202501066/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2025 in zaak nr. 23/1807 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2022 heeft de minister het verzoek om openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:991, heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 13 juli 2023, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I. Erdogan, mr. M.G.T. van Leyenhorst en [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 27 maart 2022 bij het ministerie van Financiën een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. Omdat een deel van dit verzoek gaat over informatie die bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) berust, is dit verzoek voor dat gedeelte doorgestuurd naar de minister. Bij besluit van 3 november 2022 heeft de minister op het verzoek beslist en daarbij geweigerd de personeelsdossiers, voor zover deze berusten onder het ministerie van BZK, en de persoonsgegevens van de Algemene Bestuursdienst (ABD)-managers openbaar te maken. Verder heeft de minister verwezen naar het al openbare Jaarverslag van de Algemene Bestuursdienst over 2021 en de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2021. Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
Hoger beroep
2. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden. Zijn betoog gaat in de kern over zes onderwerpen: doorzendplicht, namen ABD-managers zijn ten onrechte niet openbaar gemaakt, onvolledige zoekslag, de vindplaats van reeds openbaargemaakte stukken, dwangsom en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. De Afdeling zal die onderwerpen in deze uitspraak daarom ook zo behandelen bij het beoordelen van het hoger beroep.
Doorzendplicht
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn verzoek voor wat betreft de personeelsdossiers niet hoefde door te sturen naar andere ministeries. Hij voert hiertoe aan dat het niet gaat om het verkrijgen van namen, maar om documenten waar namen in staan. Daarom had zijn verzoek wel doorgestuurd moeten worden naar andere ministeries.
3.1. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het [appellant], gelet op de bewoordingen van zijn verzoek, om de namen van de ABD-managers te doen is en niet om documenten waarin die namen voorkomen, omdat zij die bijvoorbeeld hebben ondertekend. In wat [appellant] hierover verder heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 5.1 en 6 opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd.
Namen ABD-managers
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Wet open overheid (Woo) de gevraagde namen mocht weigeren. Hij voert hiertoe aan dat hij moet kunnen controleren of de ABD-managers bevoegd zijn om bepaalde besluiten te nemen. Het openbaar maken van de namen had de minister met behulp van screenshots van de personeelssystemen moeten doen, aldus [appellant].
4.1. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo luidt: "Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer."
4.2. Nu het, zoals onder 3.1 overwogen, in deze zaak gaat om de namen van de ABD-managers, en zij niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, was het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de ABD-managers. Dat heeft hij niet gedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de minister de openbaarmaking van de namen terecht heeft geweigerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4322, onder 4.2). Omdat de minister het openbaar maken van de namen van de ABD-managers terecht heeft geweigerd, is de rechtbank ook op goede gronden niet toegekomen aan de wijze waarop de minister de namen had moeten verstrekken.
4.3. Het betoog slaagt niet.
Onvolledige zoekslag
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet heeft gemotiveerd hoe de door hem verrichte zoekslag heeft plaatsgevonden.
5.1. De rechtbank is in de uitspraak in de onder 9 opgenomen overweging op deze weer in hoger beroep aangevoerde grond ingegaan. De Afdeling schaart zich achter het oordeel van de rechtbank en de overweging die daartoe heeft geleid. Zij voegt daaraan nog toe dat, zoals onder 4.2 al is overwogen, [appellant] nadrukkelijk alleen heeft verzocht om de namen van de ABD-managers openbaar te maken. Onder deze omstandigheden hoefde de minister niet daadwerkelijk naar documenten te zoeken. Gelet hierop hoefde de minister in dit geval met een beroep op artikel 8:29 van de Awb de namen van de ABD-managers niet aan de Afdeling te zenden. Verder is geen sprake van een (onvolledige) zoekslag. Er is, gelet op de bewoordingen in het verzoek, namelijk geen sprake van een situatie waarin daadwerkelijk is gezocht naar documenten die mogelijk vertrouwelijke informatie bevatten.
Vindplaats reeds openbaargemaakte stukken
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen verwijzingslink hoefde op te nemen naar het Jaarverslag ABD en de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2021. Hij voert hiertoe aan dat het voor hem zonder weblinkjes niet duidelijk is waar deze documenten te vinden zijn.
6.1. Artikel 4.5, eerste lid, van de Woo bepaalt dat het bestuursorgaan de informatie verstrekt in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid. Artikel 4.5, tweede lid, van de Woo bepaalt dat indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, het bestuursorgaan de verzoeker daarop wijst.
6.2. De Afdeling stelt vast dat het Jaarverslag ABD en de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2021 documenten zijn die reeds openbaar waren in de zin van de Woo. Documenten die al openbaar zijn gemaakt, kunnen niet nogmaals openbaar gemaakt worden (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3563, van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1165, en van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2055). De vindplaats en de inhoud van de stukken zijn aan [appellant] meegedeeld. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de minister geen verwijzingslink naar de bedoelde stukken hoefde op te nemen.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Dwangsom
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen dwangsom heeft verbeurd. Hij voert hiertoe aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346, blijkt dat als een deelbesluit binnen de wettelijke termijn wordt genomen, dat niet betekent dat binnen de termijn op het Wob-verzoek is besloten. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2022, ECLI:NL:RBOT:2022:5237, oordeelde de rechtbank dat de minister van Financiën binnen een bepaalde termijn op [appellant] zijn initiële Wob-verzoek van 27 maart 2022 moet besluiten. Dit geldt, gelet op de uitspraak van 20 oktober 2021, ook voor het gedeelte wat is doorgezonden aan de minister, aldus [appellant].
7.1. De Afdeling overweegt dat het in de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346, onder 10.4, ging om een gefaseerde besluitvorming voor één Wob-verzoek door één bestuursorgaan. Dat is hier niet aan de orde. In dit geval gaat het om twee verschillende ministers die elk voor hun deel van het verzoek een besluit moeten nemen. In de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2022, ECLI:NL:RBOT:2022:5237, heeft de rechtbank de minister van Financiën opgedragen om binnen de door de rechtbank opgedragen termijn, op straffe van een dwangsom, alsnog op het Wob-verzoek van [appellant] te beslissen. Deze opdracht geldt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet voor de minister. De rechtbank heeft daarom op goede gronden overwogen dat de minister op grond van deze uitspraak, noch anderszins een dwangsom heeft verbeurd.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.
10.2. De minister heeft het door [appellant] gemaakte bezwaar ontvangen op 9 maart 2023. Dat betekent dat de redelijke termijn op die datum is begonnen en verloopt op 9 maart 2027. De procedure heeft dus nog geen vier jaar geduurd.
10.3. [appellant] bepleit dat bij de berekening van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van 19 november 2022 als datum waarop het bestuursorgaan zijn bezwaarschrift heeft ontvangen. Wat daar ook van zij, als van die datum zou worden uitgegaan, is ook geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
10.4. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
1050