202206069/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (het college),
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2022 in zaken nrs. 21/5910, 21/5911 en 21/5912 in de gedingen tussen:
[appellant]
en
het college.
Procesverloop
ROT 21/5910
Bij besluit van 29 maart 2021 heeft het college de verzoeken van [appellant] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) afgewezen.
Bij besluit van 14 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verder heeft het college het bezwaar gericht tegen de reguliere verzoeken om informatie niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verder heeft de rechtbank het verzoek van het college om [appellant] in de proceskosten te veroordelen, afgewezen.
ROT 21/5911
Bij besluit van 19 april 2021 heeft het college het inzageverzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van de AVG toegewezen, en het verzoek voor het overige afgewezen.
Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar voor zover gericht op het AVG-verzoek ongegrond verklaard, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verder heeft de rechtbank het verzoek van het college om [appellant] in de proceskosten te veroordelen, afgewezen.
ROT 21/5912
Bij brief van 15 juni 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) beoordeeld en geconcludeerd dat de Wob niet van toepassing is, omdat de door [appellant] gevraagde stukken al gedeeltelijk openbaar zijn en het verzoek voor het overige moet worden aangemerkt als een regulier informatieverzoek.
Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verder heeft de rechtbank het verzoek van het college om [appellant] in de proceskosten te veroordelen, afgewezen.
Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. Bertens, advocaat in Utrecht, is verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is het niet eens met de uitspraken van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden.
Inleiding
ROT 21/5910
2. [appellant] heeft op 8 januari 2021 verzocht om een elektronische kopie van alle reserveringen bij de Universiteitsbibliotheek (UB) die hij heeft gedaan vanaf de heropening van de UB sinds 1 juni 2020. Verder heeft hij verzocht al zijn reserveringen uit het verleden te verwijderen. Ook heeft hij verzocht om een kopie van de op 29 december 2020 in de UB van hem gemaakte camerabeelden. Bij besluit van 29 maart 2021 heeft het college de verzoeken om het overleggen van camerabeelden en de reserveringen afgewezen, omdat deze gegevens al verwijderd zijn. Bij besluit van 14 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ROT 21/5911
3. [appellant] heeft op 7 maart 2021 verzocht om screenshots van al zijn persoonsgegevens, zoals de medewerkers van de afdeling Legal Protection/Juridische Zaken van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) kunnen zien in het computersysteem. Op 10 maart 2021 heeft hij dit verzoek nader gespecificeerd. Bij besluit van 19 april 2021 heeft het college het inzageverzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van de AVG toegewezen, en het verzoek voor het overige afgewezen. Het college heeft deze gegevens in een andere vorm aan [appellant] verstrekt, namelijk zeventien geëxporteerde Excel-bestanden uit studentsysteem OSIRIS en een screenshot van OSIRIS. Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar voor zover gericht op het AVG-verzoek ongegrond verklaard, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
ROT 21/5912
4. [appellant] heeft op 15 mei 2021 op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle documenten over het selectiebeleid van de PwC Honours Class bij de Erasmus School of Economics, vanaf de start van deze Honours Class tot heden. Daarbij wil hij voor elk collegejaar weten welk persoon vanuit de EUR verantwoordelijk was voor dit selectiebeleid en welk persoon of welke personen verantwoordelijk waren voor het selectiebeleid van de PwC Honours Class. Bij brief van 15 juni 2021 heeft het college daarom geconcludeerd dat de Wob niet van toepassing is op dit verzoek, omdat de door [appellant] gevraagde stukken gedeeltelijk al openbaar zijn en dat het verzoek voor het overige moet worden aangemerkt als een regulier informatieverzoek. Gelet hierop heeft het college bij besluit van 13 oktober 2021 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 15 juni 2021 geen besluit is in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Leeswijzer
5. De Afdeling beoordeelt hierna eerst het incidenteel hoger beroep van het college, omdat dit het meest verstrekkende betoog is. Omdat, zoals hierna zal blijken, het incidenteel hoger beroep ongegrond is, komt de Afdeling toe aan het bespreken van de gronden van het hoger beroep van [appellant]. De Afdeling bespreekt dan de gelijkluidende formele gronden die [appellant] in alle drie de zaken heeft aangevoerd. Daarna bespreekt de Afdeling de inhoudelijke gronden per besluit op bezwaar.
Incidenteel hoger beroep
6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen aanleiding zou bestaan om [appellant] in de kosten van deze procedures te veroordelen. Volgens het college is namelijk sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. [appellant] is ongericht en ongedifferentieerd aan het procederen door in de beroepschriften niet eens in te gaan op de afzonderlijke besluiten. Zo heeft hij voor alle drie de zaken gelijkluidende beroepschriften ingediend.
6.1. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb kan een natuurlijke persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
6.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een dergelijke veroordeling. Toewijzing van dit verzoek van het college zou feitelijk neerkomen op het uitspreken van een veroordeling van [appellant] voor het instellen van hoger beroep. Nu [appellant] in deze procedure heeft verzocht om een rechterlijk oordeel in hoogste instantie over de vraag of op juiste wijze aan zijn inzageverzoeken dan wel Wob-verzoek is voldaan en dit niet al op voorhand duidelijk is, kan van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb niet worden gesproken. Er bestaat daarom geen aanleiding om [appellant] te veroordelen tot vergoeding van de door het college gemaakte kosten voor behandeling van het hoger beroep. De rechtbank heeft op gelijke gronden geoordeeld.
6.3. Het betoog slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.
Hoger beroep
Formele gronden
7. De formele gronden die zien op de goede procesorde, de ingebrekestelling en het betoog dat sprake is van oneerlijke besluitvorming slagen niet en kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 14 oktober 2021 (ROT 21/5910)
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er meer gegevens moeten zijn. Hij voert hiertoe aan dat hij heeft verzocht om de reserveringsgegevens van 1 juni 2020 tot onbepaalde datum, niet tot 8 januari 2021. Het besluit op zijn aanvraag is van 29 maart 2021. Dat betekent dat de gegevens tot vier weken voorafgaand aan deze datum verstrekt moeten worden. De gegevens waren ten onrechte al verwijderd en niet in bewaring gesteld, aldus [appellant].
8.1. In wat [appellant] in hoger beroep over het verwijderen van de gegevens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 4.1 opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd.
Schadevergoeding
9. Verder verzoekt [appellant] om een schadevergoeding. Hij heeft schade geleden, omdat hij zijn persoonsgegevens te laat heeft ontvangen.
9.1. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, is het besluit van 14 oktober 2021 geen onrechtmatig besluit. Daarom bestaat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, voor het college geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 13 oktober 2021 (ROT 21/5911)
10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op juiste wijze aan het inzageverzoek heeft voldaan. Hij voert hiertoe aan dat de het college meer persoonsgegevens bezit dan aan hem is verstrekt. Met de verstrekte Excel-bestanden kan hij niet goed zijn inzagerecht uitoefenen, hij kan niet controleren op juistheid, volledigheid en rechtmatigheid van de persoonsgegevens, want het college zou bepaalde velden kunnen aanpassen. Hij verzoekt zelfstandig kennis te nemen van zijn persoonsgegevens op een EUR-computer.
10.1. In wat [appellant] in hoger beroep hierover heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 4.8 tot en met 4.10 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Schadevergoeding
11. Verder verzoekt [appellant] om een schadevergoeding. Hij stelt schade te hebben geleden, omdat hij de persoonsgegevens te laat heeft ontvangen.
11.1. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, is het besluit van 13 oktober 2021 geen onrechtmatig besluit. Daarom bestaat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, voor het college geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 13 oktober 2021 (ROT 21/5912)
12. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college op juiste wijze aan het Wob-verzoek heeft voldaan. De EUR heeft slechts verwezen naar vijf documenten die al openbaar zouden zijn. [appellant] voert aan dat het eerste document een intern pdf-bestand betreft en dus niet geopenbaard is. Ook het tweede document is volgens [appellant] een intern bericht op het onderwijsplatform Sin-Online, wat slechts toegankelijk is voor studenten en/of medewerkers. Daarbij voert hij aan dat hij dit stuk niet kan inzien, want zijn account is geblokkeerd. Het derde bericht is ook intern van aard, maar dan een intern bericht op MyEUR. De link naar de pagina behorend bij het vierde document is niet meer toegankelijk. Omdat de documenten niet voor eenieder toegankelijk zijn of niet raadpleegbaar zijn, heeft het college niet op de juiste wijze aan het Wob-verzoek voldaan.
12.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat de documenten 1 tot en met 4 te raadplegen zijn via de website van de Erasmus Universiteit. De Afdeling vindt daarin de bevestiging dat de betreffende documenten openbaar en daarmee voor eenieder toegankelijk zijn. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college op juiste wijze aan het Wob-verzoek heeft voldaan.
12.2. Het betoog slaagt niet.
Schadevergoeding
13. Verder verzoekt [appellant] om een schadevergoeding. Hij stelt schade te hebben geleden, omdat hij de persoonsgegevens te laat heeft ontvangen.
13.1. Zoals uit vorenstaande overwegingen volgt, is het besluit van 13 oktober 2021 geen onrechtmatig besluit. Daarom bestaat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, voor het college geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen.
Overig
14. Wat [appellant] voor het overige naar voren heeft gebracht, is niet gericht tegen de uitspraak van de rechtbank of tegen de besluitvorming van het college op de verzoeken van 8 januari 2021, 7 maart 2021 en 15 mei 2021, en blijft om die reden buiten beschouwing en kan daarom niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden.
Misbruik van recht
15. De Afdeling ziet nochtans geen aanleiding om op dit moment misbruik van recht aan te nemen. De reden daarvoor is dat het in deze zaak gaat om het eerste Wob-verzoek bij de CEA. Voor de Afdeling staat niet vast dat [appellant] dat eerste verzoek uitsluitend heeft gedaan om andere redenen dan waarvoor de Wob is bedoeld. Hij mocht ook procederen over het besluit van de CEA op dat verzoek. De werkwijze van [appellant] kenmerkt zich echter door een aanzienlijke hoeveelheid procedures die bij de Afdeling aanhangig zijn gemaakt, waarbij voornamelijk (steeds dezelfde) formele gronden worden aangevoerd en de materiële inhoud nauwelijks ter discussie wordt gesteld. Dit kan de doelmatigheid van de rechtsgang onder druk zetten. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2897, al misbruik van recht door [appellant] aangenomen, omdat [appellant] veelvuldig procedeerde tegen het door het College van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam aan hem opgelegde campusverbod. Op de zitting bij de Afdeling van deze zaak zijn ook nog drie andere zaken van [appellant], met nummers 202402869-1-A3, 202407529-1-A3 en 202501066-1-A3, behandeld. Verder merkt de Afdeling op dat er momenteel nog meer zaken van [appellant] aanhangig zijn bij de Afdeling. Gelet hierop wordt met een voortgezette werkwijze van [appellant] misbruik van recht op een later moment mogelijk wel aangenomen.
Conclusie
16. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. De verzoeken van [appellant] om schadevergoeding worden afgewezen.
17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
1050