ECLI:NL:RVS:2026:2736

ECLI:NL:RVS:2026:2736

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 202503878/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Op 21 februari 2024 heeft een ambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn telefonisch medegedeeld dat [appellant] niet zal worden opgenomen in de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders van die gemeente en hem geen passende woning zal worden aangeboden. [appellant] heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft [appellant] bij het college aangemeld voor huisvesting.

Uitspraak

202503878/1/A2.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Alphen aan den Rijn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2025 in zaak nr. 24/5187 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Op 21 februari 2024 heeft een ambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn telefonisch medegedeeld dat [appellant] niet zal worden opgenomen in de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders van die gemeente en hem geen passende woning zal worden aangeboden.

[appellant] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op het door hem daartegen gemaakte bezwaar.

Bij besluit van 2 juli 2024 heeft het college het door [appellant] tegen de mededeling van 21 februari 2024 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. [appellant] heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft [appellant] bij het college aangemeld voor huisvesting.

2. In een telefoongesprek van 21 februari 2024 met de gemachtigde van [appellant] heeft een ambtenaar van de gemeente medegedeeld dat [appellant] niet wordt opgenomen in de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders en hem geen passende woning wordt aangeboden, omdat hij op grond van een eerdere verblijfstitel hierop al aanspraak had kunnen maken. Bij het besluit van 2 juli 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard. De telefonische mededeling kan volgens het college niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en ook niet als een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met een besluit gelijk gesteld moet worden.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond heeft verklaard.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wetgever, blijkens de wetgeschiedenis, met artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 heeft beoogd de toegang tot de bestuursrechter uit te breiden voor rechtens relevante handelingen tegen een vreemdeling als zodanig. Dit geval valt hier niet onder, omdat het gaat om een feitelijke handeling in het kader van de Huisvestingswet en niet om een handeling in verband met een vreemdelingenrechtelijke procedure.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het weigeren om hem op te nemen in de taakstelling en hem geen passende woonruimte aan te bieden geen rechtens relevante handeling is die hem raakt in zijn hoedanigheid als vreemdeling. Voor de vraag of sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is van belang of de handeling concrete rechtsgevolgen heeft voor zijn rechtspositie als vreemdeling en hem in die hoedanigheid raakt. De opname van een vergunninghouder in de taakstelling van een gemeente heeft het rechtsgevolg dat de gemeente gehouden is passende woonruimte aan hem aan te bieden. Deze verplichting geldt uitsluitend bij vreemdelingen. Het zijn van vreemdeling is in dit geval dus rechtens relevant. Het aanbieden van passende woonruimte heeft ook feitelijke gevolgen voor zijn integratie in de Nederlandse maatschappij. Verder volgt volgens [appellant] uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1783) dat er ook sprake kan zijn van een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 als een bestuursorgaan niet handelt binnen een vreemdelingenrechtelijk wettelijk kader.

5.1. Artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 luidt:

"Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 14, tweede lid."

5.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:982), staat tegen een feitelijke handeling op grond van de Huisvestingswet, dan wel het nalaten daarvan, geen beroep open bij de bestuursrechter. Over het betoog dat op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw in dit geval wel beroep openstaat bij de bestuursrechter, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 71) volgt dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van een vreemdeling in het kader van de Vw 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. Hiermee heeft de wetgever willen voorkomen dat twee verschillende rechters, namelijk de bestuursrechter en de civiele rechter, oordelen over geschillen in het kader van de Vw 2000. Artikel 72 van de Vw 2000 heeft daarom als doel dat een vreemdeling niet alleen beroep kan instellen tegen hem als zodanig gegeven besluiten, maar ook tegen door een bestuursorgaan tegen hem als zodanig verrichte, rechtens relevante feitelijke handelingen. De reikwijdte van deze bepaling is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis beperkt tot feitelijke handelingen verricht ter uitvoering van de Vw 2000. Tegen feitelijke handelingen van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die verricht zijn ter uitvoering van een andere wet staat om die reden geen beroep open bij de bestuursrechter.

5.3. Dat de Afdeling in de uitspraak van 29 juni 2016, waar [appellant] naar verwijst, een feitelijke handeling die niet is gebaseerd op de Vw 2000, als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van die wet heeft aangemerkt, maakt dit niet anders. Daartoe is van belang dat die uitspraak gaat over een reactie op een verzoek tot het verstrekken van voorzieningen aan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, die weliswaar niet waren gebaseerd op een wettelijke regeling, maar waarvoor het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam buitenwettelijk begunstigend beleid voerde, naast de opvang waarop op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 voor hen aanspraak bestond. De feitelijke handeling was in dat geval dus uitgevoerd in de sfeer van het vreemdelingenrecht, terwijl het aanbieden van woonruimte op grond van de Huisvestingswet niet als zodanig kan worden aangemerkt.

5.4. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring door het college van het door [appellant] tegen de mededeling van 21 februari 2024 gemaakte bezwaar terecht in stand gelaten.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

809

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.A. Komduur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand