ECLI:NL:RVS:2026:2695

ECLI:NL:RVS:2026:2695

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 202502164/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar het verzoek van [appellante] om vernietiging van documenten en het staken van de verspreiding van documenten afgewezen. [appellante] werkte op de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. Het college heeft het hele verzoek van [appellante] aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG). Het college heeft het verzoek van [appellante] afgewezen en het daartegen door haar gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat de verwerking van de persoonsgegevens van [appellante] nodig is met het oog op de archivering ervan in het algemeen belang of historisch onderzoek.

Uitspraak

202502164/1/A3.

Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2025 in zaak nr. 23/1488 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2022 heeft het college het verzoek van [appellante] om vernietiging van documenten en het staken van de verspreiding van documenten afgewezen.

Bij besluit van 14 februari 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 september 2024 heeft het college de persoonsgegevens van [appellante] in het rapport Bunt gedeeltelijk vernietigd.

Bij uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 juli 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, en M.S. Rijksen, en [appellante], zijn verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nr. 202402400/1/A3. Tijdens de zitting was daarom ook [persoon A] aanwezig.

Overwegingen

Wat is de achtergrond van deze procedure?

1. [appellante] werkte op de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd.

1.1. Het rapport Bunt bevat uitlatingen over verschillende medewerkers, waaronder verstrekkende, op de persoon van [appellante] betrekking hebbende opmerkingen met een diskwalificerend karakter. Dat staat vast. [appellante] heeft in 2010 het college verzocht om vergoeding van alle materiële en immateriële schade voortvloeiend uit het rapport Bunt, de werkwijze van de betrokken organisatieadviseur en de wijze waarop het college met het rapport is omgegaan. Het college heeft dit verzoek afgewezen.

1.2. [appellante] heeft vervolgens tot aan de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) geprocedeerd over haar verzoek om schadevergoeding. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:930) kort samengevat geoordeeld dat het college kan worden aangerekend dat het zich zonder voorbehoud heeft geschaard achter de inhoud van het rapport Bunt en geen aanleiding heeft gezien om afstand te nemen van de daarin gemaakte subjectieve en onprofessionele kwalificaties betreffende [appellante]. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zich heeft ingespannen om vooraf waarborgen te scheppen aangaande het rapport en de vertrouwelijkheid daarvan.

1.3. De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB besloten een enquêtecommissie in te stellen om onderzoek te doen naar het P&O-beleid van de gemeente Zevenaar in de periode van 1 juni 2002 tot 31 december 2015. Na het uitbrengen van haart eindrapport van 12 juni 2017 heeft de enquêtecommissie op 25 oktober 2017 besloten tot het opleggen van beperkingen aan de openbaarheid op al hetgeen aan haar digitaal of analoog ter beschikking is gesteld (de raadsenquêtedocumenten). Ook heeft zij besloten om deze documenten over te brengen naar het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg (het streekarchief) voor de duur van 75 jaar.

1.4. Parallel aan de hiervoor onder 1.3 vermelde procedure heeft de raad, als rechtsopvolger van de enquêtecommissie, besloten dat er een herbeoordeling moet plaatsvinden van de raadsenquêtedocumenten die naar het streekarchief zijn overgebracht. Dit naar aanleiding van de conclusie dat de betreffende documenten niet zonder een beoordeling aan de hand van op grond van de Archiefwet 1995 te hanteren selectielijsten onder openbaarheidsbeperkingen overgebracht mochten worden naar het streekarchief en dat een dergelijke beoordeling in het besluit van 25 oktober 2017 ten onrechte niet had plaatsgevonden. Die herbeoordeling hield in dat beoordeeld zou worden of de raadsenquêtedocumenten bewaard of vernietigd moesten worden. Bij besluit van het college van 13 juni 2023 heeft die herbeoordeling plaatsgevonden. Daarbij is besloten dat een deel van de overgebrachte raadsenquêtedocumenten wordt vernietigd en dat voor een deel van de te bewaren raadsenquêtedocumenten de opgelegde openbaarheidsbeperkingen worden opgeheven op het moment dat het besluit onherroepelijk is. Voor de resterende documenten blijven de openbaarheidsbeperkingen bestaan.

1.5. Het in deze procedure voorliggende verzoek van [appellante] om vernietiging van documenten en het staken van de verspreiding van documenten, hangt samen met een vergelijkbaar verzoek in zaak nr. 202402400/1/A3 en met de procedures in zaak nrs. 202203935/1/A3, 202300320/1/A3 en 202400981/1/A3, waarin het besluit van 13 juni 2023 is beoordeeld. De Afdeling heeft vandaag in al die procedures uitspraak gedaan. De uitspraken over het besluit van 13 juni 2023 zijn ook relevant voor het oordeel in deze procedure.

Relevante wet- en regelgeving

2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Verzoek van [appellante] dat in deze procedure voorligt

3. In het kader van de hiervoor onder 1.4 beschreven procedure heeft [appellante] in een brief van 17 juli 2022 haar zienswijze kenbaar gemaakt. In die brief verzoekt zij het college ook om (1) de verspreiding van een deel van het rapport Bunt per direct te staken, (2) alle exemplaren van het rapport Bunt, op papier en digitaal, zowel in het gemeentelijk archief als in het streekarchief te laten verwijderen en te vernietigen en (3) het klachtdossier uit 2009 te vernietigen.

Wat heeft het college besloten?

4. Het college heeft het hele verzoek van [appellante] aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG). Het college heeft het verzoek van [appellante] afgewezen en het daartegen door haar gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat de verwerking van de persoonsgegevens van [appellante] nodig is met het oog op de archivering ervan in het algemeen belang of historisch onderzoek. Daarnaast is de verwerking nodig voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Er ligt nog een aansprakelijkheidsstelling van [appellante] tegen de gemeente en [appellante] stuit die ook keer op keer, voor het laatst op 23 juli 2020. Voor de grondslag voor die verwerking van de persoonsgegevens verwijst het college naar artikel 17, derde lid, aanhef en onder d en e, van de AVG.

Procedure bij de rechtbank

5. Voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank is duidelijk geworden dat het rapport Bunt zich niet in het streekarchief - de archiefbewaarplaats - bevindt, maar in het gemeentearchief. Tijdens de zitting heeft het college gesteld dat om die reden niet kan worden volgehouden dat de verwerking van de persoonsgegevens in het rapport Bunt nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarmee de bewaringsgrondslag in artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG voor dit rapport is komen te vervallen.

5.1. Verder heeft [appellante] na de zitting bij de rechtbank van 24 juni 2024 duidelijk gemaakt dat zij de stuiting van de onder 4 vermelde aansprakelijkheidsstelling van 23 juli 2020 intrekt. De intrekking ziet op aansprakelijkheidsstelling voor het handelen van de gemeente rondom het rapport Bunt. Het (rechts)gevolg van deze intrekking is dat een eventuele aansprakelijkheid van de gemeente voor die door [appellante] gestelde schade is verjaard.

5.2. Het college heeft als gevolg van die intrekking een nieuw besluit genomen. Dat is het besluit van 17 september 2024. Het college is daarin overgegaan tot een gedeeltelijke wissing van de persoonsgegevens van [appellante] in het rapport Bunt.

Wat heeft de rechtbank geoordeeld?

6. De rechtbank heeft het door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

6.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college met het besluit van 17 september 2024 gedeeltelijk aan het verzoek van [appellante] tegemoetgekomen is door haar persoonsgegevens in het rapport Bunt te wissen. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er in een andere zaak nog een aansprakelijkheidsstelling loopt tegen het college voor de schade die voortvloeit uit - kort samengevat - de inhoud van het rapport Bunt en de gang van zaken rondom dat rapport. Volgens het college is het daarom nodig om het rapport Bunt te bewaren in het kader van die rechtsvordering. Daarmee doet het college een beroep op artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG, zodat er een uitzondering is op het recht op wissing. Volgens de rechtbank heeft het college een beroep op dit artikel mogen doen.

6.2. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college voor het klachtdossier ook een beroep heeft mogen doen op artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 14 februari 2023 over het klachtdossier lag er namelijk nog een aansprakelijkheidsstelling van [appellante], zodat er een grondslag was om het klachtdossier niet te wissen.

Waarom is [appellante] het niet met de rechtbank eens?

7. [appellante] betoogt dat het volledige rapport Bunt onjuist en onrechtmatig is en dat dit daarom gewist moet worden. Zij verwijst daarbij naar het oordeel van de CRvB van 19 maart 2015. Het college heeft haar persoonsgegevens in het rapport Bunt ten onrechte niet allemaal gewist. De informatie in het rapport die niet gewist is, is namelijk ook aan haar te koppelen en dient daarom als een persoonsgegeven aangemerkt te worden. Daarnaast gaat de rechtbank er ten onrechte vanuit dat zij nog een aansprakelijkheidsstelling heeft lopen. De CRvB heeft met haar uitspraak van 19 maart 2015 het verzoek om schadevergoeding al afgehandeld. Er is daarom geen sprake van een rechtsvordering waartegen het college zich moet verweren en er is dus ook geen grondslag om het rapport Bunt te bewaren. Hetzelfde geldt voor het klachtdossier. Ten slotte heeft de rechtbank zich niet uitgelaten over het onrechtmatig verspreiden van het rapport Bunt, aldus [appellante].

Beoordeling van het hoger beroep

Waar gaat het in hoger beroep nog over?

8. [appellante] heeft in deze procedure ook verzocht om haar bezwaar tegen een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur over gedeeltelijke openbaarmaking van het rapport Bunt gegrond te verklaren zodat het rapport niet meer gedeeltelijk openbaar is. Dit besluit valt echter buiten de omvang van het geding omdat in deze procedure alleen het AVG-verzoek van [appellante] voorligt, zoals ook met partijen tijdens de zitting is besproken. De Afdeling gaat daarom voorbij aan wat [appellante] hierover heeft aangevoerd.

9. De Afdeling stelt verder vast dat het rapport Bunt zich in het gemeentearchief bevindt en niet in het streekarchief. Het klachtdossier bevindt zich zowel in het streekarchief als gemeentearchief. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen verwerkingsverantwoordelijke is ten aanzien van het klachtdossier in het streekarchief en dat de procedure daarom niet over het klachtdossier in het streekarchief gaat. De Afdeling zal daar - voordat zij aan de beroepsgronden van [appellante] toekomt - eerst een oordeel over geven.

Wie is verwerkingsverantwoordelijke ten aanzien van het klachtdossier in het streekarchief: het college en/of de streekarchivaris?

10. Artikel 4, onder 7, van de AVG, verstaat onder ‘verwerkingsverantwoordelijke’ een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie strekt dit artikel ertoe om via een ruime omschrijving van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren. Zie het arrest van 11 januari 2024, LM, ECLI:EU:C:2024:7, punt 28.

10.1. Wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het nationale recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen. Zoals het Hof van Justitie verder in punt 30 van het arrest LM heeft overwogen, kan de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke in het nationale recht ook impliciet zijn. In dat geval moet die vaststelling met voldoende zekerheid voortvloeien uit de rol, de taak en de bevoegdheden die aan de persoon of entiteit in kwestie zijn toebedeeld. Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board) heeft de Richtsnoeren 7/2020 vastgesteld over de begrippen ‘verwerkingsverantwoordelijke’ en ‘verwerker’ in de AVG. Deze richtsnoeren zijn weliswaar niet juridisch bindend, maar daaraan komt wel betekenis toe bij de uitleg van de AVG. In de richtsnoeren staat dat een verwerkingsverantwoordelijke een orgaan is dat beslist over bepaalde belangrijke elementen van de verwerking. Deze verantwoordelijkheid voor de verwerking kan bij wet worden vastgesteld of kan voortvloeien uit een analyse van de feitelijke elementen of omstandigheden van het geval. De verwerkingsverantwoordelijke wordt vaak niet specifiek in de wet aangewezen. Het is gebruikelijker dat in de wet een taak of verplichting wordt opgelegd aan iemand om bepaalde gegevens te verzamelen en te verwerken. In die gevallen is het doel van de verwerking bij wet vastgelegd. Normaal gesproken is de verwerkingsverantwoordelijke de instantie die bij wet is aangewezen voor de verwezenlijking van dit doel, deze publieke taak.

10.2. Gelet op de ruime definitie van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ in artikel 4, onder 7, van de AVG en het feit dat de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke ook impliciet kan zijn en vaststelling daarvan gebaseerd moet zijn op de rol, de taak en de bevoegdheden die aan de entiteit in kwestie zijn toebedeeld, kan de situatie zich voordoen dat twee (of meer) entiteiten zelfstandig als verwerkingsverantwoordelijke moeten worden aangemerkt, zonder dat zij noodzakelijkerwijs gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijk zijn als bedoeld in artikel 26 van de AVG. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat er pas sprake is van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid als iedere entiteit afzonderlijk aan de definitie van verwerkingsverantwoordelijke voldoet en kan worden vastgesteld dat alle entiteiten gezamenlijk het doel en de middelen van de verwerking van de persoonsgegevens vaststellen. Zie de arresten van 7 maart 2024, IAB Europe, ECLI:EU:C:2024:214, punt 57 en 58, en 29 juli 2019, Fashion ID, ECLI:EU:C:2019:629, punt 73. Gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid is daarom beperkt tot verwerkingen waarvoor een gezamenlijke bepaling van het doel en de middelen heeft plaatsgevonden (arrest Fashion ID, punt 74). Aangezien meerdere entiteiten tegelijk kunnen voldoen aan de definitie van verwerkingsverantwoordelijke, terwijl zij niet gezamenlijk het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens hebben vastgesteld, kan er ook sprake zijn van meerdere zelfstandige verwerkingsverantwoordelijken.

10.3. Naar het oordeel van de Afdeling zijn zowel het college als de streekarchivaris verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG ten aanzien van het klachtdossier in het streekarchief. Beide bestuursorganen hebben ten aanzien van de archiefbescheiden in het streekarchief eigen bevoegdheden. Als beheerder van de archiefbewaarplaats heeft de streekarchivaris bijvoorbeeld op grond van artikel 17 en 18 van de Archiefwet 1995 de bevoegdheid om inzage te geven in de archiefbescheiden en om deze uit te lenen. Hoewel het klachtdossier zich in het streekarchief - een archiefbewaarplaats - bevindt, kan het college als zorgdrager daaraan gestelde openbaarheidsbeperkingen opheffen. Dat volgt uit artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995. Dat artikel bepaalt - kort samengevat - dat de zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden de aan die archiefbescheiden gestelde openbaarheidsbeperkingen kan opheffen, dan wel ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing laten, indien het belang van de gestelde beperking niet opweegt tegen diens belang tot raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden. Zowel het college als de streekarchivaris beslissen dus over belangrijke elementen van de verwerking. Het vloeit daarom uit de rol, taak en de bevoegdheden die aan het college en de streekarchivaris zijn toebedeeld voort dat zij beide verwerkingsverantwoordelijke zijn. Dat betekent ook dat het college moet beslissen op het aan het college gedane verzoek van [appellante] om wissing van haar persoonsgegevens in het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt.

Onderscheid tussen procedures

11. [appellante] betoogt dat het rapport Bunt onrechtmatig tot stand is gekomen en verwijst daarbij naar de uitspraak van de CRvB van 19 maart 2015. De CRvB heeft in die uitspraak geoordeeld dat het college aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. De CRvB heeft geoordeeld dat in zijn uitspraak voldoende genoegdoening is gelegen om het geleden nadeel te compenseren. De rechtbank heeft terecht opgemerkt dat deze uitspraak los staat van de vraag of het rapport Bunt rechtmatig wordt verwerkt in het kader van een bij het college liggende aansprakelijkheidsstelling van een oud-collega van [appellante]. Er moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen de rechtmatigheid van het rapport zelf en de rechtmatigheid van de verwerking daarvan. In deze procedure gaat het alleen over de rechtmatigheid van de verwerking van het rapport Bunt.

Terugkomen van eerdere rechtspraak

12. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7.5 onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2065), onder 9, overwogen dat de verwerkingsverantwoordelijke gelet op de systematiek en de tekst van artikel 17 van de AVG eerst mag beoordelen of één van de uitzonderingen van artikel 17, derde lid, van de AVG zich voordoet. Als dit het geval is, mag de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens verwerken en is het eerste lid van artikel 17 van de AVG - waarin het recht op wissing van persoonsgegevens is vastgelegd - niet van toepassing. In haar uitspraak van vandaag in zaak nr. 202402400/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2694), onder 8, is de Afdeling teruggekomen van deze rechtspraak. Dat betekent dat eerst beoordeeld moet worden of [appellante] op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG recht heeft op wissing van haar persoonsgegevens.

Heeft [appellante] recht op wissing van haar persoonsgegevens in het rapport Bunt?

13. [appellante] betoogt dat het gehele rapport Bunt vernietigd moet worden omdat het ontoelaatbaar is en de inhoud ervan onjuist en onrechtmatig is. [appellante] heeft echter geen recht op wissing van haar persoonsgegevens in het rapport Bunt. Daarvoor is het volgende van belang.

13.1. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG bepaalt - kort samengevat - dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG bepaalt dat een verwerking alleen rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Het college heeft een externe organisatieadviseur ingeschakeld om het functioneren van de afdeling Handhaving in kaart te brengen met als doel om de samenwerking te verbeteren. Dat heeft geresulteerd in het rapport Bunt. Het laten uitvoeren van een dergelijk onderzoek is in beginsel een gerechtvaardigd belang van het college, dat als werkgever immers zorg moet dragen voor haar werknemers. Het college heeft echter ook aangegeven het rapport niet te willen bewaren met het oog op het belang van archivering. De Afdeling is van oordeel dat de belangen en grondrechten en fundamentele vrijheden van [appellante] in dit geval zwaarder wegen dan het belang van het college bij het hiervoor genoemde onderzoek. De Afdeling stelt namelijk vast dat de CRvB in zijn uitspraak van 19 maart 2015 heeft geoordeeld dat het rapport Bunt subjectieve en onprofessionele kwalificaties jegens [appellante] bevat. Voor zover de organisatieadviseur in het rapport Bunt psychologische oordelen over de persoonlijkheid van [appellante] zijn heeft geveld, is niet gebleken dat hij daarvoor op enige wijze is opgeleid. Volgens de CRvB kan het college worden aangerekend dat het zich zonder voorbehoud heeft geschaard achter de inhoud van het rapport Bunt en geen aanleiding heeft gezien om afstand te nemen van de daarin hiervoor vermelde kwalificaties. Daarbij is ook van belang dat kort voordat het rapport Bunt werd gepresenteerd een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden waaruit een overwegend positief beeld was geschetst van het functioneren van [appellante]. Gelet op het voorgaande worden de persoonsgegevens van [appellante] in het rapport Bunt onrechtmatig verwerkt en heeft [appellante] in beginsel recht op wissing van haar persoonsgegevens in het rapport Bunt op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG. Wel dient dan beoordeeld te worden of er een uitzondering van toepassing is.

13.2. Op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG heeft een betrokkene geen recht op wissing van persoonsgegevens voor zover de verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. In haar uitspraak van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2067), onder 9.4, heeft de Afdeling overwogen dat dit artikel zo moeten worden uitgelegd dat deze bepaling zowel van toepassing is op de eisende als op de verwerende partij, omdat een andere uitleg van deze bepaling zou betekenen dat de verwerende partij kan worden gefrustreerd in zijn verdedigingsmogelijkheden. Daarnaast kan deze uitzonderingsgrond niet alleen ingeroepen worden door partijen die betrokken zijn in een rechtsgeding, maar ook door partijen die mogelijk in een rechtsgeding betrokken worden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1028), onder 7.2.

13.3. Zoals tijdens de zitting met partijen is vastgesteld, heeft de oud-collega van [appellante] nog een aansprakelijkheidsstelling lopen tegen het college. Hij heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de handelswijze rondom het rapport Bunt en de wijze waarop het de gemeente Zevenaar daarbij en daarna met hem is omgegaan, evenals de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden en nog zal lijden in het kader van de raadsenquête. Hij heeft de verjaring van die aansprakelijkheidsstelling telkens gestuit en tijdens de zitting verklaard dat hij de aansprakelijkheidsstelling niet intrekt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het voor het college nodig is om het rapport Bunt in de huidige vorm - waarin een aantal persoonsgegevens van [appellante] dus al zijn gewist - te bewaren voor die lopende aansprakelijkheidsstelling. Het college heeft gelet op deze aansprakelijkheidsstelling terecht een beroep gedaan op artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG. Dat [appellante] geen aansprakelijkheidsstelling meer heeft lopen, is dus niet doorslaggevend. Voor zover er in het rapport Bunt nog gegevens staan die in verband kunnen worden gebracht met [appellante], is van belang dat het college die mag bewaren omdat die gegevens mede betrekking hebben op de oud-collega van [appellante] en die gegevens nodig zijn voor een lopende aansprakelijkheidsstelling. Het rapport Bunt wordt verder alleen bewaard in het gemeentearchief in verband met die lopende aansprakelijkheidsstelling, zodat de verwerking daarvan beperkt is. Het belang om het rapport Bunt te bewaren, weegt in dit geval gelet op die aansprakelijkheidsstelling zwaarder dan het recht op wissing daarvan, mede gelet op het feit dat een deel van de persoonsgegevens van [appellante] in dat rapport al gewist zijn.

Het betoog slaagt niet.

Heeft [appellante] recht op wissing van haar persoonsgegevens in het klachtdossier dat zich in het gemeentearchief bevindt?

14. [appellante] heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG ook geen recht op wissing van haar persoonsgegevens in het klachtdossier. Daarvoor is het volgende van belang.

14.1. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG bepaalt - kort samengevat - dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG bepaalt dat de verwerking alleen rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. De persoonsgegevens van [appellante] in het klachtdossier zijn in eerste instantie rechtmatig verzameld en verwerkt op basis van de interne klachtenregeling van de gemeente. Er was dus een grondslag voor de verwerking van het klachtdossier, zodat [appellante] op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG geen recht heeft op wissing van haar persoonsgegevens in het klachtdossier.

14.2. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG bepaalt - kort samengevat - dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de betrokkene overeenkomstig artikel 21, eerste lid, van de AVG bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn. Gelet op artikel 21, eerste lid, van de AVG kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen verwerkingen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de AVG. Het gaat in dit geval om een (verdere) verwerking op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG en [appellante] heeft tegen die verwerking bezwaar gemaakt.

14.3. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG bepaalt dat de verwerking rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, behalve wanneer de belangen of grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Zoals tijdens de zitting met partijen is vastgesteld, heeft de oud-collega van [appellante] nog een aansprakelijkheidsstelling lopen tegen de gemeente. Hij heeft de gemeente in 2010 aansprakelijk gesteld voor de schade, veroorzaakt door de handelswijze rondom het rapport Bunt en de wijze waarop de gemeente daarbij en daarna met hem is omgegaan, evenals voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden in het kader van de raadsenquête. Hij heeft de verjaring van die aansprakelijkheidsstelling telkens gestuit en tijdens de zitting verklaard dat hij de aansprakelijkheidsstelling niet intrekt. Het is daarom voor het college nodig om het rapport Bunt en andere raadsenquêtedocumenten, waaronder het klachtdossier, te bewaren voor die lopende aansprakelijkheidsstelling. In zoverre is de verwerking van het klachtdossier noodzakelijk voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van het college. Dat [appellante] geen aansprakelijkheidsstelling meer heeft lopen, is niet doorslaggevend.

14.4. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat het klachtdossier splitsbaar is, zodat het bewaren van haar deel voor het college niet nodig is voor het kunnen voeren van verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling van haar oud-collega. Het college heeft tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat de klacht door [appellante] en haar oud-collega gezamenlijk is ingediend, dat er één advies is gegeven, dat één verweerschrift is ingediend en dat er daarom één klachtdossier is, waarin telkens wordt gesproken over ‘klagers’. Het college stelt daarom dat het klachtdossier niet splitsbaar is en in zijn geheel bewaard moet worden. [appellante] heeft dit betwist. De Afdeling kan de betwisting van [appellante] echter niet controleren, omdat [appellante] tijdens de zitting te kennen heeft gegeven dat zij niet wil dat het klachtdossier in de procedure wordt ingebracht, omdat daar volgens haar medische gegevens over haar in staan. Ook het aanbod van het college om het klachtdossier met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure te brengen zodat voorkomen wordt dat het klachtdossier onderdeel blijft uitmaken van het procesdossier nadat er uitspraak in deze zaak is gedaan, heeft [appellante] tijdens de zitting afgewezen.

14.5. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG moet beoordeeld worden of de belangen of grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang van het college. De belangen van [appellante] wegen in dit geval niet zwaarder. Daarvoor is van belang dat het college heeft toegelicht dat het klachtdossier alleen wordt bewaard in verband met de lopende aansprakelijkheidsstelling van de oud-collega van [appellante], zodat de verwerking daarvan beperkt is.

14.6. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG moet vervolgens beoordeeld worden of er prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn. Die zijn er in dit geval. De Afdeling verwijst daarvoor naar wat zij onder 14.3 heeft overwogen. Gelet daarop heeft [appellante] op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG geen recht op wissing van haar persoonsgegevens in het klachtdossier.

14.7. De Afdeling komt gelet op het voorgaande niet toe aan de toetsing van artikel 17, derde lid, van de AVG.

14.8. Tenslotte merkt de Afdeling nog het volgende op. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het klachtdossier bijzondere persoonsgegevens bevat in de zin van artikel 9, eerste lid, van de AVG, omdat het klachtdossier gegevens over de gezondheid van [appellante] bevat. In hoger beroep is hier tussen het college en [appellante] toch verschil van mening over ontstaan. De Afdeling laat de vraag of het klachtdossier gegevens over de gezondheid van [appellante] - en daarmee bijzondere persoonsgegevens - bevat echter in het midden, gelet op het feit dat [appellante] de Afdeling geen toestemming heeft gegeven om het klachtdossier in te zien. De Afdeling verwijst naar wat zij hiervoor onder 14.4 heeft overwogen.

Het betoog slaagt niet.

Het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt

15. Voor wat betreft het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt, is van belang dat dit klachtdossier onderdeel is van de raadsenquêtedocumenten. In haar uitspraak van vandaag in zaak nr. 202402400/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2694), onder 11 tot en met 11.3, heeft de Afdeling geoordeeld dat er voor de raadsenquêtedocumenten geen recht op wissing is. De Afdeling verwijst daarom naar die uitspraak. Gelet daarop heeft [appellante] geen recht op wissing van persoonsgegevens in het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt.

Het betoog slaagt niet.

Verspreiding van het rapport Bunt en het klachtdossier

16. Voor zover [appellante] stelt dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het onrechtmatig verspreiden van het rapport Bunt en de Afdeling verzoekt het college op te dragen de verwerking van het rapport Bunt en het klachtdossier te staken, heeft het college er terecht op gewezen dat de Afdeling dit niet kan opdragen. Reden daarvoor is dat het mogelijk is dat het college op grond van de wet, bijvoorbeeld de Wet open overheid, verplicht kan zijn om deze stukken te verspreiden. De Afdeling wijst er daarbij op dat het college heeft toegezegd dat als een dergelijke situatie zich aandient, het college [appellante] daarover zal consulteren.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

17. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij rust.

Proceskosten

18. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter

w.g. Meerman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

960

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Artikel 4, onder 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘verwerkingsverantwoordelijke’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoons gegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen.

Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

Persoonsgegevens moeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid").

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, e en f, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

c. de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

e. de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

f. de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.

Artikel 9, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.

Artikel 17, eerste en derde lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:

a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;

b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;

c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;

d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;

e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1.

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:

a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie;

b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;

c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3;

d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen;

e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

Artikel 21, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

Artikel 26 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming

1. Wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening vast, met name met betrekking tot de uitoefening van de rechten van de betrokkene en hun respectieve verplichtingen om de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie te verstrekken, door middel van een onderlinge regeling, tenzij en voor zover de respectieve verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijken zijn vastgesteld bij een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijken van toepassing is. In de regeling kan een contactpunt voor betrokkenen worden aangewezen.

2. Uit de in lid 1 bedoelde regeling blijkt duidelijk welke rol de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken respectievelijk vervullen, en wat hun respectieve verhouding met de betrokkenen is. De wezenlijke inhoud van de regeling wordt aan de betrokkene beschikbaar gesteld.

3. Ongeacht de voorwaarden van de in lid 1 bedoelde regeling, kan de betrokkene zijn rechten uit hoofde van deze verordening met betrekking tot en jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke uitoefenen.

Artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

Artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995

De zorgdrager ten aanzien van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden, kan, gehoord degene op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht, de ingevolge het eerste of het tweede lid aan de openbaarheid gestelde beperkingen opheffen, dan wel ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing laten, indien het belang van de gestelde beperking niet opweegt tegen diens belang tot raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden.

Artikel 17 van de Archiefwet 1995

1. De beheerder van een archiefbewaarplaats stelt de daar berustende archiefbescheiden aan de verzoeker ter raadpleging of gebruik beschikbaar met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen en overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie.

2. De beheerder is bevoegd een verzoek tot raadpleging of gebruik van archiefbescheiden af te wijzen, indien naar zijn oordeel de toestand van de archiefbescheiden zich daartegen verzet of deze aan de verzoeker niet veilig kunnen worden toevertrouwd.

3. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek tot raadpleging of gebruik vindt schriftelijk plaats. In geval van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid gewezen.

4. Indien de aard of de mate van raadpleging of gebruik van archiefbescheiden een ernstige bedreiging vormt voor hun toestand, is de beheerder bevoegd te bepalen dat in de plaats van die archiefbescheiden reprodukties, niet zijnde archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onder c 4°, ter beschikking worden gesteld.

Artikel 18 van de Archiefwet 1995

1. De beheerder van een archiefbewaarplaats is verplicht archiefbescheiden voor een bepaalde tijd uit te lenen aan het overheidsorgaan, waaronder de bescheiden, indien zij niet naar een archiefbewaarplaats waren overgebracht, zouden berusten, tenzij naar zijn oordeel de toestand van de archiefbescheiden zich daartegen verzet.

2. De beheerder van een archiefbewaarplaats is, met inachtneming van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen, bevoegd archiefbescheiden voor een bepaalde tijd uit te lenen aan een instelling, mits een deskundig beheer en een veilige bewaring zijn gewaarborgd. Aan een zodanige uitlening kunnen voorwaarden worden verbonden.

3. De beheerder is bevoegd een verzoek tot uitlening als bedoeld in het tweede lid af te wijzen, indien naar zijn oordeel de toestand van de archiefbescheiden zich daartegen verzet of deze aan de verzoeker niet veilig kunnen worden toevertrouwd.

4. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek tot uitlening als bedoeld in het tweede lid vindt schriftelijk plaats. In geval van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid gewezen.

5. Indien de aard of de mate van raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden bij de in het tweede lid bedoelde uitlening een ernstige bedreiging vormt voor hun toestand, is de beheerder bevoegd te bepalen dat in de plaats van die archiefbescheiden reprodukties worden uitgeleend.

6. De aan de uitlening verbonden kosten kunnen de verzoeker in rekening worden gebracht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand