202504515/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2025 in zaak nr. 24/3831 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een privaatrechtelijke geldschuld van [appellant] deels overgenomen en zijn aanvraag om overname van geldschulden voor het overige afgewezen.
Bij besluit van 19 augustus 2024 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en een deel van de overige geldschulden alsnog overgenomen.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.L. Thiescheffer, advocaat in Leeuwarden, en vergezeld door [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De ex-partner van [appellant] is als gedupeerde van de toeslagenaffaire aangemerkt. In zijn hoedanigheid van ex-partner heeft [appellant] in het kader van overname van private schulden op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) op 15 november 2023 een schuldenlijst ingediend, waaronder een openstaande privaatrechtelijke schuld bij Herder Verhuur van € 86.205,14.
2. Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen die schuld voor een bedrag van € 27.206,13 overgenomen en de aanvraag om overname voor het resterende deel afgewezen, omdat dat deel van de schuld na 31 mei 2021 is ontstaan of opeisbaar is geworden, waardoor niet aan de vereisten voor overname in artikel 4.1 van de Wht is voldaan. Bij besluit van 19 augustus 2024 heeft de minister een schuld bij een andere schuldeiser alsnog overgenomen, maar de afwijzing van de aanvraag om overname van het resterende deel van de schuld bij Herder Verhuur gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft overwogen dat het gedeelte van de schuld bij Herder Verhuur dat de minister niet heeft overgenomen, verband houdt met huurachterstanden die zijn ontstaan en pas opeisbaar zijn geworden na 31 mei 2021. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat dit deel van de schuld niet voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid in artikel 4.1 van de Wht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen, omdat [appellant] het beroep op de hardheidsclausule niet met stukken heeft onderbouwd.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het overige deel van de geldschuld bij Herder Verhuur niet hoeft over te nemen. De vordering vindt namelijk haar oorsprong in een huurovereenkomst die vóór 1 juni 2021 tot stand is gekomen.
Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de minister geen aanleiding bestond de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 9.1 van de Wht, toe te passen. Uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat zijn huidige situatie door zijn hoge schulden, zijn ernstige medische omstandigheden en andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden zó schrijnend is, dat hij, in strijd met de bedoeling van de Wht, geen nieuwe start kan maken.
4.1. Voor zover het hoger beroep van [appellant] ziet op het al dan niet voldoen aan de voorwaarde van opeisbaarheid in de zin van artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht, is deze grond een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 en 4.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.2. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3), kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijnende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
4.4. [appellant] heeft in hoger beroep het beroep op de hardheidsclausule onderbouwd. Vanaf 6 december 2024 is [appellant] onder beschermingsbewind gesteld. In het door zijn bewindvoerder opgestelde schuldenoverzicht van 18 november 2024 staat dat de totale schuldenlast van [appellant] op die datum € 134.101,46 bedroeg. In een brief van 29 juli 2025 heeft de bewindvoerder vermeld dat de bestaande schulden voortvloeien uit de financiële problemen die in de periode van de toeslagenaffaire zijn ontstaan, door terugvorderingen, verrekeningen en beslagleggingen, terwijl er wel kosten voor kinderopvang waren. Volgens een brief van februari 2026 van de bewindvoerder is het ondernemerschap van [appellant] een complicerende factor voor beschermingsbewind. Het ondernemerschap was voor [appellant] echter de enige manier om zelf in inkomen te kunnen voorzien. Het ondernemerschap in combinatie met een bijstandsuitkering is een zeer lastige combinatie, waardoor [appellant] heel erg lang verstoken is gebleven van een bijstandsuitkering, aldus de bewindvoerder in die brief. Er werd beslag gelegd op zijn bankrekening en lopende toeslagen, waardoor de financiële situatie verder verslechterde. Nadat de bewindvoerder de schulden in kaart had gebracht en een deel werd afbetaald en een aantal vaste lasten werden voldaan, groeide de lijst van overgebleven schulden toch aan. Het meest recente schuldenoverzicht van de bewindvoerder van 19 februari 2026 laat zien dat de totale schuldenlast van [appellant] inmiddels verder is opgelopen. Een aanzienlijk deel daarvan bestaat uit huurschulden aan Herder Verhuur. Daarnaast zijn er onder meer hoge schulden aan de Belastingdienst, de gemeente in verband met gemeentelijke belastingen, de zorgverzekeraar, een professionele kredietverstrekker en de energieleverancier en heeft [appellant] ook persoonlijke leningen afgesloten.
In de uitgebreide brief van februari 2026 heeft de bewindvoerder toegelicht dat in 2024 al een schrijnende situatie bestond en dat die situatie inmiddels is verergerd en om verschillende redenen uitzonderlijk is. De bewindvoerder vermeldt dat er door verschillende schuldeisers beslag is gelegd op de bankrekening, dat geen rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet, dat er schulden worden geïnd door middel van loonbeslag op de bijstandsuitkering, dat [appellant] voor de zorgverzekering in de wanbetalersregeling zit waardoor de premie hoger is en aanvullende verzekering niet mogelijk is, dat schulden oplopen omdat die met aanmanings- en incassokosten worden verhoogd, dat het door zijn medische situatie niet realistisch is dat hij in loondienst kan werken of zijn onderneming kan oppakken en daarom niet in eigen inkomen kan voorzien, en dat zijn woonlasten te hoog zijn. Ook zijn er extra kosten voor hem geweest vanwege een orgaantransplantatie bij de moeder van zijn kinderen.
4.5. Als gevolg van de bovenstaande problematiek wonen de minderjarige kinderen van [appellant] niet langer bij hem, maar bij zijn ex‑partner. Volgens [appellant] heeft zijn ex-partner echter ook een slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid, waardoor zij niet altijd in staat is voor de kinderen te zorgen. Op de zitting heeft [appellant] laten weten dat niet alleen voor hemzelf ontruiming dreigt, maar dat ook zijn ex-partner binnen een half jaar uit haar huis zal worden gezet, zodat de kinderen geen huis meer hebben.
4.6. Op de zitting heeft de minister erkend dat sprake is van financiële nood en dat de situatie van [appellant] schrijnend is, met name volgens de minister wegens de dreigende ontruiming op korte termijn. De minister ziet hierin echter geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat de ontruiming nog niet is aangezegd en dus niet duidelijk is wanneer de ontruiming precies zal plaatsvinden. Ook zal overname van de schuld bij Herder Verhuur, zoals die was ingediend, niet tot oplossing van de schrijnende situatie leiden, omdat onduidelijk is of daarmee de ontruiming wordt voorkomen. Daarvoor zijn volgens de minister de schulden van [appellant] te hoog.
4.7. Uit de gegeven toelichting, de brieven van de bewindvoerder van 29 juli 2025 en van februari 2026 en de onderliggende onderbouwende stukken, bestaande uit onder meer schuldenoverzichten, sommaties en incassomaatregelen van verschillende schuldeisers, stukken over derdenbeslag op de uitkering, medische stukken, waaronder een brief van een GZ-psycholoog van 19 januari 2024, en uit wat op de zitting is besproken, blijkt dat sprake is van een zeer hoge schuldenlast die, ondanks inzet en regie van de bewindvoerder, niet onder controle komt. [appellant] verkeert aldus in serieuze en structurele financiële nood. Ook heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat zijn medische klachten zodanig zijn, dat niet valt te verwachten dat hij binnen afzienbare termijn in staat zal zijn zelf inkomen te genereren om verlichting te kunnen brengen in zijn financiële situatie. Zoals hiervoor is vermeld, erkent de minister de problematische schulden van [appellant] en de algehele schrijnende situatie. De Afdeling volgt de minister niet in zijn standpunt dat in de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Dat ontruiming dreigt, hoeft niet met een ontruimingsbevel te worden geconcretiseerd, omdat het dan namelijk te laat is om ontruiming te voorkomen. Verder is het geen voorwaarde voor de toepassing van de hardheidsclausule dat door overname van de schuld de schrijnende situatie volledig wordt opgelost. Overname van de onderhavige schuld leidt tot een aanzienlijke vermindering van de schuldenlast en daarmee tot een substantiële verlichting in de schrijnende financiële situatie van [appellant].
4.8. De rechtbank heeft daarom, gelet op de in hoger beroep alsnog aangeleverde onderbouwing, ten onrechte geoordeeld dat voor de minister geen aanleiding bestond de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht, toe te passen.
Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2024 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover de afwijzing van de aanvraag om overname van het resterende deel van de schuld bij Herder Verhuur daarbij is gehandhaafd, wegens schending van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht vernietigen.
6. Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het resterende gedeelte van de ingediende schuld bij Herder Verhuur € 39.877,07 bedraagt. De Afdeling zal daarom zelf in de zaak voorzien. Zij zal het besluit van 3 januari 2024, voor zover daarbij overname van dat resterende gedeelte is geweigerd, herroepen en bepalen dat de minister dat gedeelte ter waarde van € 39.877,07 overneemt. De Afdeling zal eveneens bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 19 augustus 2024.
7. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2025 in zaak nr. 24/3831;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Financiën van 19 augustus 2024, voor zover daarbij is geweigerd het resterende gedeelte van de schuld van [appellant] bij Herder Verhuur over te nemen;
V. herroept het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 3 januari 2024, voor zover daarbij is geweigerd dat gedeelte van die schuld over te nemen;
VI. bepaalt dat de minister het resterende gedeelte van de ingediende schuld van [appellant] bij Herder Verhuur ter waarde van € 39.877,07 overneemt;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van de minister van Financiën van 19 augustus 2024;
VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 194,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
488-1197