ECLI:NL:RVS:2026:2764

ECLI:NL:RVS:2026:2764

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 202505735/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 10 juni 2025 heeft de examencommissie van het Aventus Lyceum (examencommissie) de uitslag van het eindexamen van [appellant] vastgesteld. [appellant] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van 10 juni 2025. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen de weigering een beslissing op het door hem ingestelde administratief beroep te nemen. [appellant] volgde in het schooljaar 2024-2025 een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) aan het Aventus Lyceum. [appellant] heeft geen beoordeling gekregen voor het schoolexamen van het vak Kunst, omdat hij voor vier onderdelen van het schoolexamen geen cijfer heeft behaald. Zonder beoordeling van het schoolexamen mocht hij niet deelnemen aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst. Hierdoor heeft hij geen examenresultaat gekregen voor dat vak en is hij gezakt voor het eindexamen havo. Zonder havo-diploma kan hij de door hem gewenste vervolgopleiding tot docent biologie niet afronden. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen een brief van het Aventus Lyceum van 24 september 2025. Volgens [appellant] behelst die brief een weigering om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Hij is het niet eens met deze weigering.

Uitspraak

202505735/1/A2.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

de commissie van beroep voor de examens van het Aventus Lyceum (CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 10 juni 2025 heeft de examencommissie van het Aventus Lyceum (examencommissie) de uitslag van het eindexamen van [appellant] vastgesteld.

[appellant] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van 10 juni 2025.

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen de weigering een beslissing op het door hem ingestelde administratief beroep te nemen.

De CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De CBE heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door zijn moeder [naam moeder], en de CBE, vertegenwoordigd door mr. H. van Essen, advocaat in Zwolle, vergezeld door C.W. Gesgarz, B. de Weerdt en W.L. Smeeds, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellant] volgde in het schooljaar 2024-2025 een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) aan het Aventus Lyceum. [appellant] heeft geen beoordeling gekregen voor het schoolexamen van het vak Kunst, omdat hij voor vier onderdelen van het schoolexamen geen cijfer heeft behaald. Zonder beoordeling van het schoolexamen mocht hij niet deelnemen aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst. Hierdoor heeft hij geen examenresultaat gekregen voor dat vak en is hij gezakt voor het eindexamen havo. Zonder havo-diploma kan hij de door hem gewenste vervolgopleiding tot docent biologie niet afronden.

Beroep

3. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen een brief van het Aventus Lyceum van 24 september 2025. Volgens [appellant] behelst die brief een weigering om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is het niet eens met deze weigering.

4. De vaststelling van de uitslag van het eindexamen wordt op grond van artikel 7.5.9, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web), gelezen in verbinding met de artikelen 7.5.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 7.4.11, zevende lid, van de Web en artikel 2.57, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor de toepassing van de bepalingen van de Awb met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Op grond van artikel 7.5.4, eerste lid, van de Web kan tegen beslissingen van de examencommissie administratief beroep worden ingesteld bij de CBE.

5. [appellant] heeft bij e-mail van 1 augustus 2025 administratief beroep ingesteld tegen de vaststelling van de uitslag van zijn eindexamen. Uit de eerste zin van deze e-mail blijkt dit duidelijk. Er staat immers dat het zich richt tegen "de vaststelling van mijn examenuitslag havo 2024 -2025, zoals gepubliceerd op 1 juli 2025". Anders dan de CBE stelt, volgt daaruit dus niet dat het administratief beroep is gericht tegen de publicatie van de examenuitslag door de Dienst Uitvoering Onderwijs.

6. Uit het stelsel van de Awb vloeit voort dat op een administratief beroepschrift altijd een besluit moet worden genomen. Het weigeren om een besluit op een administratief beroep te nemen wordt op grond van artikel 6:2 van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit. Het voorgaande geldt ook als het administratief beroep niet zou zijn gericht tegen een besluit of als het administratief beroep te laat is ingesteld en het administratief beroep daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, zoals de CBE betoogt dat aan de orde is.

7. Op grond van artikel 7.5.4, derde lid, van de Web diende de CBE binnen vier weken na het verstrijken van de beroepstermijn op het administratief beroep te beslissen. De beroepstermijn is op grond van artikel 7.5.1 van de Web twee weken. [appellant] heeft niet binnen de beroepstermijn administratief beroep ingesteld. Een redelijke uitleg van artikel 7.5.4, derde lid, van de Web brengt mee dat indien een administratief beroepschrift na afloop van de beroepstermijn wordt ontvangen, de beslistermijn van vier weken aanvangt op de dag na die waarop het administratief beroepschrift door het bestuursorgaan wordt ontvangen. In dit geval is de beslistermijn dus aangevangen op 2 augustus 2025 en geëindigd op 30 augustus 2025.

8. Na de ingebrekestelling van [appellant] van 22 september 2025 is er op 24 september 2025 vanuit het Aventus Lyceum een brief aan [appellant] gestuurd. De CBE heeft zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat zij met deze brief een beslissing heeft genomen op het administratief beroep en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op een passage op bladzijde 2 van die brief. In deze passage staat dat, daargelaten dat het administratief beroep te laat is ingediend, de examenuitslag juist en volledig is vastgesteld.

9. De Afdeling is van oordeel dat met deze passage geen beslissing is genomen op het administratief beroep van [appellant] tegen de examenuitslag. Daartoe is van belang dat de passage is opgenomen in een alinea die gaat over het achterliggende geschil over de deelname van [appellant] aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst en het herstelverzoek dat [appellant] in dat kader heeft gedaan. Deze passage moet dan ook zo worden uitgelegd dat die hierop betrekking heeft. De brief van 24 september 2025 gaat verder ook alleen over dit achterliggende geschil en over een verzoek van [appellant] om inzage in zijn examendossier op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming. Het moet er daarom voor worden gehouden dat met deze brief is beoogd om te reageren op het verzoek van [appellant] van 18 juli 2025 dat gaat over zijn deelname aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst en zijn verzoek van 17 juli 2025 om inzage in zijn examendossier. Zo deze brief al een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat, is het dus geen besluit op het voorliggende administratief beroep. De brief bevat ook geen rechtsmiddelenclausule, hetgeen ook een aanwijzing is dat niet is bedoeld met deze brief een beslissing te nemen op het administratief beroep.

10. De CBE heeft geen andere brief die dateert van na 1 augustus 2025 aangewezen als een beslissing op het administratief beroep. De Afdeling stelt dan ook vast dat er geen beslissing op dit administratief beroep is genomen.

11. Naar het oordeel van Afdeling behelst de brief van 24 september 2025 een weigering om een besluit op het administratief beroep te nemen. In die brief wordt gesteld dat het administratief beroep in de kern een herhaling is van het verzoek van [appellant] van 18 juli 2025 en dat met de brieven van 24 juli 2025 en 31 juli 2025 al op dit verzoek is gereageerd. Ook wordt in de brief van 24 september 2025 gesteld dat er geen aanleiding of mogelijkheid bestaat om (alsnog) een besluit te nemen. Daargelaten of deze zin, zoals de CBE ter zitting heeft gesteld, betrekking heeft op het verzoek van 18 juli 2025, wordt hiermee wel een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Daarnaast wordt in de brief van 24 september 2025 gesteld dat daarmee wordt gereageerd op de ingebrekestelling. Het moet voor de CBE, dat toen al werd bijgestaan door een advocaat, duidelijk zijn geweest dat [appellant] met zijn ingebrekestelling een beslissing op zijn administratief beroep wilde afdwingen en geen beslissing op zijn verzoek van 18 juli 2025 wenste. Daarbij komt dat niet van [appellant] verwacht kan worden om na de ingebrekestelling nog twee weken te wachten met het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, terwijl de CBE op afwijzende wijze op de ingebrekestelling heeft gereageerd.

12. Gelet op het voorgaande heeft de CBE ten onrechte geweigerd een besluit op het door [appellant] ingestelde administratief beroep te nemen.

Conclusie

13. Het beroep is gegrond. De Afdeling zal de met een besluit gelijk gestelde brief van 24 september 2025 vernietigen, voor zover daarbij is geweigerd een besluit op het administratief beroep te nemen. De Afdeling zal de CBE opdragen om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het door [appellant] ingestelde administratief beroep. De Afdeling ziet aanleiding om aan deze termijn een dwangsom als bedoeld in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb te verbinden.

14. De CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Tot slot

15. Ter zitting is met partijen uitgebreid besproken of de besluitvorming van de CBE ter uitvoering van deze uitspraak kan leiden tot een oplossing voor het verschil van inzicht tussen [appellant], zijn moeder en het Aventus Lyceum over de deelname van [appellant] aan het schoolexamen voor het vak Kunst en de begeleiding en communicatie vanuit het Aventus Lyceum hierover. Verder is besproken of deze besluitvorming kan leiden tot het doel dat [appellant] met deze procedure voor ogen staat, te weten het behalen van het havo-diploma. Ook als de CBE in de te nemen beslissing tot het oordeel zou komen dat het administratief beroep van [appellant] ontvankelijk is, kan de CBE daarin alleen een beslissing nemen over de vaststelling van de uitslag van het eindexamen. Dat is immers waartegen het administratief beroep zich richt. Dit terwijl niet meer is terug te draaien dat [appellant] in het schooljaar 2024-2025 niet aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst heeft deelgenomen, daargelaten of het Aventus Lyceum daarbij de examenregels onjuist zou hebben toegepast, zoals [appellant] betoogt en de CBE weerspreekt. Daarom is ter zitting aan de orde gesteld dat [appellant] zijn havo-diploma kan behalen door aan het Aventus Lyceum of een andere instelling voor vavo-onderwijs alsnog deel te nemen aan het schoolexamen en het centraal eindexamen voor het vak Kunst. De Afdeling heeft [appellant] ter zitting in overweging gegeven om hier na het door de CBE te nemen besluit over na te denken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen de weigering een besluit te nemen gegrond;

II. vernietigt de met een besluit gelijk gestelde brief van 24 september 2025, voor zover daarbij is geweigerd een besluit op het administratief beroep van [appellant] te nemen;

III. draagt de commissie van beroep voor de examens van het Aventus Lyceum op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een besluit op het administratief beroep te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. bepaalt dat de commissie van beroep voor de examens van het Aventus Lyceum een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat zij in gebreke blijft de onder III vermelde opdracht na te komen, met een maximum van € 15.000,00;

V. gelast dat de commissie van beroep voor de examens van het Aventus Lyceum aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

809

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, […]

Artikel 6:11

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Wet educatie en beroepsonderwijs

Artikel 7.4.11.

[…]

7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs:

a. met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64;

b. met dien verstande dat:

1°. «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid;

2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt;

[…]

Artikel 7.5.1.

1. In deze titel wordt onder «betrokkene» verstaan:

a. student, vavo-student of extraneus;

[…]

2. Het bevoegd gezag richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het bevoegd gezag stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuursreglement.

3. Een betrokkene dient een klacht als bedoeld in artikel 7.5.2 dan wel beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 van deze titel en artikel 8.1.7a, vijfde lid, vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing dan wel vanwege een geschil met betrekking tot het maken, wijzigen of uitvoeren van afspraken als bedoeld in artikel 8.1.3a, tweede lid, in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, is artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

4. De termijn voor het schriftelijk indienen van een bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken. De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep als bedoeld in paragraaf 2 en artikel 8.1.7a, vijfde lid, bedraagt twee weken.

5. De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

6. De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

7. Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.

Artikel 7.5.4.

1. De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren.

[…]

3. De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.

[…]

Artikel 7.5.9.

1. Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene.

[…]

Wet voortgezet onderwijs 2020

Artikel 2.57.

[…]

2. De rector of directeur en de examensecretaris stellen de uitslag van het eindexamen vast. De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand