202500540/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Almere,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024 in zaak nr. 23/2052 in het geding tussen:
FEBO Almere Buiten B.V. (hierna: FEBO Almere), gevestigd in Almere,
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 8 september 2022 heeft het college een aan FEBO Almere verleende terrasvergunning en vergunning alcoholvrij bedrijf ingetrokken.
Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het college het door FEBO Almere daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:7009) heeft de rechtbank het door FEBO Almere daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 februari 2023 vernietigd, het besluit van 8 september 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. FEBO Almere heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
FEBO Almere heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft een zienswijze gegeven.
FEBO Almere heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 26 maart 2026 behandeld, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.P. Verbraeken, rechtsbijstandverlener, en FEBO Almere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De bestuurder van FEBO Almere, [gemachtigde], heeft voor een andere onderneming aanvragen ingediend voor een terrasvergunning en een vergunning voor een alcoholvrij bedrijf. Bij die procedure heeft de burgemeester de Wet Bibob toegepast en geweigerd de vergunningen te verlenen. In die procedure (ECLI:NL:RVS:2026:2643) doet de Afdeling vandaag uitspraak. De burgemeester heeft aanleiding gezien om ook in deze procedure de Wet Bibob toe te passen en heeft FEBO Almere daarom gevraagd een Bibob-vragenformulier in te vullen. Aan dat verzoek heeft FEBO Almere geen gehoor gegeven.
2. De burgemeester heeft vervolgens de vergunningen van FEBO Almere ingetrokken. Omdat zij het Bibob-vragenformulier niet heeft ingevuld, bestaat volgens de burgemeester een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daarnaast is de burgemeester van mening dat feiten en omstandigheden erop wijzen dat FEBO Almere in relatie staat tot strafbare feiten. Die strafbare feiten leveren eveneens een ernstig gevaar op dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunningen niet mocht intrekken. Volgens de rechtbank bestaat geen gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak die zij op 6 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1854, heeft gedaan in de andere procedure, omdat de rechtbank in die uitspraak tot het oordeel kwam dat hetzelfde feitencomplex evenmin een ernstig gevaar opleverde dat de vergunningen mede gebruikt zouden worden om strafbare feiten te plegen. Ook is de intrekking van de vergunningen niet evenredig met de mate van het gevaar, omdat het enkel niet invullen van het Bibob-vragenformulier niet in verhouding staat tot de intrekking van de vergunningen.
Wettelijk kader
4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep en incidenteel hoger beroep
5. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard, het besluit van 28 februari 2023 heeft vernietigd en het besluit van 8 september 2022 heeft herroepen. Volgens de burgemeester mag hij de strafbare feiten die [persoon A], [persoon B] en [persoon C] hebben gepleegd, betrekken bij zijn oordeel of sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen. Zij staan namelijk in een zakelijk samenwerkingsverband tot FEBO Almere. Ook mocht hij daarbij betrekken dat het niet invullen van een Bibob-vragenformulier een ernstig gevaar oplevert. Daarbij verwijst de burgemeester naar artikel 4, eerste lid, van de Wet Bibob. De burgemeester betoogt dat hij daarom terecht de vergunningen van FEBO Almere heeft ingetrokken.
5.1. FEBO Almere heeft op 19 december 2025 een brief ingediend met als titel ‘voorwaardelijk incidenteel hoger beroep’. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3482, is voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt, niet bepalend dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, maar is bepalend of het stuk gronden bevat die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. FEBO Almere reageert in de brief van 19 december 2025 op de stellingen van de burgemeester en richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief is dan ook geen incidenteel hogerberoepschrift maar moet in zijn geheel worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting. Dit is ook zo besproken op de zitting. De Afdeling zal dit stuk dan ook op die manier betrekken bij de beoordeling van deze zaak.
Beoordeling
6. De Afdeling stelt voorop dat het niet invullen van een Bibob-vragenformulier op zichzelf genomen een ernstig gevaar oplevert, als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet Bibob. Aan het bewust niet invullen van een Bibob-vragenformulier moet naar het oordeel van de Afdeling een zwaar gewicht worden toegekend.
6.1. Op de zitting heeft FEBO Almere verklaard dat zij het vragenformulier bewust niet heeft ingevuld, omdat zij dat niet nodig vond. Er waren volgens haar geen wijzigingen die een onderzoek rechtvaardigden. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester op juiste gronden de terrasvergunning en de vergunning alcoholvrij bedrijf heeft ingetrokken. Het is immers niet aan FEBO Almere maar aan de burgemeester om te bepalen of een Bibob-onderzoek noodzakelijk is. De intrekking van de vergunningen is naar het oordeel van de Afdeling ook evenredig. FEBO Almere heeft geen omstandigheden kunnen noemen op basis waarvan het redelijkerwijs niet het vragenformulier kon invullen, anders dan dat het invullen daarvan niet nodig zou zijn.
6.2. Het niet invullen van het vragenformulier is in dit geval op zichzelf genomen al voldoende voor de intrekking van de vergunningen. De Afdeling is daarnaast van oordeel dat, gelet op de uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:2643), ook een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De burgemeester heeft in die zaak dezelfde feiten ten grondslag gelegd aan de weigering van de vergunningen als de feiten die de burgemeester aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd in deze zaak.
6.3. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank ten onrechte tot een andere conclusie gekomen. Het betoog van de burgemeester slaagt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024 in zaak nr. 23/2052;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
BIJLAGE
Wet Bibob
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
[…]
b. strafbare feiten te plegen.
[…]
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
[…]
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
[…]
Artikel 4
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7a, derde lid, wordt de weigering van de vergunninghouder, de begunstigde van een andere beschikking, of de subsidie-ontvanger om een formulier als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
[…]
Artikel 7a
1. Indien een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak bevoegd is om advies te vragen aan het Bureau, kan dat orgaan of die rechtspersoon tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid.
[…]
3. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak tevens de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht dan wel de opschorting of ontbinding van een overeenkomst of de beëindiging van een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie.
[…]