202307387/1/R2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Westerhoven, gemeente Bergeijk,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Westerhoven, gemeente Bergeijk,
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Westerhoven, gemeente Bergeijk, handelend onder de naam eenmanszaak [appellante sub 3],
appellanten,
en
de raad van de gemeente Bergeijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en [appellante sub 3] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad, [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
[appellante sub 3] en anderen hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd dan wel bijgestaan door [gemachtigde], [appellante sub 3] en anderen, bijgestaan of vertegenwoordigd door mr. T. Hurkmans, advocaat in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door K. Steijvers, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A], [partij B] en [partij C], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 13 januari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van de gronden van de veehouderij aan de [locatie 1] in Westerhoven. Daarvoor wordt (een deel van) de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de [locatie 1] en de [locatie 2] gesaneerd en worden in de plaats dertien woningen gebouwd aan de [locatie 1].
2.1. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen wonen direct aan de westzijde aan het plangebied. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. [appellante sub 3] en anderen exploiteren een agrarisch bedrijf aan de zuidoostzijde van het plangebied. Zij vrezen dat hun bedrijfsvoering wordt beperkt.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Besluit college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant
4. [appellant sub 2] en anderen betogen tevergeefs dat het bestemmingsplan niet zorgvuldig is vastgesteld, omdat het is gebaseerd op het besluit van het college van gedeputeerde staten (GS) van Noord-Brabant van 28 februari 2023 waarin de grenzen van het Stedelijk gebied in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) zijn gewijzigd. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen aanvoeren over de ruimtelijke kwaliteit en een doelmatige uitvoering geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van GS in strijd is met hoger recht en GS dat besluit niet heeft mogen vaststellen.
Spuitzone gewasbeschermingsmiddelen
5. [appellante sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s bij de voorziene woningen, terwijl deze niet zijn uitgesloten. De voorziene woningen grenzen namelijk aan gronden waar [appellante sub 3] en anderen gewasbeschermingsmiddelen mogen gebruiken. Daarover voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. De afstand tussen de agrarische gronden van [appellante sub 3] en anderen en de dichtstbijzijnde voorziene woningen en/of tuinen is 0 m. Ten onrechte is bij de voorbereiding van het plan geen nader onderzoek uitgevoerd en ontbreekt een deugdelijke motivering waarom in dit geval een kortere afstand mogelijk is. Het opnemen van een voorwaardelijk verplichte haag in artikel 10.4.2 van de planregels is niet voldoende.
5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, omdat op dit moment binnen een afstand van 50 m van het plangebied geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. [appellante sub 3] en anderen telen namelijk geen gewassen, bomen of fruit. Desondanks is er in artikel 10.4.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat het gebruik van woningen uitsluitend is toegestaan als bij de aanduiding "Groen - afschermende haag" een dubbele afschermende meidoorn- of sleedoornhaag is ingericht. Deze haag schermt de voorziene woningen af van drift van eventuele gewasbeschermingsmiddelen die op grond van het bestemmingsplan wel zijn toegestaan.
5.2. Vaste rechtspraak is dat er geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstanden bestaan tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen en tuinen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868). In het algemeen wordt een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:804). Dit betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, maar aan het hanteren van een kortere afstand moet een goede motivering ten grondslag worden gelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303).
5.3. De raad heeft niet goed gemotiveerd dat het bestemmingsplan onaanvaardbare gezondheidsrisico’s door gewasbeschermingsmiddelen uitsluit. De raad is bij de vaststelling van het bestemmingsplan namelijk ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Weliswaar worden er op de agrarische percelen van [appellante sub 3] en anderen op dit moment geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, maar het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" sluit dit niet uit. In dit geval is de afstand tussen de woonbestemmingen op een aantal percelen in het plangebied en de agrarische percelen van [appellante sub 3] en anderen korter dan 50 m, namelijk 0 m. Een kortere afstand dan 50 m kan slechts worden gehanteerd als een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek daartoe aanleiding geeft. De voorwaardelijke verplichting van artikel 10.4.2 van de planregels dat het gebruik van woningen uitsluitend is toegestaan als bij de aanduiding "Groen - afschermende haag" een in dat artikel genoemde haag is ingericht, is dan ook onvoldoende. Dit betekent dat het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is genomen.
Het betoog slaagt.
Woningbehoefte
6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan niet voorziet in de actuele woningbehoefte in Bergeijk. Er is namelijk behoefte aan woningen voor starters, seniorenwoningen/levensloopbestendige woningen en sociale huurwoningen.
6.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan op het punt van de woningbehoefte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft namelijk toegelicht dat er bij alle doelgroepen behoefte is aan woningen en niet elke nieuwe woning hoeft een woning te zijn voor starters, een seniorenwoning/levensloopbestendige woning of een sociale huurwoning. Ook zorgen de nieuwe woningen aan de [locatie 1] voor doorstroom vanuit andere woningen die dan beschikbaar komen voor bijvoorbeeld starters. De raad heeft dan ook deugdelijk gemotiveerd dat het plan voorziet in de actuele woningbehoefte in Bergeijk.
Het betoog slaagt niet.
Zorgvuldig ruimtegebruik
7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.6 van de IOV. Daarover voeren zij aan dat de toedeling van functies voor het grootste gedeelte niet plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, namelijk het werkingsgebied Stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Volgens [appellant sub 2] en anderen is binnen het bestaand ruimtebeslag voldoende ruimte om de voorziene woningen te bouwen.
7.1. Artikel 3.6, eerste lid, van de IOV bepaalde op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dat zorgvuldig ruimtegebruik inhoudt dat:
a) de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
[…]
Op grond van het tweede lid wordt onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing verstaan het werkingsgebied Stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel.
7.2. De Afdeling stelt vast dat het plangebied aan de [locatie 1] in de IOV en op de bijbehorende kaart is toegevoegd aan het werkingsgebied Stedelijk gebied. Hiermee vindt de toedeling van functies dan ook plaats binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing en is er alleen al daarom sprake van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 3.6 van de IOV. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.6 van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Ontwikkeling stedelijk gebied
8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met de artikelen 3.78, derde lid, onder a, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Daarover voeren zij aan dat het plangebied niet in een bebouwingsconcentratie ligt, omdat er lintbebouwing met verspreide bebouwing aanwezig is. Aan de bestaande karakteristieke lintbebouwing wordt afbreuk gedaan en het plan leidt tot een verstening van het platteland. Verder is het plangebied gescheiden van de dorpskern door tussenliggende percelen.
8.1. Artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV bepaalde op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dat een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied als deze ontwikkeling op een aanvaardbare locatie plaatsvindt. Artikel 3.78, derde lid, van de IOV bepaalde op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dat sprake is van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of bebouwingsconcentratie.
8.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikelen 3.78, derde lid, onder a, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de Ekkerweg een zijstraat is van het historische lint aan de Provincialeweg van Westerhoven. Doordat de ontwikkeling aansluit op het historische lint naar de dorpskern, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het ook aansluit bij de historische wijze van dorpsuitbreiding waarbij gaandeweg kleinschalige nieuwe woongebieden aan weerszijden van het lint zijn ontstaan. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, is het plangebied dan ook niet gescheiden van de dorpskern. De raad heeft zich op basis daarvan op de zitting op het standpunt mogen stellen dat de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of bebouwingsconcentratie en daarmee dus een aanvaardbare locatie is voor de ruimte-voor-ruimtewoningen.
Het betoog slaagt niet.
De ruimte-voor-ruimteregeling
9. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV, omdat onvoldoende is gewaarborgd dat de voorziene woningen daadwerkelijk ruimte-voor-ruimtewoningen zijn. Daarover voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat in het plan slechts aan een zeer beperkt deel van het plangebied de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte kavel" is toegekend, zodat niet is geborgd dat de voorziene ruimte-voor-ruimtewoningen er ook komen. Ook de voorwaardelijke verplichting van artikel 10.2.4 van de planregels gaat over een beperkt deel van het plangebied en is daardoor ontoereikend. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting aangevoerd dat twee woningen die in het plan zijn voorzien nog niet beschikken over de verplichte ruimte-voor-ruimtetitels.
9.1. Artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV bepaalde op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan dat een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied als deze ontwikkeling door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit.
9.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat al zes ruimte-voor-ruimtetitels zijn aangekocht. Weliswaar zijn voor twee percelen inderdaad nog geen titels aangekocht, maar daarom heeft de raad voor die twee percelen een functieaanduiding en een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het plan. In de voorwaardelijke verplichting van artikel 10.2.4 van de planregels is bepaald dat het uitvoeren van bouwwerkzaamheden op de gronden met de bestemming "Wonen" uitsluitend is toegestaan als onder meer voldaan is aan de voorwaarde dat er bij de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte kavel' bewijs wordt overlegd dat wordt voldaan aan de regels voor ruimte-voor-ruimtekavels zoals opgenomen in de IOV of vervangende provinciale verordening. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee voldoende gewaarborgd dat de voorziene woningen daadwerkelijk ruimte-voor-ruimtewoningen zijn.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvisie
10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.46 van de Awb, omdat de raad niet heeft gemotiveerd of wordt voldaan aan de Omgevingsvisie Bergeijk. Volgens [appellant sub 2] en anderen heeft de raad ten onrechte aan de structuurvisie "Bergeijk; Leven en Beleven; tussen bossen, beken en boerenland" van 3 juni 2010 getoetst, aangezien deze op 24 februari 2022 is ingetrokken en op 24 februari 2022 ook de Omgevingsvisie is vastgesteld.
10.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de Omgevingsvisie. Op grond van de Omgevingsvisie is het plangebied namelijk aangeduid als potentiële uitbreidingslocatie en moet in Westerhoven ruimte voor nieuwe ontwikkelingen worden gezocht op de akkergebieden die direct aan de kern zijn gelegen. Wat [appellant sub 2] en anderen aanvoeren, leidt niet tot het oordeel dat het plan in strijd is met het motiveringsbeginsel.
Het betoog slaagt niet.
Bosperceel
11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat in het plan niet is gewaarborgd dat de gronden met de bestemming "Bos" als zodanig worden gebruikt. Daarover voeren zij aan dat het bosperceel deel gaat uitmaken van de bouwkavels en die gronden worden overgedragen aan de eigenaren van deze kavels, waardoor de bosbestemming verloren gaat.
11.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de raad in het plan voldoende heeft gewaarborgd dat de gronden met de bestemming "Bos" als zodanig worden gebruikt. De gronden mogen namelijk niet in strijd met de bosbestemming worden gebruikt en aan de gronden met de bosbestemming is in het plan de gebiedsaanduiding "overige zone - ecologische hoofdstructuur" toegekend. In artikel 10.4.1, aanhef en onder e, van de planregels is bovendien een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat het gebruik van woningen uitsluitend is toegestaan voor zover aan de voorwaarde is voldaan dat de ecologische hoofdstructuur bij deze aanduiding duurzaam in stand wordt gehouden.
Het betoog slaagt niet.
Water
12. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat onduidelijk is of en hoeveel het plangebied of delen daarvan vanwege de waterhuishouding moet worden opgehoogd en wat daarvan de effecten voor [appellant sub 2] en anderen zijn. Volgens hen kan het ophogen van het plangebied gevolgen hebben voor de waterafvoer van hun percelen en bestaat de mogelijkheid dat de woonpercelen in het plangebied hoger komen te liggen dan de woonpercelen van [appellant sub 2] en anderen. De raad had hiernaar nader onderzoek moeten doen en de mogelijke effecten bij het besluit van 21 september 2023 moeten betrekken.
12.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan op het punt van de waterhuishouding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In paragraaf 5.3.4 van de plantoelichting staat dat voor de aansluiting op de omgeving en om de kans op wateroverlast te minimaliseren wordt aanbevolen de maaiveldhoogte aan te sluiten op de hoogtes van de omliggende bestaande kavels en wegen. De raad heeft toegelicht dat dit betekent dat het plangebied na ophoging niet hoger komt te liggen dan de omliggende woningen. Het plangebied ligt momenteel namelijk lager dan het maaiveld, terwijl de omliggende woningen gelijk liggen aan of hoger liggen dan het maaiveld. Verder heeft de raad ook goed toegelicht dat de groenzone die is voorzien in het noordelijke deel van het plangebied kan worden ingezet voor de infiltratie en berging van het afstromende hemelwater. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan niet zorgvuldig is vastgesteld, omdat de verkeersontsluiting in het plan onduidelijk is. Daarover voeren zij aan dat is toegezegd dat geen ontsluiting aan de noordzijde van het plangebied wordt gerealiseerd, terwijl in de plantoelichting staat dat een route voor langzaam verkeer zal worden gerealiseerd die het plangebied verbindt met de Ekkerweg en de Heijerstraat. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat als een ontsluiting aan de noordzijde wordt gerealiseerd een deel van de verkeersafwikkeling via de Ekkerweg zal plaatsvinden.
13.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan op het punt van de verkeersontsluiting niet onzorgvuldig is vastgesteld. Aan de gronden met de bestemming "Groen" in de noordzijde van het plangebied is namelijk de functieaanduiding "ontsluiting uitgesloten" toegekend. Ook is in artikel 6.1 van de planregels gewaarborgd dat bij de aanduiding "ontsluiting uitgesloten" het aanleggen en gebruiken van een ontsluiting voor autoverkeer niet is toegestaan. Alleen voorzieningen voor langzaam verkeer en calamiteitenverkeer zijn toegestaan. Op de zitting is gebleken dat [appellant sub 1] en anderen vrezen dat de ontsluiting in de noordzijde van het plangebied zal worden gebruikt voor autoverkeer. Naar het oordeel van de Afdeling is artikel 6.1 van de planregels duidelijk en volgt daaruit dat een ontsluiting voor autoverkeer in de noordzijde van het plangebied niet is toegestaan. Als de voorziene ontsluiting in strijd met het bestemmingsplan door autoverkeer wordt gebruikt, is dat een kwestie van handhaving die niet in deze procedure aan de orde kan komen.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
14. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan hun woon- en leefklimaat aantast. Daarover voeren zij allereerst aan dat de geleidelijke natuurlijke overgang van het bebouwingslint naar het achterliggende bosgebied door groenblokken en stroken niet in het plan is gewaarborgd. Ook is het realiseren en het in stand houden van het groen tussen de nieuwe woningen en tussen de nieuwe woningen en bestaande woningen niet in het plan gewaarborgd. Momenteel grenzen de percelen van [appellant sub 2] en anderen namelijk aan agrarisch onbebouwd gebied, zodat er sprake is van een groene overgang. Daarnaast had volgens [appellant sub 2] en anderen een maximum percentage verharding en verstening voor de woonpercelen moeten worden opgenomen, zodat het groene karakter van het plangebied kan worden gewaarborgd. Ten tweede voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat het inrichtingsplan onvoldoende objectief is bepaald en de stedenbouwkundige uitgangspunten uit het inrichtingsplan niet of slechts deels zijn overgenomen in het plan, zoals het volume en de goothoogte van de voorziene woningen en de situering van bijgebouwen in het plangebied, maar ook de kleur, materialisering en detaillering van de woningen en gebouwen. De artikelen 10.4.1 en 10.4.2 van de planregels bieden onvoldoende duidelijkheid over de concrete landschappelijke inrichting.
14.1. De Afdeling stelt voorop dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.
14.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan het (groene) woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar aantast. In de voorwaardelijke verplichting van artikel 10.4.1 van de planregels is ten eerste gewaarborgd dat het gebruik van woningen uitsluitend is toegestaan als is voldaan aan de voorwaarde dat binnen twee jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden de openbare ruimte in het plangebied is ingericht in overeenstemming met het beplantingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 onder paragraaf 5.3 en dat de inrichting van de openbare ruimte duurzaam in stand moet worden gehouden. Verder heeft de raad mogen betrekken dat de bouw- en goothoogtes en het bouwvolume in het bestemmingsplan zijn vastgelegd en deze overeenkomen met de maatvoering in figuur 5.7 van het inrichtingsplan.
14.3. Ook heeft de raad in zijn standpunt mogen betrekken dat de open structuur van het plangebied voldoende in het plan is gewaarborgd. Aan de gronden waarop de nieuwe woningen in het plangebied zijn voorzien is namelijk de bouwaanduiding "vrijstaand" toegekend en in het plan is bepaald hoeveel woningen binnen de bouwvlakken mogen worden gerealiseerd. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij het niet aannemelijk acht dat de woningen in het plangebied dicht tegen elkaar aan worden gebouwd, maar zelfs als dat wel het geval is, is de open structuur van het plangebied voldoende gewaarborgd, omdat in het plan onder meer is vastgelegd hoeveel vrijstaande woningen in de bouwvlakken mogen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen verder aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat hun woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast.
Het betoog slaagt niet.
Natuurcompensatie
15. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de natuurcompensatie in het plan niet voldoende is vastgelegd.
15.1. De rechtsnorm waarop [appellant sub 1] en anderen een beroep doen, strekt kennelijk niet tot de bescherming van hun belang. Zij doen een beroep op het belang van een goede woon- en leefomgeving. Weliswaar wonen zij aan het plangebied aan de [locatie 1], maar de natuurcompensatie vindt plaats in het plangebied aan de [locatie 2]. De woningen van [appellant sub 1] en anderen zijn zo ver verwijderd van het plangebied aan de [locatie 2] dat hun directe woon- en leefomgeving niet samenvalt met de omgeving van het plangebied aan de [locatie 2].
Het betoog van [appellant sub 1] en anderen kan vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Daarom zal de Afdeling dit betoog niet inhoudelijk bespreken.
Archeologie
16. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat de archeologische lagen bij de afweging betrokken hadden moeten worden.
16.1. De rechtsnorm tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden, strekt kennelijk niet tot de bescherming van het belang van [appellant sub 2] en anderen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.73 e.v., betekent de enkele omstandigheid dat een appellant eigenaar is van een perceel in de nabijheid van een in een bestemmingsplan voorzien gebouw of werk nog niet dat hij in rechte kan opkomen voor het algemene belang van de bescherming van archeologische waarden. [appellant sub 2] en anderen doen een beroep op het belang gevrijwaard te blijven van nadelige gevolgen van het bestemmingsplan voor hun woon- en leefklimaat. Dat belang omvat niet het algemeen belang van archeologische waarden.
Het betoog van [appellant sub 2] en anderen kan vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Daarom zal de Afdeling dit betoog niet inhoudelijk bespreken.
Bodem
17. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezige bodemverontreiniging en de saneringslocatie nog niet akkoord is bevonden, omdat uit het bodemonderzoek blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd.
17.1. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand had moeten inzien dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.
17.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het aspect bodem redelijkerwijs op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hoewel uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat bij het plangebied aan de [locatie 1] asbest- en zinkverontreinigingen zijn aangetroffen, volgt uit deze onderzoeken en de plantoelichting ook dat voor het geschikt maken van het plangebied voor woningbouw een nader te bepalen saneringsmaatregel moet worden verricht en een saneringsplan moet worden opgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
18. [appellante sub 3] en anderen verzoeken om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
18.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
18.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellante sub 3] en anderen ontvangen op 17 november 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 5 maanden en 26 dagen overschreden.
18.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding van € 500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gezamenlijk procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder de helft van dat bedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:245, onder 45.
Conclusie
19. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen zijn ongegrond. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is gegrond. Het besluit van 21 september 2023, waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" is vastgesteld, wordt vernietigd, omdat het in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
20. De Staat moet [appellante sub 3] en anderen een schadevergoeding betalen, omdat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
21. De raad moet de proceskosten van [appellante sub 3] en anderen vergoeden. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen te vergoeden.
22. De Staat moet de proceskosten van [appellante sub 3] en anderen voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen ongegrond;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en anderen gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergeijk van 21 september 2023, waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" is vastgesteld;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 3A] en anderen een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en anderen in verband met de behandeling van hun verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Bergeijk aan [appellant sub 3A] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Jurgens
voorzitter
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
638-1150