202600090/1/A2.
Datum uitspraak: 16 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
en
het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Amsterdam,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 16 januari 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
[appellant sub 1];
[appellant sub 2];
het centraal stembureau, vertegenwoordigd door drs. E.H.G. Schmitz, B.J.L. Kuijer en H.L. Krans;
de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Trouborst en mr. M. Mangert.
Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 29 december 2025, waarbij het verzoek van de politieke organisatie De Groenen (hierna: de vereniging) buiten behandeling is gesteld. De vereniging heeft het centraal stembureau verzocht om de aanduiding ‘De Groenen' in het daartoe door het centraal stembureau bijgehouden register in te schrijven. Met deze aanduiding wil de vereniging worden vermeld op de kandidatenlijst tijdens de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van Amsterdam op 18 maart 2026.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Daartoe overweegt zij het volgende:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in het beroepschrift aangegeven dat zij de partijvoorzitter en penningmeester van de vereniging zijn. In het beroepschrift hebben zij echter nadrukkelijk te kennen gegeven dat zij voor zichzelf beroep hebben ingesteld en niet namens de vereniging.
Uit artikel G 5 van de Kieswet, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb, volgt dat slechts een belanghebbende beroep kan instellen tegen een besluit op een verzoek een aanduiding te registreren als bedoeld in artikel G 3, eerste lid, van de Kieswet. Onder een belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij het buiten behandeling laten van het verzoek om registratie van de aanduiding onderscheidt zich niet van het belang van andere burgers of kiesgerechtigden in de gemeente Amsterdam daarbij. Voor zover hun belangen als bestuursleden van de vereniging wel onderscheidend zijn ten opzichte van die van anderen, is sprake van een van de vereniging afgeleid belang en niet een eigen en rechtstreeks belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Dat zij in het verzoek staan aangewezen als gemachtigden van de vereniging om de aanduiding ‘De Groenen’ boven de kandidatenlijst te plaatsen, maakt dit niet anders. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0688.
Gelet hierop kunnen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb, zodat voor hen in persoon geen beroep openstaat tegen het besluit van het centraal stembureau van 29 december 2025.
Ten overvloede merkt de Afdeling nog het volgende op. Zoals zij in haar uitspraak van 1 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3620) heeft geoordeeld mag het centraal stembureau afgaan op de gegevens van de Kamer van Koophandel in het handelsregister. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren er geen bestuursleden van de vereniging geregistreerd in het handelsregister. De weigering van de Kamer van Koophandel om de bestuursleden van de vereniging te registreren is meermaals door het College van Beroep voor het bedrijfsleven als rechtmatig beoordeeld. Daardoor kon het centraal stembureau niet vaststellen of [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daadwerkelijk het bevoegde bestuur van de politieke groepering vormen. Het centraal stembureau heeft het verzoek om die reden terecht buiten behandeling gesteld.
Het enkele feit dat De Groenen niet met de door haar gewenste aanduiding kan meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen, betekent niet dat er sprake is van schending van artikel 11 van het EVRM. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:261, overweging 7). Voor zover het niet in behandeling nemen van het verzoek een inbreuk op artikel 11 EVRM oplevert, vormt de noodzaak om vast te stellen wie de rechtmatige vertegenwoordiger is van de vereniging een beperking die noodzakelijk en proportioneel is.
Ten slotte merkt de Afdeling op dat de verwijzing van de vereniging naar het arrest van het EHRM van 8 oktober 2009 in de zaak Tebieti Mühafize Cemiyyeti en Israfilov tegen Azerbeidzjan (CE:ECHR:2009:1008JUD003708303) niet opgaat. Die zaak had betrekking op de vraag of een vereniging door de staat mocht worden ontbonden. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
1064