ECLI:NL:RVS:2026:2699

ECLI:NL:RVS:2026:2699

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 202504485/1/V1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister van Asiel en Migratie krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te vergoeden. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).

Uitspraak

202504485/1/V1.

Datum uitspraak: 12 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

verzoekers,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Procesverloop

Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 juli 2025 in zaken nrs. NL25.18842 en NL25.18844.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten.

Overwegingen

1. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te vergoeden. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).

2. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer de minister, zoals in dit geval, hangende het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit, dit besluit alsnog neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). Dat het hoger beroep gaat over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, laat onverlet dat het belang van een uitspraak is komen te vervallen, doordat de minister besluiten heeft genomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

De besluiten van 21 januari 2026 en 5 maart 2026

4. De besluiten van 21 januari 2026 en 5 maart 2026 worden, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker 1 ingewilligd. Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker 2 afgewezen. Verzoekers hebben niet laten weten het niet eens te zijn met de besluiten.

5. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 21 januari 2026 en 5 maart 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank de beroepen tegen die besluiten toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

II. verwijst de beroepen van rechtswege tegen de besluiten van 21 januari 2026, V-[…], en 5 maart 2026, V-[…], ter behandeling als beroepen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen.

Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Stoové

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026

1028

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.E. Pronk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand