202503305/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Barneveld,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 april 2025 in zaak nr. 23/2375 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Barneveld.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft de burgemeester een machtiging verleend aan een toezichthouder van de Omgevingsdienst de Vallei (hierna: de omgevingsdienst) om zonder de toestemming van [appellant] binnen te treden in haar woning.
Bij besluit van 14 maart 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Pieterse, advocaat in Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] huurt een woning aan de [locatie] in Barneveld van Woningstichting Barneveld (hierna: de woningstichting). Op 8 september 2022 heeft [appellant] het politiebureau bezocht, omdat zij aangifte wilde doen tegen een medewerker van de woningstichting. Tijdens dit bezoek had [appellant] een tas met buizen en leidingen bij zich. Zij heeft toen uitgelegd dat ze deze buizen en leidingen uit haar woning heeft gehaald, omdat deze volgens haar overlast veroorzaakten. De politie heeft van deze buizen en leidingen een foto gemaakt en zorgen geuit over de gevaarlijke situatie die daardoor kan ontstaan.
1.1. De politie heeft de foto voorgelegd aan de woningstichting. De woningstichting heeft twee keer geprobeerd om met [appellant] een afspraak te maken voor een controle in de woning. Het is de woningstichting niet gelukt om een afspraak met [appellant] te krijgen.
1.2. Op 4 oktober 2022 heeft de woningstichting door de brievenbus van de woning van [appellant] een koolmonoxide- en gasmeting laten uitvoeren. Er is toen geen koolmonoxide of gas gemeten.
1.3. Op of omstreeks 6 oktober 2022 heeft de woningstichting de foto van de buizen en leidingen laten beoordelen door de installateur. De installateur heeft geadviseerd om de gas-, CV- en waterleidingen te controleren, omdat er iets is gebeurd wat een groot gevaar kan opleveren voor de buurt.
1.4. Op 11 oktober 2022 heeft de burgemeester een machtiging tot binnentreden van de woning van [appellant] afgegeven aan een toezichthouder van de omgevingsdienst en aan de bijzondere opsporingsambtenaren of ambtenaren van de politie die hem vergezellen.
1.5. Op 13 oktober 2022 is de toezichthouder samen met de installateur en de politie naar de woning van [appellant] gegaan. De bevindingen van het binnentreden en het onderzoek in de woning zijn op diezelfde dag vastgelegd in een verslag. Daarin staat dat de toezichthouder bij de woning heeft aangebeld en op de deur heeft geklopt. [appellant] heeft gevraagd wie er aan de deur stond, maar zij heeft daarbij de deur van de woning niet geopend. De toezichthouder heeft kenbaar gemaakt de woning te willen controleren voor haar veiligheid en die van de omgeving, omdat zij een melding bij de politie heeft gemaakt van een gevaarlijke situatie in de woning. Daarop heeft [appellant] niet gereageerd. Vervolgens heeft de politie [appellant] laten weten dat de toezichthouder de woning komt controleren en medegedeeld dat als zij geen medewerking verleent de toezichthouder gemachtigd is de woning te betreden. [appellant] heeft ook daarop niet gereageerd en heeft de woning via de achterzijde verlaten. De woning is vervolgens met de hulp van een slotenmaker betreden. De installateur heeft de installaties van de woning gecontroleerd en heeft daarbij geen bijzonderheden of een onveilige situatie geconstateerd.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de machtiging tot binnentreden van de woning van [appellant] op goede gronden heeft verleend.
2.1. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat artikel 1a en artikel 1b van de Woningwet ten tijde van belang een grondslag hebben kunnen vormen voor het verlenen van de machtiging. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 1a van de Woningwet een zorgplicht bevat voor de veiligheid en gezondheid als gevolg van de staat van een bouwwerk, open erf of terrein en artikel 1b van de Woningwet een verbod om in afwijking van bouwtechnische bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 te handelen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verwijderde buizen en leidingen die [appellant] met haar bezoek op het politiebureau bij zich had en de beoordeling van de installateur dat een gevaarlijke situatie niet kon worden uitgesloten de aanleiding voor het verlenen van een machtiging vormden. Op het moment waarop de machtiging verleend werd, stond namelijk nog niet vast of er daadwerkelijk sprake was van een gevaarlijke situatie en of specifieke bouwtechnische bepalingen overtreden waren. Dat kon tijdens de controle pas worden vastgesteld. Om die reden had de burgemeester in de machtiging geen specifiekere bepalingen hoeven te noemen, aldus de rechtbank.
2.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de machtiging kan worden afgeleid dat het doel van het binnentreden is gelegen in het controleren van de bebouwing in verband met mogelijk gevaar of hinder, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid op basis waarvan een mogelijke gevaarlijke situatie werd aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester dit motiveringsgebrek echter in bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht mogen passeren, omdat is gebleken dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de toezichthouder voor het binnentreden de aanleiding van het binnentreden duidelijk heeft gemaakt en dat de woningstichting twee keer heeft geprobeerd om met [appellant] een afspraak te maken voor een controle in de woning. Gelet hierop had [appellant] kunnen weten wat de aanleiding was voor de controle in haar woning en het binnentreden.
2.3. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat er een noodzaak bestond voor de controle en dat het verlenen van de machtiging tot binnentreden proportioneel was. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat het binnentreden van de woning een zeer ingrijpend middel is dat alleen kan worden ingezet als het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en het voor de bevestiging van dit vermoeden redelijkerwijs noodzakelijk is dat de toegang wordt verkregen tot die woning, omdat er geen minder ingrijpende middelen aanwezig zijn.
2.3.1. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het niet aannemelijk is dat de burgemeester eerder op de hoogte was van de verwijderde buizen en leidingen. Uit door [appellant] overgelegde brief van 13 februari 2020 blijkt slechts zij toestemming van de woningstichting heeft gekregen om een ijzeren pijp, die niet meer in gebruik was en tegen een andere buis aan zat, te verwijderen. Uit de door [appellant] aangeleverde mailwisselingen blijkt dat zij meermaals haar ongenoegen heeft geuit tegen de woningstichting over de installaties in haar woning. Uit het bovenstaande volgt volgens de rechtbank niet dat zij toestemming had meerderde buizen en leidingen te verwijderen. De aanwezigheid van deze buizen en leidingen tijdens het bezoek op het politiebureau was voor de burgemeester juist de aanleiding voor de controle en het binnentreden.
2.3.2. De rechtbank heeft voor het oordeel dat de controle noodzakelijk was verder overwogen dat met de beoordeling van de installateur voldoende vast staat dat sprake was van een vermoedelijke, gevaarlijke situatie. De installateur is namelijk tot de conclusie gekomen dat er iets is gebeurd wat een groot gevaar kan opleveren voor de buurt en adviseert daarom om de gas-, CV- en waterleidingen te controleren. Dat er op 4 oktober 2022 geen koolmonoxide of gas is gemeten, verandert dit niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester hierover terecht opgemerkt dat dit geen uitsluitsel geeft over de veiligheid van de installaties in de woning van [appellant].
2.3.3. De rechtbank heeft overwogen dat het verlenen van de machtiging proportioneel was, omdat twee keer eerder is geprobeerd om een controle uit te voeren bij de woning van [appellant]. Er is om een machtiging verzocht, omdat het niet lukte om op korte termijn een controle uit te voeren. De rechtbank heeft verder van belang geacht dat [appellant] op 13 oktober 2022 niet aan de controle heeft meegewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank had [appellant] eerder bij de woningstichting moeten aangeven dat zij een nieuwe afspraak wenste te maken voor een controle. Verder is de burgemeester pas op 10 oktober 2022 ingelicht over de mogelijke onveilige situatie in de woning van [appellant] waarop hij de machtiging heeft verleend. Dat de politie eerder om een machtiging heeft verzocht, verandert dit oordeel van de rechtbank daarom niet.
2.4. Bovendien ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals [appellant] heeft betoogd, de burgemeester de machtiging op oneigenlijke gronden heeft afgegeven en in strijd heeft gehandeld met het verbod op détournement de pouvoir. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voldoende vast staat dat er sprake was van een vermoedelijke, gevaarlijke situatie en dat deze is ontstaan vanwege de omstandigheid dat [appellant] de buizen en leidingen mee had tijdens haar bezoek aan het politie bureau en voldoende concreet was nadat de installateur de foto van de buizen en leidingen had beoordeeld. In een multidisciplinair overleg en in een e-mailwisseling zijn volgens de burgemeester klachten van buren over overlast besproken, maar daarin is besproken hoe in het belang van [appellant] en anderen iets aan deze problematiek kan worden gedaan. Op het moment dat de vermoedelijke, gevaarlijke situatie vaststond kon een machtiging tot binnentreden worden afgegeven, aldus de rechtbank.
2.5. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de burgemeester in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld of [appellant] in haar belangen is geschaad, omdat [appellant] heeft betoogd dat zij het verweerschrift in bezwaar niet heeft ontvangen en niet in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. De rechtbank heeft uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar afgeleid dat de secretaris van de bezwaarschriftencommissie het verweerschrift op 19 januari 2023 naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde van [appellant] heeft gezonden. De gemachtigde heeft aangegeven het verweerschrift niet te hebben ontvangen. Het verweerschrift is tijdens de hoorzitting wel aan bod gekomen, maar de leden van de bezwaarschriftencommissie hebben aangegeven dat het verweerschrift geen nieuwe elementen bevat en dat het om die reden niet aannemelijk is dat [appellant] in haar belangen is geschaad. Tijdens de hoorzitting is afgesproken dat het verweerschrift opnieuw naar de gemachtigde zou worden toegezonden en dat [appellant] en haar gemachtigde in de gelegenheid zouden worden gesteld hierop te reageren. Het staat vast dat de gemachtigde het verweerschrift heeft ontvangen, maar zowel de gemachtigde als [appellant] heeft hierop geen inhoudelijke reactie gegeven. Gelet op deze gang van zaken kan het betoog van [appellant] naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de machtiging tot binnentreden onvoldoende is gemotiveerd, omdat op basis van het fotomateriaal niet duidelijk is welke specifieke bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 door haar zouden zijn overtreden en deze in de machtiging vermeld hadden moeten worden in plaats van artikel 1a en artikel 1b van de Woningwet.
3.1. Verder had volgens [appellant] in de machtiging duidelijk moeten staan waarom volgens de burgemeester sprake zou zijn van een onveilige situatie in haar woning en had de burgemeester dit niet achteraf aan het besluit ten grondslag mogen leggen.
3.2. [appellant] betoogt ook dat er geen noodzaak voor de controle was en dat de burgemeester met het verlenen van de machtiging disproportioneel gehandeld heeft. Zij voert daarvoor aan dat de burgemeester al langere tijd op de hoogte moet zijn geweest van de situatie. Zij heeft namelijk toestemming van de woningstichting gekregen om een buis weg te zagen. Dit heeft zij in september 2021 met de burgemeester gedeeld. Volgens [appellant] wilde zij bovendien een nieuwe afspraak voor een controle maken op voorwaarde dat een onafhankelijke expert het onderzoek zou verrichten. Verder kon de installateur volgens haar op basis van de foto niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er enig gevaar bestond en is uit de koolmonoxide- en gasmeting gevolgd dat er geen sprake is van gevaar. Daarbij komt, zo heeft [appellant] op zitting toegelicht, dat de installateur wegens een eerdere renovatie had kunnen weten dat het ging om pijpen en leidingen die niet meer in gebruik waren. Volgens [appellant] was zij vanwege haar technische kennis ook in staat de pijpen en leidingen veilig te verwijderen, waardoor geen sprake was van gevaar voor haar of de omgeving.
3.3. Volgens [appellant] is de machtiging om andere redenen afgegeven, namelijk om inzage in de woning te verkrijgen met het doel haar uit de woning te kunnen zetten. Dat volgt uit het fotomateriaal dat de burgemeester bij zijn brief van 16 november 2022 aan haar heeft verstrekt. Daarop zijn volgens haar alleen privéspullen van [appellant] zichtbaar. [appellant] heeft voor haar betoog ook e-mailcorrespondentie aangeleverd, waaruit volgens haar volgt dat de gemeente bezig is met dossieropbouw over haar, dat de politie bezig is ‘iets te verzinnen’ en dat een eerdere machtiging niet is afgegeven.
3.4. Tot slot betoogt [appellant] dat de burgemeester in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld en zij hierdoor in haar belangen is geschaad. Haar gemachtigde heeft op de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat hij het verweerschrift van de burgemeester niet heeft ontvangen. Ondanks dat er gelegenheid is geboden om na de hoorzitting aanvullend te reageren, heeft de bezwaarschriftencommissie al op 8 maart 2023 een advies uitgebracht. [appellant] heeft daarom haar reactie op dit verweerschrift pas in de beroepsprocedure naar voren kunnen brengen.
Beoordeling in hoger beroep
4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de eerdere toestemming van de woningstichting om één buis te verwijderen niet volgt dat [appellant] toestemming had om meerdere buizen en leidingen te verwijderen. De aanleiding voor de machtiging tot binnentreden is gelegen in het bezoek van [appellant] aan het politiebureau met diverse buizen en leidingen. De gas- en koolmonoxidemeting heeft geen uitsluitsel gegeven over de aanwezigheid van een mogelijk gevaar en de installateur heeft op basis van een foto van de buizen en leidingen die [appellant] had meegenomen naar het politiebureau geconcludeerd dat een gevaarlijke situatie niet is uitgesloten en heeft geadviseerd de woning te controleren. Het is ook niet in geschil dat de woningstichting al eerder verschillende keren met [appellant] geprobeerd heeft om op korte termijn een afspraak voor een controle in te plannen, maar dat dat niet gelukt is. Gelet op deze achtergrond heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geconcludeerd dat de burgemeester de machtiging tot binnentreden op goede gronden heeft verleend. De rechtbank heeft daarbij over de gronden in beroep een uitgebreid en gemotiveerd oordeel gegeven, zoals weergegeven onder 2 tot en met 2.5. De Afdeling onderschrijft dat oordeel. De gronden in hoger beroep, die vrijwel gelijkluidend zijn aan de gronden in beroep, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. [appellant] heeft niet onderbouwd dat de installateur, puur op basis van de foto en zonder fysieke controle, met zekerheid had moeten vaststellen dat er geen gevaarlijke situatie was. Bovendien doet dit er niet aan af dat de burgemeester in beginsel kon uitgaan van dit advies én, ook op basis van de verdere omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, goede gronden had om over te gaan tot een machtiging tot binnentreden om een mogelijk gevaarlijke situatie uit te sluiten. Dat [appellant] zelf een technische achtergrond heeft, maakt niet dat zij niet mee hoefde te werken aan eerdere pogingen om de installatie te controleren. De situatie was zodanig dat een controle gerechtvaardigd was. Van een oneigenlijk doel, zoals meermaals door [appellant] benadrukt, is de Afdeling niet gebleken.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
802-1171