202505669/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Rhoon, gemeente Albrandswaard,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2025 in zaak nr. 25/2618 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft het college, voor zover hier van belang, een bushalte ingesteld op de Binnenbaan ter hoogte van de kruising met de Ghijseland en bepaald dat deze maatregel ingaat vanaf het moment dat de bebording en markering zijn aangebracht.
Bij besluit van 12 februari 2025 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellant A] is verschenen.
Overwegingen
1. Aan het besluit van 12 januari 2025 heeft het college ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. In deze zaak is in geschil of het college zich in dat besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Inleiding
2. [appellanten] wonen in de woning aan de [locatie] (de woning). De woning ligt in de buurt van de Binnenbaan. [appellanten] hebben kennisgenomen van de publicatie van het verkeersbesluit nadat zij een melding kregen via Overheid.nl over de plaatsing van bushaltes op de Binnenbaan ter hoogte van de kruising van de Ghijseland.
3. De bushalte is aanvankelijk, op 6 januari 2025, ter hoogte van de woning aan de Binnenbaan met huisnummer 13 aangelegd (de vorige locatie). Nadat de bushalte op 16 januari 2025 werd verplaatst naar de huidige locatie, hebben [appellanten] onderzoek naar het verkeersbesluit gedaan en, bij brief van 18 januari 2025, alsnog daartegen bezwaar gemaakt. [appellanten] hebben desgevraagd in een brief van 2 februari 2025 als reden voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift gegeven dat de inhoud van het verkeersbesluit onvoldoende duidelijk en concreet is. Verder hebben zij in die brief gewezen op persoonlijke omstandigheden, zoals een verhuizing, drukke banen en een druk gezinsleven.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd.
4.1. Dat de aanduiding van de locatie van de bushalte in de tekst van het verkeersbesluit duidelijker had gekund, maakt niet, gelet op wat [appellanten] hebben aangevoerd over de melding en het verkeersbesluit, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest. [appellanten] hebben kennis genomen van de melding over het verkeersbesluit via Overheid.nl. Het lag op hun weg om naar aanleiding van de melding onderzoek te doen naar de inhoud van het verkeersbesluit, zeker wanneer zij de melding, wat de locatie van de bushalte betreft, onvoldoende duidelijk vonden. Zij hadden op basis van de melding moeten nagaan wat de beoogde locatie van de bushalte was. Dat zij er destijds van hebben afgezien om kennis te nemen van het verkeersbesluit en, zonder dat dat besluit daar concreet aanleiding toe geeft, hebben aangenomen dat de bushalte op de vorige locatie zou komen, komt voor hun rekening en risico. Wanneer zij onderzoek naar de inhoud van het verkeersbesluit hadden gedaan, hadden zij kennis kunnen nemen van de bij het besluit gevoegde situatietekening, waarop de precieze locatie van de bushalte (voor de woning) is aangegeven. Bovendien hadden zij bij het college navraag kunnen doen naar de specifieke locatie van de bushalte. Dat de bushalte, abusievelijk, feitelijk eerst op de vorige locatie is geplaatst, maakt dit voorgaande niet anders.
4.2. Het college heeft de door [appellanten] gestelde persoonlijke omstandigheden onvoldoende zwaarwegend kunnen achten. [appellanten] hadden op nader aan te voeren gronden bezwaar kunnen maken. Indien zij daartoe zelf, door drukte, niet in staat waren, hadden zij een derde kunnen vragen om dit voor hen te doen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college heeft kunnen beslissen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en het bezwaar niet-ontvankelijk is. De Afdeling zal hierna eerst het toetsingskader weergeven en vervolgens ingaan op de gronden die [appellanten] tegen het oordeel van de rechtbank aanvoeren.
6. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht is een termijnoverschrijding verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift of beroepschrift in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd (uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.1).
7. [appellanten] betogen dat zij na ontvangst van de melding via Overheid.nl weliswaar via de hyperlink in de melding kennis hebben genomen van het besluit, maar dat de locatie van de bushalte daarin onvoldoende duidelijk was. Op basis van de tekst van het besluit was ook een andere locatie - bij de andere kruising van de Binnenbaan met het Ghijseland - mogelijk. Verder is het onjuist dat de locatietekening op alle hardware zonder meer zichtbaar is. Als de hyperlink via een mobiel apparaat, zoals een telefoon of een tablet, wordt gebruikt, wordt in de regel de mobiele versie van de website geladen. Die versie geeft hyperlinks veelal niet in het oog springend zichtbaar weer. In het besluit is niet verwezen naar de situatietekening. De kans dat [appellanten] via een mobiel apparaat van het besluit zouden kennisnemen, was vele malen groter dan dat zij het besluit via een laptop of desktop computer zouden openen, omdat zij privé e-mail meestal mobiel openen. De duidelijkheid die de rechtbank in de uitspraak pretendeert is niet per se als dusdanig aanwezig, terwijl die duidelijkheid wel van overheidsorganen mag worden verwacht, aldus [appellanten].
7.1. Wat [appellanten] aanvoeren over de onduidelijkheid van (de melding van) het verkeersbesluit over de locatie van de bushalte, komt neer op een herhaling van wat zij ook in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze gronden ingegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte slechts een overweging heeft gewijd aan de vraag of zij ondanks hun persoonlijke omstandigheden feitelijk, beknopt of op nader aan te voeren gronden, bezwaar konden maken. Zij doen een beroep op rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
8.1. De bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in de uitspraak van het CBb, gaan over uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden die het tijdig indienen van een bezwaarschrift feitelijk onmogelijk maken, zoals een ernstige acute ziekte of een natuurramp. De door [appellanten] aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn niet als zodanig aan te merken, omdat deze omstandigheden de reguliere levenssfeer betreffen en, zoals de rechtbank heeft overwogen, het indienen van een bezwaarschrift niet onmogelijk maakten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. de Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
452-1190