202503084/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/9731 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2024 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd.
Bij besluit van 13 november 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellant], vergezeld door zijn echtgenote, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S. Sheikchote, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Volgens een mutatierapport van 8 juli 2024 is [appellant] op 4 juli 2024 op de Nieuwe Gouwe O.Z. in Gouda door rood gereden. Daarbij is hij bijna in aanrijding gekomen met verkeer dat van links kwam, waarna hij vervolgens op zijn rijstrook de weg heeft vervolgd. Nadat de politie een stopteken had gegeven, is [appellant] op de weg stil blijven staan.
2. De politie heeft op 8 juli 2024, met verwijzing naar het mutatierapport, aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Naar aanleiding daarvan heeft het CBR aan [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd. Het CBR heeft daarvoor in de besluiten en het verweerschrift in beroep verwezen naar artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 en artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). Volgens het CBR berust het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid op twijfels over de bedrevenheid van [appellant] in het deelnemen aan het verkeer en meer specifiek over zijn kijkgedrag. Of en in hoeverre het zicht van [appellant] belemmerd werd door een bus maakt dat niet anders. Van rijbewijshouders mag volgens het CBR worden verwacht dat zij op dit soort omstandigheden anticiperen. Het CBR heeft daarnaast de betreffende verbalisant gevraagd een nadere reactie te geven op de verklaringen in het beroep van [appellant] over wat er volgens hem die dag is voorgevallen. De verbalisant heeft daarop gereageerd in lijn met wat in het mutatierapport staat.
Beoordeling van het hoger beroep
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de rechtbank hierbij terecht heeft verwezen naar de uitspraak van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3832, onder 3.1, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat een vermoeden van ongeschiktheid kan worden gebaseerd op een mutatierapport. De enkele stelling van [appellant] dat wat door de verbalisant in het mutatierapport en de nadere reactie is vastgelegd niet klopt, is onvoldoende om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
154-1189