202305219/1/R2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Haaren, gemeente Oisterwijk,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 4 juli 2023 in zaak nr. 22/4958 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk
en
[partij].
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een boomkwekerijloods op het perceel [locatie 1] in Haaren.
Bij besluit van 15 september 2022 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 september 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. [appellant] heeft hiertegen beroepsgronden naar voren gebracht.
[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 29 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, en vergezeld door [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door M.F.H.T. Hordijk, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. G.H. Blom, advocaat in Apeldoorn, en vergezeld door [persoon B], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Relevante planregels
2. De relevante regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2020" zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellant] heeft op 17 mei 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een boomkwekerijloods voor de eenmanszaak "[naam]" op het perceel [locatie 1] in Haaren. [appellant] wil de loods gebruiken als opslag- en verwerkingsruimte voor het oppotten van planten. [appellant] exploiteert ook de onderneming [bedrijf], gevestigd op [locatie 2] in Haaren.
4. Het toepasselijke bestemmingsplan, "Buitengebied Haaren, herziening 2020", bepaalt dat uitsluitend bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd. Een reëel agrarisch bedrijf is, volgens de in het plan opgenomen definitie, een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen.
5. Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend. Volgens het college wordt voldaan aan de definitie van "reëel agrarisch bedrijf" van het bestemmingsplan. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een advies van de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie (Abc) van 5 januari 2022. In het advies van Abc is geconcludeerd dat de eenmanszaak [naam] een reëel agrarisch bedrijf is, omdat [naam] jaarrond een arbeidsbehoefte of omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen. Op basis van dit advies heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
Het hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college nader onderzoek had moeten doen. Daartoe voert [appellant] aan dat het college op basis van het advies van Abc tot de conclusie had moeten komen dat [naam] een reëel agrarisch bedrijf is. Uit dit advies blijkt namelijk duidelijk dat [naam] een agrarisch bedrijf is, dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen.
6.1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6.8 en 6.10 van de uitspraak van de rechtbank over. De Afdeling voegt daaraan toe dat uit het advies van Abc niet duidelijk blijkt of dit ziet op [bedrijf], of op [naam]. Uit het advies blijkt onvoldoende dat [naam], dat is het bedrijf waarop de aanvraag ziet, een reëel agrarisch bedrijf is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Het besluit van 16 augustus 2023
8. Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, alsnog de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het rapport van Abc onvolledig is en omdat de conclusies niet controleerbaar zijn.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dat besluit maakt daarom deel uit van deze procedure.
9. [appellant] betoogt dat het nieuwe besluit vernietigd moet worden. [appellant] voert hiertoe aan dat het college niet zonder meer de vergunning had mogen weigeren. Het college is volgens [appellant] verplicht om nader onderzoek te doen, maar heeft dat nagelaten.
9.1. De Afdeling overweegt dat het college ter motivering van het besluit op bezwaar van 16 augustus 2023 heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank, waarin is geoordeeld dat het rapport van Abc onvolledig is en dat de conclusies niet controleerbaar zijn. Het college heeft in het besluit op bezwaar de motivering van de rechtbank overgenomen en daaraan geen nader onderzoek ten grondslag gelegd. Tijdens de zitting heeft het college erkend dat het besluit op bezwaar van 16 augustus 2023 daardoor onvoldoende gemotiveerd is.
Gelet hierop is het besluit van het college van 16 augustus 2023 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.
Het betoog slaagt.
Conclusie beroep van rechtswege
10. Het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van 16 augustus 2023 is gegrond. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak en in de uitspraak van de rechtbank is overwogen.
Proceskosten
11. Het college moet de proceskosten van [appellant] in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2023 vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. verklaart het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk van 16 augustus 2023, kenmerk 143884, gegrond;
III. vernietigt dat besluit;
IV. draagt het college op om met inachtneming van wat in deze uitspraak en in de uitspraak van de rechtbank is overwogen een nieuw besluit te nemen;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
680-1191
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020"
Artikel 1 luidt:
[…] reëel agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen […]
Artikel 3.1, aanhef en onder a luidt:
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. grondgebonden agrarische bedrijven […]
Artikel 3.2.1 luidt:
Voor het bouwen van bouwwerken, niet zijnde rijhallen, gelden de volgende bepalingen:
[…]
b. er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd. […]