202502302/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in zaak nr. 24/8216 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 3 september 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.P. Harten, advocaat in Rotterdam, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont, samen met zijn vrouw en minderjarige zoon, in een woning op de tweede verdieping, die uitsluitend bereikbaar is via trappen. In het gebouw is geen lift aanwezig. Vanwege verscheidene fysieke beperkingen (aandoening aan het gehoor- en evenwichtsorgaan, kortademigheid, duizeligheid en ouderdomsklachten) heeft [appellant] moeite met traplopen, waardoor hij weinig buitenshuis komt. Daarom heeft hij op 30 oktober 2023 een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. [appellant] wil graag een woning die zonder trappen, of met een lift, bereikbaar is.
Besluitvorming
2. Naar aanleiding van de aanvraag van [appellant] heeft het college advies gevraagd aan Calder Werkt. Volgens het advies van Calder Werkt van 11 december 2023 is de woonsituatie ernstig, maar niet levensbedreigend of levensontwrichtend. Weliswaar heeft [appellant] conditionele beperkingen, maar deze zijn niet zodanig ernstig, dat hij niet in staat is enige malen per dag een trap op of af te lopen. Wat betreft de evenwichtsproblematiek waarmee [appellant] kampt, wordt opgemerkt dat hij onder begeleiding van zijn vrouw de trap kan gebruiken, om op die manier het valrisico te beperken.
3. Het college heeft het advies van Calder Werkt ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag. Volgens het college levert de huidige woonsituatie van [appellant] geen noodsituatie op die tot het verlenen van een urgentieverklaring moet leiden. Verder heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen en een uitzondering voor [appellant] te maken.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat het college het advies van Calder Werkt aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Daarbij heeft zij van belang geacht dat uit het advies blijkt dat de arts de overgelegde medische stukken heeft bestudeerd, een (hetero)anamnese heeft afgenomen en [appellant] heeft geobserveerd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het advies niet op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Verder was er geen aanleiding om een huisbezoek uit te voeren. Ook is meegewogen dat [appellant] na het onderzoek te kennen heeft gegeven zich te kunnen vinden in de strekking van het besproken advies en dat hij geen rapport van een andere deskundige heeft overlegd.
5. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Daarbij heeft zij van belang geacht dat er in de regio Haaglanden veel woningzoekenden zijn, terwijl het aantal beschikbare sociale huurwoningen zeer beperkt is. Hoewel de situatie voor [appellant] vervelend is en begrijpelijk is dat hij een gelijkvloerse woning wil, is zijn situatie niet schrijnender dan die van anderen in vergelijkbare omstandigheden. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden leiden niet tot onbillijkheden van overwegende aard.
Beoordeling van het hoger beroep
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.1 en 7.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog het volgende toe.
7. Dat [appellant] het met het advies van Calder Werkt niet eens is en kritische kanttekeningen bij de inhoud en conclusies ervan heeft geplaatst, betekent niet dat het door Calder Werkt verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. [appellant] heeft ook in hoger beroep geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht. Verder heeft [appellant], die in het hogerberoepschrift heeft aangekondigd dat hij zo nodig een herkeuring zal aanvragen en medische rapportages van zijn behandelende artsen in het geding zal brengen, geen nieuwe medische stukken overgelegd. Bij deze stand van zaken ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals [appellant] heeft verzocht, zelf een deskundige te benoemen voor het doen van onderzoek.
8. Verder komt aan het gemeentelijk advies van 10 mei 2024, waar [appellant] op de zitting van de Afdeling een beroep op heeft gedaan, niet de betekenis toe die hij daaraan hecht. Dit advies is in het kader van een melding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitgebracht. Bij de toepassing van die wet wordt een ander beoordelingskader gehanteerd dan bij de beoordeling of aanspraak bestaat op een urgentieverklaring. Daarbij wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de belangen van andere woningzoekenden die vaak al zeer lange tijd op een passende woning moeten wachten en wordt er bij de noodzaak om te verhuizen niet onderzocht of sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende situatie die afwijking van het reguliere urgentiekader rechtvaardigt. Dat in het advies is vermeld dat de problemen op het gebied van het bereiken en verlaten van de woning niet binnen het kader van de Wmo zijn op te lossen, [appellant] daarom genoodzaakt is te verhuizen en de bereidheid bestaat om daarvoor een verhuiskostenvergoeding toe te kennen, brengt niet met zich dat het college in de procedure over de urgentieverklaring aanleiding had moeten zien om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de toepasselijke regels. Het advies biedt daarvoor geen toereikende grondslag. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat voor zover sprake is van een verslechtering van de medische situatie, [appellant] een nieuwe aanvraag om urgentie kan indienen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
452-1189