202504758/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, in zaak nr. 202305690/1/A2.
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 juli 2025 in zaak nr. 202305690/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2025:3137) heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2023 in zaak nr. 22/3166 ongegrond verklaard.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. R.J. Skála, rechtsbijstandsverlener, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.S.J. de Koning en mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
Aan deze drie criteria moet worden voldaan, wil een verzoek om herziening voor toewijzing in aanmerking komen. Deze criteria zijn cumulatief.
2. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist opnieuw aan de rechter voor te leggen en biedt een partij ook niet de mogelijkheid gronden die in een eerdere procedure naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw, dan wel alsnog, naar voren te brengen en zo het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2455), is een vermeend onjuiste rechtsopvatting geen grond voor herziening, evenmin als een veronderstelde rechterlijke misslag ten aanzien van de gevolgde procedure of de vaststelling van de feiten.
3. [verzoekster] is het niet eens met de uitspraak van de Afdeling waarvan zij om herziening vraagt. Zij vindt dat de Afdeling een onjuiste uitspraak heeft gedaan die voortbouwt op onjuist handelen door de raad. [verzoekster] voert daartoe onder meer aan dat de Afdeling in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met de wet heeft gehandeld. [verzoekster] probeert daarmee in feite het debat te heropenen dat met de uitspraak van de Afdeling is gesloten. De Afdeling zal daarom op die gronden niet ingaan.
4. Voor wat [verzoekster] voor het overige aanvoert, geldt dat de enkele stelling dat het dossier in de procedure met zaak nr. 202305690/1/A2 niet compleet zou zijn, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb. [verzoekster] heeft bijvoorbeeld niet duidelijk gemaakt hoe de gestelde incompleetheid van het dossier tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Aangezien de voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb cumulatief zijn, kan het verzoek daarom al niet slagen.
5. De Afdeling wijst het verzoek af.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
284-1175