202406281/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2024 in zaak nr. 23/7213 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om hernieuwde afgifte van zijn certificaat als Flight Examiner (FE) afgewezen.
Bij besluit van 28 september 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. G. Fazzi en C. Huisman, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] was in het bezit van een certificaat voor examinator FE, geldig tot 31 juli 2022. Op 5 oktober 2021 heeft hij een aanvraag gedaan voor verlenging (revalidation) van het certificaat. Daartoe heeft op 6 oktober 2022 een zogenoemd ‘Assessment of Competence’ (AoC) plaatsgevonden. [appellant] heeft onder andere het onderdeel theorie niet gehaald en is daarom gezakt voor het AoC.
Op 8 oktober 2022 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag gedaan voor hernieuwde afgifte (renewal) van het certificaat, onder verwijzing naar het eerder gezakt zijn voor het AoC. Op dat moment was de geldigheidsduur van zijn certificaat reeds verlopen. Op 14 december 2022 heeft [appellant] opnieuw een AoC afgelegd. Ook voor dat AoC is hij gezakt. De minister heeft daarop het besluit van 13 maart 2023 genomen. Uit het besluit blijkt dat de minister aan dat besluit de aanvraag van [appellant] van 8 oktober 2022 ten grondslag heeft gelegd.
2. In geschil is of de minister de aanvraag van 8 oktober 2022 aan de hand van de juiste regelgeving heeft beoordeeld.
Wettelijk kader
3. De van toepassing zijnde Europese regelgeving is Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 311), zoals nadien gewijzigd.
In bijlage 1 (deel FCL) zijn de eisen vastgelegd voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdverklaringen en certificaten voor bestuurders van luchtvaartuigen en de voorwaarden voor de geldigheid en het gebruik ervan. De voor deze zaak relevante artikelen zijn:
Subdeel A Algemene eisen
Artikel FCL.010 Definities
[…]
"Hernieuwde afgifte" (van bijvoorbeeld een bevoegdverklaring of certificaat): de administratieve handeling, verricht nadat een bevoegdverklaring of certificaat is verlopen, waarmee de bevoegdheden van de bevoegdverklaring of het certificaat voor een nader bepaalde periode worden verlengd, nadat aan gespecificeerde eisen is voldaan.
"Verlenging" (van bijvoorbeeld een bevoegdverklaring of certificaat): de administratieve handeling verricht binnen de geldigheidsperiode van een bevoegdverklaring of certificaat die de houder toestaat de bevoegdheden van een bevoegdverklaring of certificaat voor een nader bepaalde periode uit te oefenen, nadat aan gespecificeerde eisen is voldaan.
[…]
Subdeel K Examinatoren, Sectie 1 Algemene eisen
Artikel FCL.1020 Beoordeling van vakbekwaamheid van examinatoren
Kandidaten voor een certificaat van examinator moeten hun vakbekwaamheid aantonen ten overstaan van een inspecteur van de bevoegde autoriteit of een senior examinator die hiertoe speciaal is gemachtigd door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het certificaat van examinator door middel van het uitvoeren van een vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid in de rol van examinator waarvoor een kandidaat bevoegdheden wil verkrijgen, met inbegrip van het briefen, het uitvoeren van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordelen van vakbekwaamheid en de beoordeling van de persoon waaraan de test, proef of beoordeling wordt gegeven, de nabeschouwing van de vlucht en het registreren van documentatie.
Artikel FCL.1025 Geldigheid, verlenging en hernieuwde afgifte van certificaten als examinator
a) Geldigheid
Een certificaat van examinator is 3 jaar geldig.
b) Verlenging
Om een certificaat van examinator te verlengen, moeten de houders voldoen aan alle volgende voorwaarden:
1) vóór de vervaldatum van het certificaat minstens zes vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven, beoordelingen van de vakbekwaamheid of EBT-evaluatiefasen […] hebben afgelegd;
2) in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat een herhalingscursus voor examinatoren hebben gevolgd […];
3) een van de overeenkomstig punt 1) uitgevoerde vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven, beoordelingen van de vakbekwaamheid of fasen van de EBT-evaluatie moet plaatsvinden in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de vervaldatum van het examinatorcertificaat en moet:
i) zijn beoordeeld door een inspecteur van de bevoegde autoriteit of door een senior examinator die hiertoe specifiek is gemachtigd door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het certificaat van examinator, of
ii) voldoen aan de eisen van FCL.1020.
[…]
c) Hernieuwde afgifte
Als het certificaat is verlopen, moeten aanvragers, alvorens de uitoefening van hun bevoegdheden te hervatten, voldoen aan de eisen van punt b), onder 2), en FCL.1020 in de twaalf maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de aanvraag.
d) […].
4. De minister heeft de aanvraag van 8 oktober 2022 met toepassing van artikel FCL.1025, onder c, van de Verordening afgewezen, omdat [appellant] is gezakt voor het AoC van 14 december 2022 en daarom niet heeft voldaan aan de eisen van artikel FCL.1020.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat in deze procedure alleen de aanvraag van 8 oktober 2022 voorligt. Volgens de rechtbank heeft de minister die aanvraag terecht beoordeeld als een aanvraag om hernieuwde afgifte van het certificaat. De minister heeft dus de juiste regelgeving toegepast, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de minister het certificaat met toepassing van alleen artikel FCL.1025, onder b, van de Verordening had kunnen verlengen, omdat hij zijn eerste aanvraag ruim vóór het verlopen van de geldigheidsduur had ingediend. Volgens [appellant] kon het AoC op grond van artikel FCL.1025, onder b, plaatsvinden op basis van zijn ervaring en de beschikbare documentatie. Bij de verlenging van een geldige bevoegdheid is dus geen beoordeling van vakbekwaamheid nodig en kan op basis van het aantal in de geldigheidsperiode van de bevoegdheid uitgevoerde examens, plus een evaluatie van een recent uitgevoerd examen en het volgen van een seminar, de bevoegdheid worden verlengd. Omdat de minister ten onrechte wilde dat het AoC in de praktijk plaatsvond met een senior examinator - van wie de beschikbaarheid zeer beperkt is - is de geldigheidsduur verlopen, voordat dat AoC kon worden afgenomen. Dat is dus buiten zijn schuld om gebeurd, aldus [appellant].
[appellant] betoogt verder dat het niet juist is dat de minister eist dat de theoretische kennis wordt getest, omdat hij al lang geleden is geslaagd voor dat onderdeel.
6.1. Evenals de rechtbank stelt de Afdeling vast dat in deze procedure alleen de aanvraag van 8 oktober 2022 voorligt, omdat het besluit van 13 maart 2023 een besluit op die aanvraag is. Alleen tegen dat besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Hetgeen hij aanvoert over de aanvraag van 5 oktober 2021 en de omstandigheden waaronder het eerste AoC heeft plaatsgevonden, kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen.
Dat geldt eveneens voor de stelling van [appellant] dat de minister bij aanvragen om verlenging of hernieuwde afgifte van een certificaat voor Flight Instructor geen AoC vereist. Een dergelijke aanvraag ligt in deze procedure niet voor. Voor zover [appellant] in dit verband een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat niet. Flight Instructor en Flight Examinator zijn geen gelijke gevallen, reeds omdat voor hen in ieder geval deels ook verschillende exameneisen gelden.
6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag van 8 oktober 2022 op grond van artikel FCL.010 van de Verordening geldt als een aanvraag om een hernieuwde afgifte, omdat de datum van de aanvraag na de geldigheidsperiode van het certificaat ligt. Overigens heeft [appellant] op het aanvraagformulier zelf ook aangekruist dat de aanvraag op een hernieuwde afgifte ziet ("AoC for renewal").
6.3. Aangezien de aanvraag van 8 oktober 2022 een aanvraag om hernieuwde afgifte is, heeft de minister met juistheid toepassing gegeven aan artikel FCL.1025, onder c, van de Verordening. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit dat artikel dat aanvragers, alvorens de uitoefening van hun bevoegdheden te hervatten, moeten voldoen aan de eisen van artikel FCL.1025, onder b, onder 2, én aan de eisen van artikel FCL.1020 van de Verordening.
6.4. Artikel FCL.1020 van de Verordening schrijft voor dat kandidaten voor een certificaat van examinator hun vakbekwaamheid moeten aantonen ten overstaan van een inspecteur van de bevoegde autoriteit of een senior examinator die hiertoe speciaal is gemachtigd door de bevoegde autoriteit. Het aantonen van de vakbekwaamheid gebeurt door het afleggen van een AoC. In de Flight Examiner Manual - Module 8 AoC-Examiner van de EASA, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (European Union Aviation Safety Agency), is neergelegd welke onderdelen bij een AoC worden getoetst. Eén van die onderdelen is volgens deel 6 van hoofdstuk 6 de theoretische kennis (‘Demonstration of Theoretical Knowledge’): "The Examiner Applicant should demonstrate to the inspector a satisfactory knowledge of the regulatory requirements associated with the function of an examiner". De Afdeling volgt [appellant] dus niet in zijn stelling dat de theoretische kennis niet meer getoetst hoeft te worden, omdat dat in het verleden al is gebeurd.
6.5. Vaststaat dat [appellant] het onderdeel theoretische kennis niet heeft behaald. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, mag de bestuursrechter ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht geen oordeel geven over de juistheid van de beoordeling door de senior examinator. Omdat [appellant] is gezakt voor het AoC heeft hij niet voldaan aan de eisen van artikel FCL.1020 van de Verordening. De minister heeft de aanvraag van 8 oktober 2022 daarom terecht afgewezen.
6.6. De betogen slagen niet.
Eindoordeel
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. De Vries-Biharie
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
611