor zover het gaat om de archiefbescheiden die op de inventarislijst met kenmerk Z/20/378967/INT/23/1158249 zijn aangeduid als ‘te vernietigen’;
- de Streekarchivaris op te dragen om de archiefbescheiden die op de inventarislijst met kenmerk Z/20/378967/INT/23/1158249 zijn aangeduid als ‘te vernietigen’ te vernietigen als het besluit daartoe onherroepelijk is geworden;
- de opgelegde openbaarheidsbeperkingen op te heffen voor de archiefbescheiden die op de inventarislijst met kenmerk Z/20/378967/INT/23/1158249 zijn aangeduid als ‘gedeeltelijk opheffen openbaarheidsbeperkingen’, met dien verstande dat:
o de Streekarchivaris bij een inzageverzoek de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht neemt, en dus alleen inzage geeft in de betreffende archiefbescheiden onder de (openbaarheids)beperking dat persoonsgegevens en/of gegevens die naar personen herleidbaar zijn worden gepseudonimiseerd (wat hier betekent: weggelakt) (grondslag: bescherming persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 15, eerste lid en onder a, van de Archiefwet in verbinding met artikel 89 van de AVG);
o een en ander voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel dat met het bewaren van archiefbescheiden in het algemeen belang gediend wordt;
- de opgelegde openbaarheidsbeperkingen voor het overige in stand te laten c.q. te bekrachtigen, voor zover dat ondanks het bekrachtigingsbesluit van 5 juli 2022 nog vereist zou zijn (grondslag: artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet);
- te verduidelijken dat waar in het besluit van de enquêtecommissie staat ‘staat 16 mei 2012’ bedoeld is ’31 oktober 2017’ (de datum van overbrenging)."
20. In het belang van efficiënte geschilbeslechting zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 13 juni 2023 beoordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:984), onder 9.2 en 9.3.
Waarom is [wederpartij] het niet met het besluit van 13 juni 2023 eens?
21. [wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 13 juni 2023. Hij betoogt allereerst dat de beoordeling in dat besluit niet beperkt had mogen blijven tot de analoge documenten. De digitale documenten zijn ten onrechte buiten beeld gebleven en het is onduidelijk wat met deze documenten is gebeurd.
Ten tweede betoogt [wederpartij] dat na overbrenging niet alsnog beperkingen aan de openbaarheid gesteld mogen worden, tenzij zich na het tijdstip van overbrenging omstandigheden hebben voorgedaan die, waren zij op dat tijdstip bekend geweest, tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid zouden hebben geleid. Dergelijke omstandigheden hebben zich niet voorgedaan. Daarbij komt dat de in het streekarchief aanwezige documenten niet mogen worden vernietigd, zoals het besluit van 13 juni 2023 nu voorschrijft. De Archiefwet 1995 biedt daarvoor geen grondslag.
Ten derde heeft [wederpartij] erop gewezen dat het advies van de raad van 31 mei 2023 aan het college niet is bijgevoegd.
Ten vierde is de inventarislijst die in het besluit wordt genoemd niet ter inzage gelegd of op een andere wijze kenbaar gemaakt.
Tenslotte betoogt [wederpartij] dat de streekarchivaris niet bevoegd is om in openbare documenten informatie weg te lakken. [wederpartij] heeft ten onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:620).
Beoordeling van het beroep
Zijn de digitale documenten in de besluitvorming betrokken?
22. Archiefbescheiden in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Archiefwet 1995 zijn ‘bescheiden, ongeacht hun vorm’. Dat kunnen dus zowel analoge als digitale bescheiden zijn. Voor zover het besluit van 13 juni 2023 gaat over ‘archiefbescheiden’, gaat het daarom zowel om de analoge als digitale raadsenquêtedocumenten. Het college heeft tijdens de zitting bij de Afdeling desgevraagd toegelicht dat het besluit van 13 juni 2023 ook over de digitale archiefbescheiden gaat. Deze zijn beoordeeld en de digitale archiefbescheiden zijn via een harde schijf overgedragen, aldus het college. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze stelling niet juist is.
Het betoog slaagt niet.
Mochten er beperkingen aan de openbaarheid gesteld worden en mogen documenten worden vernietigd?
23. Het betoog van [wederpartij] dat er geen beperkingen aan de openbaarheid gesteld mogen worden en geen documenten vernietigd mogen worden, is gebaseerd op artikel 15, tweede lid, van de Archiefwet 1995. Dat artikel bepaalt dat de zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, na de in het eerste lid bedoelde overbrenging, niet alsnog beperkingen als bedoeld in het eerste lid kan stellen, tenzij zich na het tijdstip van overbrenging omstandigheden hebben voorgedaan die, waren zij op dat tijdstip bekend geweest, tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid ingevolge het eerste lid zouden hebben geleid. Deze situatie doet zich echter niet voor, omdat het besluit van 13 juni 2023 niet op het tweede lid is gebaseerd. Dat besluit is gebaseerd op artikel 15, eerste en derde lid, van de Archiefwet 1995, zoals ook in het besluit staat vermeld. Met dat besluit is immers een onbevoegd genomen besluit (gedeeltelijk) bekrachtigd en is een besluit genomen op het verzoek om opheffing van de openbaarheidsbeperkingen die zijn opgelegd. Met dat besluit mocht dus besloten worden tot vernietiging en overbrenging van archiefbescheiden, met oplegging van openbaarheidsbeperkingen.
Het betoog slaagt niet.
Het advies van de raad van 31 mei 2023
24. Voor zover [wederpartij] betoogt dat het advies van de raad van 31 mei 2023 aan het college niet aan het dossier toegevoegd is, is van belang dat dit advies openbaar te raadplegen is. Het advies van de raad is neergelegd in het raadsbesluit met document nr. INT/23/1153206 en dateert van 31 mei 2023. In het Gemeenteblad 2023, nr. 287978, van 29 juni 2023 wordt daarnaar verwezen. Dit raadsbesluit is, samen met het raadsvoorstel, openbaar en via het internet te raadplegen.
Het betoog slaagt niet.
Inzage in de in het besluit genoemde inventarislijst
25. Het besluit van 13 juni 2023 verwijst naar de inventarislijst met kenmerk Z/20/378967/INT/23/1158249. Deze inventarislijst is niet bij het besluit gevoegd, maar kan, zoals tijdens de zitting bij de Afdeling met partijen is besproken, bij de streekarchivaris ingezien worden. [wederpartij] kan dus kennisnemen van deze inventarislijst.
Het betoog slaagt niet.
Inzage geven in persoonsgegevens
26. In het besluit van 13 juni 2023 staat onder andere dat het college de opgelegde openbaarheidsbeperkingen opheft voor de archiefbescheiden die op de inventarislijst met kenmerk Z/20/378967/INT/23/1158249 zijn aangeduid als ‘gedeeltelijk opheffen openbaarheidsbeperkingen’, met dien verstande dat:
"de Streekarchivaris bij een inzageverzoek de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht neemt, en dus alleen inzage geeft in de betreffende archiefbescheiden onder de (openbaarheids)beperking dat persoonsgegevens en/of gegevens die naar personen herleidbaar zijn worden gepseudonimiseerd (wat hier betekent: weggelakt) (grondslag: bescherming persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 15, eerste lid en onder a, van de Archiefwet in verbinding met artikel 89 van de AVG);"
Volgens [wederpartij] is het niet toegestaan om gegevens weg te lakken in archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats liggen en waarvoor geen openbaarheidsbeperkingen gelden, omdat de Archiefwet 1995 een documentenstelsel kent. Dat betekent dat voor het hele document een openbaarheidsbeperking geldt of niet en dat er voor de streekarchivaris geen ruimte is om nadien nog gegevens weg te lakken op het moment dat hij inzage moet geven. Hij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:620), onder 4.1.
26.1. De Afdeling volgt het betoog van [wederpartij] niet. Dat komt omdat voorrang gegeven moet worden aan de AVG. Daarvoor is het volgende van belang.
26.2. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995 stelt de streekarchivaris de in het streekarchief berustende archiefbescheiden aan een verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 maart 2017 overwogen dat de Archiefwet 1995 geen informatiestelsel maar een documentenstelsel bevat. De openbaarheidsbeperkingen die ingevolge de Archiefwet 1995 mogelijk zijn, zijn dan ook niet aan de informatie in de documenten gekoppeld, maar aan het document in zijn geheel. De Afdeling overwoog dat bij dit stelsel niet past dat de archivaris een document bewerkt - bijvoorbeeld door het te anonimiseren - alvorens daarin inzage te geven. Na de uitspraak van 8 maart 2017 is vanaf 25 mei 2018 echter de AVG van toepassing, waaronder artikel 89, eerste lid. Dat artikel luidt:
"De verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang (…) is onderworpen aan passende waarborgen in overeenstemming met deze verordening voor de rechten en vrijheden van de betrokkene. Die waarborgen zorgen ervoor dat er technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen om de inachtneming van het beginsel van minimale gegevensverwerking te garanderen. Deze maatregelen kunnen pseudonimisering omvatten, mits aldus die doeleinden in kwestie kunnen worden verwezenlijkt. Wanneer die doeleinden kunnen worden verwezenlijkt door verdere verwerking die de identificatie van betrokkenen niet of niet langer toelaat, moeten zij aldus worden verwezenlijkt."
De Afdeling ziet hierin aanleiding om terug te komen van de uitspraak van 8 maart 2017. In die uitspraak heeft de Afdeling immers geen rekening kunnen houden met de AVG, omdat die nog niet van toepassing was.
26.3. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet de nationale rechter het nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uitleggen. Het beginsel van een aan het Unierecht conforme uitleg van het nationale recht stelt de nationale rechter in staat de volle werking van het Unierecht te verzekeren (zie onder meer het arrest van 19 december 2013, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862, punt 75). Dit beginsel van een met het Unierecht conforme uitleg wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen van het Unierecht, zoals onder meer het rechtszekerheidsbeginsel, en kan niet dienen als grondslag voor een uitleg contra legem van het nationale recht (zie onder meer het arrest van 24 januari 2012, Dominguez, ECLI:EU:C:2012:33, punt 25). Als conforme uitleg van een toepasselijke nationale bepaling niet mogelijk is, moet deze nationale bepaling volgens jurisprudentie van het Hof buiten toepassing worden gelaten door de nationale rechter (zie onder meer het arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron - Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, ECLI:EU:C:2025:56, punt 35).
26.4. Een met de AVG conforme uitleg van de Archiefwet 1995 is in dit geval niet mogelijk. Artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bepaalt dat de streekarchivaris de bij hem berustende archiefbescheiden aan de verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar stelt met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen. Gelet op artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn dat de beperkingen zoals die opgelegd kunnen worden op grond van artikel 15, 16 en 17 van die wet. Dat artikel bepaalt immers dat de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar zijn, behoudens het bepaalde in artikel 15, 16 en 17. Artikel 14 van de Archiefwet 1995 biedt geen ruimte voor het stellen van andere beperkingen aan de openbaarheid. De beperkingen aan de openbaarheid die onder artikel 15, 16 en 17 kunnen worden gesteld gaan over het beperken van de openbaarheid van een compleet document. Artikel 15, 16 en 17 bieden geen ruimte voor gedeeltelijke beperkingen, zoals het pseudonimiseren van documenten. Daarom heeft de Afdeling eerder ook overwogen dat het zich niet met de Archiefwet 1995 verhoudt dat de archivaris archiefbescheiden bewerkt voordat hij daarin inzage geeft. Artikel 89, eerste lid, van de AVG bepaalt echter dat de archivering is onderworpen aan passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene en dat daarvoor maatregelen genomen moeten worden. Daarbij moet volgens dat artikel ook gekozen kunnen worden voor pseudonimisering, welke mogelijkheid door het college ook in het besluit van 13 juni 2023 is genoemd. Zoals hiervoor overwogen, biedt artikel 14 van de Archiefwet 1995 daarvoor geen ruimte en het is daarom niet mogelijk artikel 14 conform artikel 89 van de AVG uit te leggen.
26.5. De AVG heeft rechtstreekse werking en heeft voorrang boven nationaal recht. Dat betekent dat de streekarchivaris bij het op grond van artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995 geven van inzage met voorrang toepassing moet geven aan artikel 89, eerste lid, van de AVG. In het geval dat er op grond van de Archiefwet 1995 geen beperking aan de openbaarheid gesteld is en de streekarchivaris in principe inzage moet geven in de desbetreffende documenten, moet hij daarbij artikel 89, eerste lid, van de AVG in acht nemen.
26.6. Uit het voorgaande volgt dat de streekarchivaris in archiefbescheiden waarop op grond van de Archiefwet 1995 geen openbaarheidsbeperking rust, gelet op artikel 89 van de AVG bevoegd is de persoonsgegevens en/of gegevens die naar personen herleidbaar zijn te pseudonimiseren. Dit betekent dat het besluit van 13 juni 2023 niet in strijd is met de Archiefwet 1995, omdat artikel 89 van de AVG voor het pseudonimiseren een grondslag biedt die niet is opgenomen in de Archiefwet 1995 en voorrang gegeven moet worden aan de toepassing van dit artikel.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het beroep
27. Het beroep tegen het besluit van 13 juni 2023 is ongegrond.
Terugkoppeling aan de wetgever
28. Het onvermijdelijke gevolg van de rechtstreekse werking van artikel 89 van de AVG is dat het documentenstelsel dat door de wetgever ten grondslag is gelegd aan de Archiefwet 1995, wordt doorkruist. De Afdeling geeft de wetgever in overweging de Archiefwet 1995 op dit punt in lijn met de AVG te brengen.
Hoe nu verder?
29. Voor de volledigheid wijst de Afdeling erop dat zij onder 15 en 16 al heeft uiteengezet dat de streekarchivaris na deze uitspraak alsnog een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de beperkingen die met het besluit van 13 juni 2023 aan de openbaarheid van de raadsenquêtedocumenten zijn gesteld.
Overschrijding redelijke termijn
30. [wederpartij] heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd.
30.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:155), onder 6.2.
30.2. De streekarchivaris heeft het door [wederpartij] gemaakte bezwaar op 19 mei 2020 ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen.
30.3. Deze uitspraak is van 20 mei 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden.
30.4. De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de schadevergoeding voor [wederpartij] vaststellen op een bedrag van € 2.000,00, als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
30.5. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:176), onder 5.1.
30.6. De overschrijding van de redelijke termijn is zowel aan de rechtbank als aan de Afdeling toe te rekenen. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 6 oktober 2020 en heeft op 29 juni 2022 uitspraak gedaan. De behandeling van het beroep heeft daarmee afgerond drie maanden te lang geduurd. Dat betekent dat de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling een jaar en negen maanden te lang heeft geduurd. De Afdeling zal daarom de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 2.000,00 aan [wederpartij] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade (3/24 deel te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en 21/24 deel te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
30.7. Het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Proceskosten
31. De streekarchivaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar 13 juni 2023, Gemeenteblad 2023, nr. 287978, ongegrond;
IV. veroordeelt de streekarchivaris van het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 57,56;
V. bepaalt dat van de streekarchivaris van het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg een griffierecht van € 548,00 wordt geheven;
VI. wijst het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [wederpartij] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen (€ 250,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.750,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
960
Bijlage
Relevante wet- en regelgeving
Artikel 89, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming
De verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden is onderworpen aan passende waarborgen in overeenstemming met deze verordening voor de rechten en vrijheden van de betrokkene. Die waarborgen zorgen ervoor dat er technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen om de inachtneming van het beginsel van minimale gegevensverwerking te garanderen. Deze maatregelen kunnen pseudonimisering omvatten, mits aldus die doeleinden in kwestie kunnen worden verwezenlijkt. Wanneer die doeleinden kunnen worden verwezenlijkt door verdere verwerking die de identificatie van betrokkenen niet of niet langer toelaat, moeten zij aldus worden verwezenlijkt.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Artikel 87 van de Gemeentewet
De raad, het college, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.
Artikel 89, derde lid, van de Gemeentewet
Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft. Indien de verplichting tot geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting tevens worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld.
Artikel 155a, vierde en achtste lid, van de Gemeentewet
4. De artikelen 22, 23, vierde en vijfde lid, 82, derde lid, 87 en 89 zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
8. Alvorens de raad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij verordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
Artikel 1, aanhef en onder c, van de Archiefwet 1995
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder archiefbescheiden:
1. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten;
2. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan;
3. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten;
4. reprodukties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1°, 2° of 3° bedoelde archiefbescheiden of welke op grond van het bepaalde in artikel 7 zijn vervaardigd.
Artikel 12 van de Archiefwet 1995
1. De zorgdrager brengt de archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar over naar een archiefbewaarplaats.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, die bij de overbrenging van archiefbescheiden in acht dienen te worden genomen.
Artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995
De zorgdrager kan archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en jonger zijn dan twintig jaar naar een archiefbewaarplaats overbrengen, wanneer naar het oordeel van de beheerder van de archiefbewaarplaats voldoende aanleiding bestaat hiervoor ruimte beschikbaar te stellen.
Artikel 14 van de Archiefwet 1995
De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17, openbaar. Ieder is, behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken.
Artikel 15, eerste, tweede en derde lid, van de Archiefwet 1995
1. Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°, bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op:
a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten;
c. de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in onderdeel a of onderdeel b.
Voor zover de beheerder van een archiefbewaarplaats een rijksarchivaris is als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt het advies, bedoeld in de eerste volzin, gevraagd aan de algemene rijksarchivaris, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
2. De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden kan, na de in het eerste lid bedoelde overbrenging, niet alsnog beperkingen als bedoeld in het eerste lid stellen, tenzij zich na het tijdstip van overbrenging omstandigheden hebben voorgedaan die, waren zij op dat tijdstip bekend geweest, tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid ingevolge het eerste lid zouden hebben geleid.
3. De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, kan, gehoord degene op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht, de ingevolge het eerste of het tweede lid aan de openbaarheid gestelde beperkingen opheffen, dan wel ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing laten, indien het belang van de gestelde beperking niet opweegt tegen diens belang tot raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden.
Artikel 17 van de Archiefwet 1995
1. De beheerder van een archiefbewaarplaats stelt de daar berustende archiefbescheiden aan de verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen en overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie.
2. De beheerder is bevoegd een verzoek tot raadpleging of gebruik van archiefbescheiden af te wijzen, indien naar zijn oordeel de toestand van de archiefbescheiden zich daartegen verzet of deze aan de verzoeker niet veilig kunnen worden toevertrouwd.
3. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek tot raadpleging of gebruik vindt schriftelijk plaats. In geval van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid gewezen.
4. Indien de aard of de mate van raadpleging of gebruik van archiefbescheiden een ernstige bedreiging vormt voor hun toestand, is de beheerder bevoegd te bepalen dat in de plaats van die archiefbescheiden reprodukties, niet zijnde archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onder c 4°, ter beschikking worden gesteld.
Artikel 23, eerste en derde lid, van de Archiefwet 1995
1. De Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat, de directeur van het Kabinet van de Koning en Onze ministers dragen zorg voor hun archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.
3. Onze minister draagt tevens zorg voor de archiefbescheiden, die in de rijksarchiefbewaarplaatsen berusten.
Artikel 30, eerste lid, van de Archiefwet 1995
Overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, dragen burgemeester en wethouders zorg voor de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen.
Artikel 35 van de Wet op de parlementaire enquête 2008
Met ingang van de dag dat de Kamer de enquête beëindigt, gaan van rechtswege over op de Kamer:
a. de documenten die op vordering aan de commissie zijn verstrekt;
b. de geluidsregistraties, bedoeld in de artikelen 8, 11 en 12;
c. de documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, en
d. andere documenten die de commissie van belang acht.
Artikel 39 van de Wet op de parlementaire enquête 2008
1. Een ieder heeft behoudens de beperkingen die de commissie op grond van artikel 40 aan de openbaarheid heeft gesteld, met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport aanbiedt aan de Kamer recht op inzage in de documenten, bedoeld in artikel 35. Dit inzagerecht geldt zolang deze documenten onder de commissie onderscheidenlijk de Kamer berusten.
2. De Kamer kan besluiten een op grond van artikel 40 aan de openbaarheid gestelde beperking op te heffen, dan wel ten aanzien van een verzoeker, die bij kennisneming een bijzonder belang heeft, buiten toepassing te laten. De Kamer kan een verzoeker geheimhouding opleggen over de inhoud van documenten waarin hem inzage is verleend.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op vertrouwelijke verslagen en geluidsregistraties van besloten voorgesprekken als bedoeld in artikel 8, vijfde lid.
Artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008
1. De commissie kan voor de periode na de dag waarop zij haar rapport aanbiedt aan de Kamer beperkingen stellen aan de openbaarheid van documenten die onder de commissie berusten of, nadat deze documenten op grond van artikel 35 zijn overgegaan op de Kamer, hebben berust. Deze beperkingen gelden zolang de documenten onder de commissie onderscheidenlijk de Kamer berusten.
2. De commissie stelt beperkingen aan de openbaarheid voor zover:
a. de openbaarmaking van het document de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de openbaarmaking van het document de veiligheid van de staat zou kunnen schaden;
c. het document bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
d. het document persoonsgegevens bevat als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming tenzij de openbaarmaking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt of de persoon op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft ingestemd met de openbaarmaking;
e. het document een verslag van een voorgesprek of een besloten verhoor betreft.
3. De commissie kan eveneens beperkingen aan de openbaarheid stellen voor zover het belang van openbaarheid van het document niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het tweede lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevensgegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
j. indien geen sprake is van milieu-informatie, de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in het tweede of derde lid.
4. De commissie kan in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, in het geval van milieu-informatie eveneens beperkingen aan de openbaarheid stellen voor zover het belang van openbaarheid niet opweegt tegen het belang bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
5. De beperkingen aan de openbaarheid kunnen eveneens worden gesteld voor zover het document is opgesteld ten behoeve van intern beraad van de commissie.
6. De leden van de commissie bewaren geheimhouding over de inhoud van documenten, voor zover de commissie beperkingen heeft gesteld aan de openbaarheid.
Artikel 1.1 van de Wet open overheid
Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;
e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
Artikel 8.8 van de Wet open overheid
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
(…)
Gemeentewet: de artikelen 23, vierde, vijfde en zesde lid, tweede volzin, 60, derde lid, tweede volzin, 61c, 87, 88, 89 en artikel 185, eerste, derde en zesde lid
(…)
Artikel 18 van de Enquêteverordening gemeente Zevenaar 2014
1. Na de beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde commissie besluit de raad, dat de processenverbaal en de overige bescheiden van het onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende een door hem te bepalen periode worden bewaard in het gemeentearchief.
2. Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de commissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen deel uit van dit archief.
3. De commissie bepaalt waar de in het tweede lid bedoelde bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim zijn.