202503954/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2025 in zaak nr. 25/221 in het geding tussen:
[appellant]
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen.
Bij besluit van 27 november 2024 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellant] en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. B.P. van der Togt en mr. S.C. Goldbohm, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in [woonplaats].
2. Op 29 juni 2024 heeft [appellant] een aanvraag ingediend bij het Instituut voor een vaste vergoeding van € 10.000,00. Daarnaast heeft hij eveneens op 29 juni 2024 bij het Instituut een vergoeding van totaal € 9.896,00 aan bijkomende kosten in verband met de afhandeling van de schade aan zijn woning aangevraagd. Daarbij gaat het om kosten voor het thuisblijven tijdens de herstelwerkzaamheden en voor het huren van een alternatieve overnachtingsplek.
3. [appellant] heeft op 16 juli 2024 de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het Instituut heeft daarna op 16 juli 2024 besloten de vaste eenmalige vergoeding van € 10.000,00 toe te kennen. Zowel in het besluit als in de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat de vergoeding van € 10.000,00 een eenmalige en finale vergoeding is voor alle schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast.
4. De aanvraag voor de vergoeding van de bijkomende kosten heeft het Instituut op 25 juli 2024, gehandhaafd bij besluit van 27 november 2024, afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat op aanvraag van [appellant] het Instituut op 16 juli 2024 heeft besloten om aan hem een vaste schadevergoeding van € 10.000,00 toe te kennen. De vergoeding is tegen finale kwijting, wat inhoudt dat het een eenmalige en finale vergoeding is voor alle schade, waaronder materiële gevolgschade, bijkomende kosten, overlast en wettelijke rente.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen toezegging of uitlating van de kant van het Instituut is gedaan waaruit [appellant] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hem, naast de toewijzing van de aanvraag voor de vaste vergoeding, ook een vergoeding voor bijkomende kosten zou worden toegekend. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] op 16 juli 2024 een vaststellingsovereenkomst heeft geaccepteerd. Daarin staat dat de toegekende vaste vergoeding van € 10.000,00 een eenmalige en finale vergoeding is voor alle schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Daaruit volgt dat de bijkomende kosten onderdeel uitmaakten van de eenmalige, finale vergoeding. Ook uit de brieven en de besluitvorming over de vaste vergoeding volgt duidelijk en concreet dat de bijkomende kosten onderdeel uitmaakten van de vaste vergoeding. De naamgeving van de bestanden van de stukken in het digitaal dossier is zonder kennisname van de inhoud van de stukken en het besluit onvoldoende om daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen te ontlenen dat het Instituut de aangevraagde vergoeding voor bijkomende kosten zou toekennen, evenals de algemene informatie in het digitale dossier. Dat de mogelijkheid om bijkomende kosten aan te vragen digitaal bleef bestaan, betekent nog niet dat een dergelijke aanvraag ook zou worden toegewezen. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
6. Verder heeft de rechtbank overwogen dat wat betreft het achterwege laten van de hoorzitting, [appellant] de keuze bij het Instituut heeft gelaten. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] is benadeeld doordat hij zijn bezwaar niet mondeling heeft kunnen toelichten. Bovendien heeft hij op de zitting bij de rechtbank een mondelinge toelichting kunnen geven en de voor hem van belang zijnde zaken naar voren kunnen brengen.
Procedure en werkwijze Instituut vaste vergoeding
7. In artikel 2.1, tweede lid, van de Procedure en Werkwijze van het Instituut is bepaald dat een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in hoofdstuk 2a, tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2b en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
8. In hoofdstuk 2b is de regeling voor de vaste vergoeding (regeling) opgenomen. De regeling komt er hoofdzakelijk op neer dat het Instituut een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade kan afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000,00, dan wel € 5.000,00 indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft. Wanneer aan de voorwaarden van artikel 2.8, tweede lid, van de regeling wordt voldaan, biedt het Instituut de aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen. Als de aanvrager de vaste vergoeding aanvraagt, moet de aanvrager alle schade aan het object opnemen of laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9 van de regeling.
9. Vervolgens doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is volgens artikel 2.8, vierde lid, het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de regeling is met het toekennen van een vaste vergoeding alle schade aan het object afgehandeld. Met de vaste vergoeding is volgens artikel 2.10, tweede lid, van de regeling ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast.
10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek tot stand. Nadat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste vergoeding uit. Indien de aanvrager het definitieve aanbod niet aanvaardt, wijst het Instituut de aanvraag voor een vaste vergoeding af.
11. Het Instituut zal op grond van artikel 2.10, derde lid, van de regeling een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, en het moment van het indienen van de aanvraag:
• zich geen aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
• geen nieuwe schade aan het object is opgetreden als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Het hoger beroep
12. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Daarbij wijst hij erop dat het naast de aanvraag voor een vaste vergoeding mogelijk bleef om een aanvraag voor vergoeding van de bijkomende kosten in te dienen. Ook wijst hij op (de benaming van) de bestanden over de aangevraagde bijkomende kosten in het digitale portaal. Hij stelt ook onvoldoende geïnformeerd te zijn over de betekenis van finale kwijting. Daardoor is hij onevenredig benadeeld. Verder voert hij aan dat hij niet expliciet heeft afgezien van een hoorzitting. Hij heeft alleen telefonisch te kennen gegeven dat hij het aan het Instituut overliet om een hoorzitting te houden met de toevoeging dat hij geen andere punten naar voren zou brengen dan al opgenomen in het bezwaarschrift.
13. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
14. De Afdeling stelt vast dat [appellant] op de zitting heeft verklaard dat hij de aanvraag voor bijkomende kosten heeft ingediend in de hoop dat deze zou worden gehonoreerd, maar dat eigenlijk zelf al niet kon geloven. [appellant] was zich er dus van bewust dat toewijzing van de aanvraag voor bijkomende kosten niet zonder meer voor de hand lag. Alleen al hierom kan niet geoordeeld worden dat bij [appellant] sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat de aangevraagde vergoeding voor bijkomende kosten zou worden toegekend.
15. Daarbij komt dat [appellant] meermaals is geïnformeerd over het finale karakter van de toegekende vaste vergoeding. Voordat besloten werd op zijn aanvraag om vergoeding van de bijkomende kosten is hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Zowel in de ontvangstbevestiging van de aanvraag als in die overeenkomst staat vermeld dat de vergoeding een finaal karakter heeft en dus ook betrekking heeft op de bijkomende kosten. Dit is ook vermeld in het besluit waarin de vaste vergoeding is toegekend. Daarna pas is de aanvraag om vergoeding van de bijkomende kosten afgewezen. Voor [appellant] had dus duidelijk moeten zijn dat naast de toegekende vaste vergoeding geen aanspraak meer bestond op vergoeding van de aangevraagde bijkomende kosten.
16. Bovendien heeft [appellant] op de zitting bevestigd dat hij de vaste vergoeding had gekregen tegen finale kwijting en dat daarom al geen aanleiding had moeten bestaan om nog bijkomende kosten aan te vragen. Dat het technisch mogelijk bleef om via de website een aanvraag voor bijkomende kosten in te dienen naast de aanvraag om een vaste vergoeding, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat geldt ook voor de gestelde benaming van de bestanden in het digitale dossier zonder kennisname van de inhoud van die bestanden, nog daargelaten dat op de aanvraagpagina in het digitale dossier de term "toegewezen" niet voorkomt.
17. De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.2 tot en met 4.4 en 5.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
18. De betogen slagen niet.
Conclusie
19. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
20. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
1120