202501184/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2025 in zaak nr. 23/5776 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid (de stichting).
Procesverloop
Bij brief van 30 juni 2023 heeft de stichting aan [appellante] onder meer medegedeeld dat het maatregelen jegens haar heeft genomen.
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft de stichting het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 7 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Kaya, advocaat in Enschede, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. S. Beckers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] was van 19 december 2013 tot 16 december 2021 bewindvoerder van [naam dochter], haar dochter, en in die hoedanigheid de contactpersoon voor de stichting ten aanzien van het persoonsgebonden budget dat haar dochter op grond van de Wet langdurige zorg ontving.
2. De stichting heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van het over de periode van 1 januari 2018 tot 1 mei 2021 verstrekte persoonsgebonden budget. In de brief van 30 juni 2023 heeft de stichting mededeling gedaan van haar bevindingen. In de brief is de conclusie getrokken dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. Verder is in de brief mededeling gedaan van twee maatregelen - het opnemen van haar (persoons)gegevens in zowel het incidentenregister van de stichting als het Extern Verwijzingsregister - die jegens [appellante] zijn genomen.
3. Aan het besluit van 18 juli 2023 heeft de stichting ten grondslag gelegd dat de brief van 30 juni 2023 geen besluit is, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat daartegen geen bezwaar openstaat.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat de maatregelen die in de brief zijn opgenomen niet te beschouwen zijn als een publiekrechtelijke rechtshandeling, omdat het niet gaat om rechtshandelingen van de stichting, waarvan de bevoegdheid daarvoor is ontleend aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. De registratie van de persoonsgegevens van [appellante] vindt plaats op grond van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële instellingen. Dit is een voor financiële instellingen vastgelegd protocol dat is goedgekeurd door de Autoriteit Persoonsgegevens en waarvoor de deelnemende instellingen over een vergunning beschikken. Gelet hierop, is de brief van 30 juni 2023 niet gericht op een (publiekrechtelijk) rechtsgevolg, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij hierover ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De stichting hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. de Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
452-1190