ECLI:NL:RVS:2026:2691

ECLI:NL:RVS:2026:2691

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 202300318/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 november 2020, op 2 december 2020 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2020, nr. 315882, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 een beperking aan de openbaarheid gesteld van de archiefbescheiden van de gemeente Zevenaar betreffende de correspondentie met de enquêtecommissie uit de periode 2008-2019. Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van het college van 17 november 2020 externe werking en dus rechtsgevolg heeft. Volgens het college heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen een niet-appellabel besluit.

Uitspraak

202300318/1/A3.

Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 december 2022 in zaak nr. 21/3662 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend in [woonplaats]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2020, op 2 december 2020 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2020, nr. 315882, heeft het college op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 een beperking aan de openbaarheid gesteld van de archiefbescheiden van de gemeente Zevenaar betreffende de correspondentie met de enquêtecommissie uit de periode 2008-2019.

Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juni 2021 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 11 april 2023 heeft het college het bezwaar van het college alsnog ontvankelijk en gegrond verklaard.

[wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 11 april 2023.

Bij besluit van 27 juli 2023 heeft het college het besluit van 11 april 2023 aangevuld, het besluit van 17 november 2020 herroepen en daarvoor het besluit van 25 juli 2023, op 3 augustus 2023 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2023, nr. 341681, in de plaats gesteld.

[wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 27 juli 2023.

Het college heeft een zienswijze gegeven.

Bij besluiten van 9 april 2024, op 16 april 2024 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2024, nr. 163956 en nr. 165843, heeft het college een verschrijving in het besluit van 25 juli 2023 hersteld.

[wederpartij] heeft gronden gericht tegen de besluiten van 9 april 2024.

Het college heeft een zienswijze gegeven.

Het college heeft een nader stuk - een overzicht van alle lopende procedures - ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 juni 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam en mr. M.H.P. Bullens, advocaten te Nijmegen, en E.J.M. Sloot-Vet, E.B. Maris en drs. R. Dragt, en [wederpartij], zijn verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nrs. 202203935/1/A3, 202300320/1/A3, 202400970/1/A3 en 202400981/1/A3. Tijdens de zitting waren daarom ook Sweeren, De Jong en de streekarchivaris van het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg, ook vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam en mr. M.H.P. Bullens, advocaten te Nijmegen, aanwezig. Verder was de raad van de gemeente Zevenaar, vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigden als het college, aanwezig.

Overwegingen

Wat is de achtergrond van deze procedure?

1. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd.

1.1. [wederpartij] heeft vervolgens tot aan de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) geprocedeerd over de schade die hij heeft geleden door het rapport. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:948), kort samengevat geoordeeld dat het college kan worden aangerekend dat het zich zonder voorbehoud heeft geschaard achter de inhoud van het rapport Bunt en geen aanleiding heeft gezien om afstand te nemen van de daarin gemaakte subjectieve en onprofessionele kwalificaties jegens [wederpartij]. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zich heeft ingespannen om vooraf waarborgen te scheppen aangaande het rapport en de vertrouwelijkheid daarvan.

1.2. De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB besloten een enquêtecommissie in te stellen om onderzoek te doen naar het P&O-beleid van de gemeente Zevenaar in de periode 1 juni 2002 tot 31 december 2015. Dat heeft geresulteerd in het eindrapport van 12 juni 2017.

Wat heeft het college besloten?

2. Het college heeft bij besluit van 17 november 2020 op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 een beperking aan de openbaarheid gesteld van de archiefbescheiden van de gemeente Zevenaar betreffende de correspondentie met de enquêtecommissie uit de periode 2008-2019. De beperking aan de openbaarheid geldt voor een periode van 75 jaar. Het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens het college het besluit geen externe werking heeft en alleen is gericht aan de beheerder van het archief (de streekarchivaris). De externe werking van dat besluit krijgt pas gestalte op het moment dat een verzoek om inzage in het archief bij de streekarchivaris wordt ingediend en de streekarchivaris het verzoek afwijst, omdat hij de openbaarheidsbeperkingen in acht moet nemen, aldus het college.

Wat heeft de rechtbank geoordeeld?

3. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van het college van 17 november 2020 wel externe werking en dus rechtsgevolg heeft. Het gevolg van een beperkingenbesluit is immers dat de stukken waarover dat besluit gaat niet openbaar zijn, terwijl die stukken wel openbaar zouden zijn als er geen beperkingenbesluit was genomen. Het zou ook niet logisch of praktisch zijn om aan te nemen dat een beperkingenbesluit geen rechtsgevolg heeft. In de benadering van het college zou eerst de omweg gevolgd moeten worden dat [wederpartij] een verzoek om inzage en opheffing van de beperkingen indient bij de streekarchivaris, die dit verzoek vervolgens aan het college zou moeten doorsturen om op het verzoek om opheffing te beslissen. Dat is geen efficiënte gang van zaken. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Waarom is het college het niet met de rechtbank eens?

4. Volgens het college heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen een niet-appellabel besluit. Het besluit van 17 november 2020 heeft geen externe werking. Het besluit heeft namelijk alleen interbestuurlijke werking jegens de streekarchivaris. De streekarchivaris moet de opgelegde openbaarheidsbeperkingen in acht nemen. Het besluit waarmee beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden zijn gesteld, krijgt pas externe werking zodra een verzoek om inzage in het archief bij de streekarchivaris wordt ingediend en de streekarchivaris dat verzoek afwijst omdat hij de openbaarheidsbeperkingen in acht moet nemen. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:928), onder 2.3 tot en met 2.5, waarin is overwogen dat rechtsmiddelen aangewend kunnen worden tegen het besluit op een verzoek om raadpleging van archiefbescheiden en opheffing van de openbaarheidsbeperkingen.

Beoordeling van het hoger beroep

Heeft het besluit van 17 november 2020 externe werking?

5. De Afdeling komt net als de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van 17 november 2020 externe werking heeft en dat dit besluit appellabel is. Dat betekent dat het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling licht dit als volgt toe.

5.1. Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) bepaalt dat onder een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, wordt verstaan. De beslissing moet gericht zijn op extern rechtsgevolg. Daarmee is bedoeld dat de beslissing gericht moet zijn op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Beslissingen van het bestuursorgaan die een zuiver intern karakter hebben, zoals de bepaling van de prioriteit van de te behandelen zaken, aanwijzingen over op te stellen stukken en dergelijke zijn niet als besluiten in de zin van de Awb aan te merken (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 38-39).

5.2. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995 stelt de streekarchivaris de bij hem berustende archiefbescheiden aan een verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen. Die beperkingen worden door het college op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 gesteld. De streekarchivaris en het college zijn van elkaar te onderscheiden bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het besluit van 17 november 2020 waarmee het college beperkingen aan de openbaarheid heeft gesteld, gaat dus niet over de interne (organisatorische) kring van het college zelf, maar is gericht op wijziging van de naar publiekrecht bestaande rechten en verplichtingen van een ander bestuursrechtelijk rechtssubject, in dit geval de streekarchivaris. Het is daarom geen besluit met een zuiver intern karakter, zoals het college betoogt. Dat betekent dat het besluit van 17 november 2020 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is en dat dit besluit appellabel is. De verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017 leidt niet tot een ander oordeel. Uit die uitspraak, onder 2.4, volgt immers dat belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen een beperkingenbesluit.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het hoger beroep

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

Besluiten van het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank

7. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 11 april 2023 een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar alsnog ontvankelijk en gegrond verklaard. Dit besluit wordt van rechtswege geacht onderwerp te zijn van deze procedure. Dat betekent dat de Afdeling ook een oordeel zal geven over dit besluit. Zie artikel 6:24, in samenhang gelezen met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

8. Het college heeft in het besluit van 11 april 2023 erkend dat de overdracht van documenten en het opleggen van de openbaarheidsbeperkingen, zonder selectie voor vernietiging en bewaring, niet conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving is gegaan. Het bezwaar is daarom gegrond.

9. Het college heeft daarbij te kennen gegeven bezig te zijn met een herbeoordeling van het besluit van 17 november 2020 en dat daarbij waar mogelijk wordt aangesloten bij de herbeoordeling van het besluit van 25 oktober 2017 van de enquêtecommissie, dat onderwerp van geding is in de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692). Zodra de herbeoordeling afgerond is, zal het college het besluit van 17 november 2020 herroepen en een nieuw besluit in de plaats stellen.

10. In het besluit van 27 juli 2023 heeft het college te kennen gegeven dat de heroverweging van het besluit van 17 november 2020 is afgerond. Met het besluit van 27 juli 2023 heeft het college het besluit van 17 november 2020 vervolgens herroepen en het besluit van 25 juli 2023 daarvoor in de plaats gesteld. Met het besluit van 25 juli 2023 heeft het college besloten tot (citaat):

- "het bekrachtigen van het besluit van 17 november 2020 voor de archiefbescheiden, die op de lijst 'Heroverweging besluit oplegging beperking van openbaarheid gemeente Zevenaar van 17 november 2020' zijn aangeduid als 'bewaren, en onder openbaarheidsbeperkingen vervroegd overbrengen', waarbij voor de duur van de opgelegde openbaarheidsbeperkingen wordt aangesloten bij de einddatum van het (herziene) besluit van de enquêtecommissie van 13 juni 2023, wat betekent dat de duur 75 jaar bedraagt vanaf 31 oktober 2017, dus tot 31 oktober 2092;

- de archiefbescheiden die op de lijst 'Heroverweging besluit oplegging beperking van openbaarheid gemeente Zevenaar van 17 november 2020' zijn aangeduid als 'bewaren, niet (onder openbaarheidsbeperkingen) vervroegd overbrengen', niet over te brengen naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats, maar te bewaren in het gemeentearchief;

- de archiefbescheiden die op de lijst 'Heroverweging besluit oplegging beperking van openbaarheid gemeente Zevenaar van 17 november 2020’ zijn aangeduid als 'te vernietigen', te vernietigen als het besluit daartoe onherroepelijk is geworden."

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 11 april 2023

11. [wederpartij] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 april 2023. Hij heeft te kennen gegeven dat hij zich niet kan vinden in de gesplitste besluitvorming, omdat dat in strijd is met artikel 7:11 van de Awb. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft [wederpartij] zijn beroepsgrond tegen het besluit van 11 april 2023 echter ingetrokken. De Afdeling zal daarover dus geen oordeel geven.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 27 juli 2023

12. [wederpartij] heeft meerdere gronden gericht tegen het besluit van 27 juli 2023. Hij heeft de gronden van zijn beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb volgt niet dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Daarbij is van belang dat een aantal gronden ook buiten de omvang van het geding valt. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [wederpartij] naar voren gebrachte gronden. Deze gronden heeft de Afdeling voor een groot deel ook met partijen besproken tijdens de zitting. De gronden die hij in zaak nr. 202300320/1/A3 heeft aangevoerd, heeft hij ook aangevoerd tegen het besluit van 27 juli 2023. De Afdeling verwijst voor de beoordeling daarvan daarom naar haar uitspraak van vandaag in die zaak (ECLI:NL:RVS:2026:2692).

Ontbreken op de zaak betrekking hebbende stukken?

13. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden. [wederpartij] stelt dat relevante ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ ontbreken. Hij heeft deze opgenomen op een lijst die hij heeft opgenomen in zijn beroepschrift. Het gaat bijvoorbeeld om het advies van de streekarchivaris van 19 juli 2023. Het college heeft in zijn zienswijze op de lijst van [wederpartij] gereageerd en per stuk toegelicht en gemotiveerd dat het stuk niet bestaat, niet een op de zaak betrekking hebbend stuk is of het desbetreffende stuk als bijlage bijgevoegd. Daarmee beschikken zowel de Afdeling als partijen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. [wederpartij] heeft tijdens de zitting bij de Afdeling geen aanknopingspunten gegeven die aanleiding geven om te veronderstellen dat er nog op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken. Hoewel [wederpartij] dus terecht naar voren heeft gebracht dat op de zaak betrekking hebbende stukken ontbraken, is dit gebrek in de loop van de procedure al hersteld.

Het betoog slaagt niet.

Toepassing van de selectielijsten

14. [wederpartij] stelt dat op de correspondentie van het college met de enquêtecommissie uitsluitend de selectielijsten 1996 en 2017 van toepassing zijn. Geen van de documenten komt gelet op de van toepassing zijn selectielijsten voor blijvende bewaring in het gemeentelijk archief in aanmerking. De documenten vallen volgens [wederpartij] niet onder een zogenoemde ‘hotspot’, waardoor die documenten niet van vernietiging dienen te worden uitgezonderd. De selectielijsten 1996 en 2017 kennen het begrip ‘hotspot’ niet. Daar komt bij dat de gemeente Zevenaar geen hotspot-monitor heeft vastgesteld en gepubliceerd. Dat betekent dat zijn personeelsdossier of documenten daaruit niet aangemerkt kunnen worden als bestanddeel van een hotspot, aldus [wederpartij].

14.1. Op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 is de zorgdrager verplicht tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen. Dit zijn in dit geval de Selectielijst voor archiefbescheiden van gemeentelijke en intergemeentelijke organen 1996 (geactualiseerd in 2012) en de Selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2017. In de Selectielijst 2017 staat het volgende:

"De volgende categorieën archiefbescheiden, die op grond van de Selectielijst 2017 in principe voor vernietiging in aanmerking komen, dienen van vernietiging te worden uitgezonderd:

• Archiefbescheiden die op basis van een lokaal uitgevoerde hotspot-monitor (zie paragraaf 1.5.) kenmerkend zijn voor een hierin gesignaleerde hotspot. Een hotspot is een gebeurtenis of kwestie die leidt tot een opvallende of intensieve interactie tussen overheid en burgers of tussen burgers onderling. Het gaat dus om zaken die veel maatschappelijke beroering veroorzaken. (Bijvoorbeeld een ramp, een internationaal sportevenement, een politiek omstreden besluit.)

• Archiefbescheiden over zaken of gebeurtenissen met een voor het eigen orgaan uniek of bijzonder karakter, of archiefbescheiden die door hun vorm of aard op zichzelf of voor de gemeente beeldbepalend, karakteristiek of bijzonder zijn. (Bijvoorbeeld een reorganisatieplan of een nieuw stadhuis.)"

In de Selectielijst 1996 staat:

"De volgende categorieën archiefbescheiden, die op grond van de hoofdstukken 2 en 3 in principe voor vernietiging in aanmerking komen, dienen te worden bewaard:

- bescheiden betreffende zaken of gebeurtenissen met een voor de eigen organisatie uniek of bijzonder karakter;

- bescheiden die betrekking hebben op bijzondere tijdsomstandigheden of gebeurtenissen."

Daargelaten of in dit geval sprake is van een ‘hotspot’, welk begrip ook niet voorkomt in de Selectie 1996, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de raadsenquêteprocedure een bijzondere gebeurtenis in de gemeente Zevenaar is met een uniek karakter. Het college heeft erop gewezen dat er in de gemeente Zevenaar slechts één raadsenquêteprocedure heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is het college terecht tot de conclusie gekomen dat de archiefbescheiden niet vernietigd hoeven te worden.

Het betoog slaagt niet.

Hoe verhoudt de Archiefwet 1995 zich tot de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?

15. [wederpartij] betoogt dat zijn persoonsgegevens op grond van de Archiefwet 1995 alleen naar het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg (het streekarchief) overgebracht mogen worden als die gegevens in overeenstemming met de AVG worden verwerkt. De AVG heeft volgens hem voorrang boven de Archiefwet 1995. Bij de naar het archief overgebrachte stukken zitten tal van stukken met gegevens over [wederpartij] die het college ten onrechte heeft verzameld en bewaard. Zijn personeelsdossier en aanverwante documenten horen niet thuis in het streekarchief. Daardoor worden zijn persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt en mogen die ook niet op grond van de Archiefwet 1995 naar het streekarchief overgebracht worden, aldus [wederpartij].

15.1. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG is de verwerking rechtmatig als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Artikel 155a van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om een onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur in te stellen. Van die bevoegdheid heeft de raad gebruikgemaakt. Het college is op grond van artikel 155b, eerste lid, verplicht om te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het - kort samengevat - inzage geven in documenten. Het college heeft aan deze vordering van de enquêtecommissie voldaan. De persoonsgegevens van [wederpartij] zijn dus rechtmatig verzameld en verwerkt. Vervolgens is van belang dat er op grond van de Archiefwet 1995 op het college een wettelijke verplichting rust om de desbetreffende documenten te archiveren. Het college heeft aan die verplichting voldaan met - uiteindelijk - de besluiten van 25 juli 2023 en 9 april 2024. Van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van [wederpartij] in de desbetreffende documenten is dus geen sprake. Voor wat betreft de verwerking van zijn personeelsdossier, verwijst de Afdeling naar wat zij daarover heeft overwogen in haar uitspraak van vandaag in zaak nr. 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692), onder 21 tot en met 21.3. Het personeelsdossier van [wederpartij] is niet naar het streekarchief overgebracht.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het beroep tegen het besluit van 27 juli 2023

16. Het beroep is ongegrond.

Wijzigingsbesluiten van 9 april 2024

17. Bij besluiten van 9 april 2024 heeft het college een verschrijving in het besluit van 25 juli 2023 hersteld. Het college heeft daartoe het besluit van 25 juli 2023 herroepen ten aanzien van de in het besluit van 9 april 2024 vermelde zaak- en documentnummers, hetgeen leidt tot een wijziging van de lijsten behorende bij het besluit van 25 juli 2023.

Beoordeling van het beroep tegen de besluiten van 9 april 2024

18. De gronden die [wederpartij] heeft aangevoerd, zijn dezelfde als die hij heeft aangevoerd tegen het besluit van 27 juli 2023. De Afdeling verwijst voor de beoordeling daarvan daarom naar wat zij hiervoor heeft overwogen. Gelet daarop slaagt het betoog niet.

Conclusie over het beroep tegen de besluiten van 9 april 2024

19. Het beroep is ongegrond.

Overschrijding redelijke termijn

20. [wederpartij] heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. In zaak nr. 202300320/1/A3 heeft hij daar ook om verzocht. De Afdeling heeft [wederpartij] in die zaak in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:2692) een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. Beide zaken gaan in wezen over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door de tweede procedure extra spanning en frustratie bij [wederpartij] is veroorzaakt. Dat betekent dat in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en dat voor de twee zaken samen slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1481), onder 10.2. De Afdeling volstaat gelet op het voorgaande in deze zaak met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

21. [wederpartij] heeft verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De reiskosten om de zitting van 11 juni 2025 bij te wonen, zijn al vergoed in de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692).

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 27 juli 2023, kenmerk Z/21/396770/UIT/23/1172284, ongegrond;

III. verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 9 april 2024, Gemeenteblad 2024, nr. 163956 en nr. 165843, ongegrond;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar een griffierecht van € 548,00 wordt geheven;

V. wijst het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter

w.g. Meerman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

960

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Artikel 6, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;

c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;

e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.

Artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht

Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.

Artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet

De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen.

Artikel 155b, eerste lid, van de Gemeentewet

Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de door de raad ingestelde rekenkamer, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de gemeente of uit anderen hoofde aan het gemeentebestuur ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 155a nodig is.

Artikel 5 van de Archiefwet 1995

1. De zorgdrager is verplicht tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen.

2. De lijsten worden vastgesteld, voor zover het betreft:

a. archiefbescheiden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat en het Kabinet van de Koning: bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze minister, in overeenstemming met het betrokken overheidsorgaan;

b. archiefbescheiden van de ministeries: door Onze minister en Onze minister wie het mede aangaat;

c. archiefbescheiden van andere overheidsorganen: door Onze minister.

3. Een besluit tot vaststelling van een selectielijst wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995

Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°, bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op:

a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten;

c. de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in onderdeel a of onderdeel b.

Voor zover de beheerder van een archiefbewaarplaats een rijksarchivaris is als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt het advies, bedoeld in de eerste volzin, gevraagd aan de algemene rijksarchivaris, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

Artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet 1995

De beheerder van een archiefbewaarplaats stelt de daar berustende archiefbescheiden aan de verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen en overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand