202501932/1/A3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
de minister van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/459 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de minister.
Openbare zitting gehouden op 6 mei 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. I.W.M.J. Bossmann
Jurist: mr. R. Luiten
Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door mr. R.P. Stehouwer, en [wederpartij], bijgestaan door [gemachtigde].
====================================
In de uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 15 december 2023 om zijn wapenverlof in te trekken gegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Justitie en Veiligheid gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/459;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond.
Motivering:
1. Aan het wapenverlof is het voorschrift verbonden dat de houder zich strikt houdt aan de bepalingen gesteld in de Wet wapens en munitie (Wwm), Richtlijn wet wapens en munitie (Rwm) en Circulaire wapens en munitie (Cwm). Daarnaast is als voorschrift aan het verlof verbonden dat de voorschriften en beperkingen gesteld in de Cwm van toepassing zijn op het verlof. In artikel 44, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rwm is bepaald dat een wapen zodanig verpakt dient te zijn dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend en in artikel 1.3.1 van de Cwm 2019 is bepaald dat het wapen tijdens vervoer deugdelijk verpakt dient te zijn.
1.1. De minister heeft verschillende redenen genoemd waarom het vervoeren van het wapen in de binnenzak van een jas niet voldoet aan het vereiste van een deugdelijke verpakking. Deze wijze van vervoer leidt ertoe dat het wapen te snel gebruiksklaar is te maken. Een binnenzak heeft namelijk geen beveiligd sluitsysteem. Bovendien is een jas een kledingstuk wat niet is ontworpen om een wapen op zijn plaats te houden. Het wapen kan daarom ook gevoeld of gezien worden in het openbaar verkeer. Dit leidt ertoe dat het wapen te makkelijk in een emotionele opwelling kan worden gegrepen, dat er onvoldoende bescherming is tegen de toegang van een kwaadwillende derde en dat bij het waarnemen van de vorm van het wapen de openbare orde en veiligheid verstoord kunnen worden, zo betoogt de minister. De vraag of een tas met één rits, zoals de rechtbank lijkt te hebben overwogen, wel een deugdelijke verpakking in de zin van artikel 1.3.1 van de Cwm 2019 vormt is hierbij niet relevant, omdat er in dit geval geen sprake was van het vervoeren op die wijze en die vraag dus niet aan de orde is.
1.2. De Afdeling volgt het vorenstaande betoog van de minister en is van oordeel dat met het vervoer van het wapen in de binnenzak van een kledingstuk niet gewaarborgd is dat het wapen niet voor onmiddellijk gebruik geschikt is.
2. Dit betekent dat het hoger beroep van de minister slaagt. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
3. De Afdeling beoordeelt het beroep. Uit wat hiervoor is overwogen over het vervoeren van het wapen in een kledingstuk volgt dat het beroep ongegrond is.
4. Proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
314-1199