202203931/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Eindhoven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/421 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door drs. N.M.H.A. van Hirtum en mr. S.E. Kordi, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] staat in de brp ingeschreven als [naam A], geboren op [geboortedatum A] 1974 in Yazman Köyü, Turkije. Deze gegevens zijn ontleend aan een door hem afgelegde verklaring onder ede na aankomst in Nederland in 2000. [appellant] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, zijn persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972 in Idil, Turkije. Hij stelt dat hij en zijn gezin een valse identiteit hebben aangenomen toen zij in Nederland aankwamen.
2. Bij zijn aanvraag heeft [appellant] de volgende stukken verstrekt:
- Een Turks rijbewijs van [naam B], afgegeven op 9 oktober 1992;
- Een uittreksel van een geboorteakte van [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972, afgegeven op 29 december 1999;
- Een uittreksel van de burgerlijke stand van de familie [naam B];
- Verklaring van huwelijksbevoegdheid van [naam B] met [echtgenoot] van 29 december 1999;
- Een verzoek tot identiteitsvaststelling van het Turks consulaat in Rotterdam door [appellant] van 6 september 2019;
- Een Turks proces-verbaal van een verhoor tot identiteitsvaststelling van [naam B], afgelegd door [persoon A], van 18 november 2019;
- Een kopie van een identiteitsbewijs van [persoon A] en [persoon B];
- Een Turks identiteitsbewijs van [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972, geldig tot 21 december 2029;
- Een Turks paspoort van [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972, van 31 januari 2020;
- een uittreksel van een geboorteakte van [naam B], afgegeven op 24 januari 2020.
3. Het college heeft het verzoek afgewezen. De reden hiervoor is dat het college vindt dat niet is komen vast te staan dat de door [appellant] verstrekte documenten op hem betrekking hebben. Het college twijfelt aan de procedure die in Turkije is gevolgd om de identiteit van [appellant] vast te stellen.
De uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] terecht heeft afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat [appellant] de persoon is die hij stelt te zijn. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gestelde identiteit van [appellant]. Uit het gezichtsvergelijkend onderzoek dat door [appellant] hangende beroep is verstrekt, blijkt onvoldoende op welke manier dit onderzoek is verricht en op basis waarvan de conclusie is getrokken dat het op de verschillende documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid om dezelfde persoon gaat. Verder was het college niet verplicht om de documenten van [appellant] op echtheid te laten onderzoeken omdat het college slechts hiertoe gehouden is als vaststaat dat zowel de oude als nieuwe documenten op [appellant] zien.
Hoger beroep
5. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980 (de overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken om identiteitsgegevens te wijzigen in de brp. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep.
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met het gezichtsvergelijkend onderzoek onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij verwijst [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2910, en naar de toelichting van het bedrijf over de wijze waarop het gezichtsvergelijkende onderzoeken uitvoert. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in Turkije geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar zijn identiteit. Daartoe voert hij aan dat de getuigenverklaringen over zijn identiteit worden ondersteund door de identiteitsbewijzen van de getuigen. Omdat het college niet twijfelt aan de echtheid van het paspoort, dient bovendien uit te worden gegaan van de juistheid van de gegevens in het afgegeven paspoort, aldus [appellant].
7. Op 13 februari 2023 heeft [appellant] twee verwantschapsonderzoeken verstrekt. Uit het onderzoek zou blijken dat [appellant] en de heer [persoon C] dezelfde biologische ouders hebben. Daarnaast volgt uit het tweede onderzoek dat mevrouw [persoon D] de biologische moeder is van mevrouw [persoon E].
Paspoort
8. Partijen zijn het erover eens dat het Turkse paspoort en de Turkse identiteitskaart met geboortedatum [geboortedatum B] 1972, brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Ook zijn partijen het erover eens dat de uittreksels van de geboorteakte brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp. Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak heeft overwogen, betekent het feit dat een document een brondocument is niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp, als aannemelijk is dat voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat geldt ook als het overgelegde brondocument een paspoort is. Wel moet het college in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort uitgaan. Het is aan het college om een eventuele betwisting daarvan aannemelijk te maken. Het college draagt daarvoor dus de bewijslast. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het brondocument in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
8.1. Op basis van het voorgaande moet het college in beginsel van de juistheid van de gegevens in het Turkse paspoort van 31 januari 2020 uitgaan. Het college twijfelt echter aan de wijze waarop de identiteitsvaststelling voorafgaand aan de afgifte van het paspoort in Turkije is verlopen. Uit de getuigenverklaring die door [appellant] is verstrekt volgt niet op welke manier de autoriteiten de identiteit van de getuige hebben gecontroleerd. Verder is de getuigenverklaring volgens het college onvoldoende objectief. De getuige is een vermeend familielid van [appellant]. Zij hebben elkaar bovendien jaren niet gezien.
8.2. De Afdeling stelt op basis van het dossier vast dat het college van de volgende feiten is uitgegaan. Uit het algemeen ambtsbericht Turkije 2010 volgt dat vanuit het buitenland een paspoort kan worden aangevraagd bij Turkse consulaten in het betreffende land. Men moet zich dan aanmelden bij het betreffende consulaat. Dit heeft [appellant] gedaan. Uit het besluit van 7 januari 2021 volgt dat het college aanneemt dat [appellant] aan het consulaat drie namen van in Turkije wonende personen heeft doorgegeven die hem zouden kunnen identificeren. Twee personen zijn in Turkije door de plaatselijke autoriteiten uitgenodigd om een verklaring af te leggen. Deze personen hebben tegenover de autoriteiten aan de hand van een kopie van de pasfoto op de verblijfsvergunning van [appellant] en naar aanleiding van persoonlijke op [appellant] betrekking hebbende vragen, verklaard dat de foto en de gestelde identiteitsgegevens, aan de heer [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972, toebehoren. Vervolgens is via het Turks consulaat in Rotterdam op basis van de identiteitsvaststelling een nieuw Turks identiteitsbewijs en paspoort verstrekt. [appellant] heeft een van deze verklaringen overgelegd, afgelegd door [persoon A].
8.3. De Afdeling is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort kennelijk onbehoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarvoor acht de Afdeling allereerst van belang dat uit het algemeen ambtsbericht Turkije van 2010 niet blijkt dat er aanwijzingen bestaan dat de afgifte van paspoorten of identiteitsbewijzen in Turkije onbetrouwbaar is. Dit volgt ook niet uit meer recente ambtsberichten. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het in algemene zin ook niet twijfelt aan de afgiftepraktijk van paspoorten in Turkije.
Het college bestrijdt verder ook niet dat de Turkse autoriteiten de identiteit van [naam B] hebben vastgesteld op de wijze zoals onder 8.2 beschreven. Anders dan het college stelt, is de Afdeling van oordeel dat uit de getuigenverklaring kan worden afgeleid dat de identiteit van de getuige door de autoriteiten is vastgesteld. Op het proces-verbaal staan namelijk de identiteitsgegevens van de getuige vermeld, waaronder de naam, geboortedatum, de gegevens van de ouders en het Turks BSN-nummer. Uit het proces-verbaal volgt dat de getuige aan de autoriteiten bevestigt dat deze gegevens juist zijn. Bovendien komen de naam, geboortedatum en het BSN-nummer, overeen met de gegevens op de kopie van het identiteitsbewijs van de getuige dat door [appellant] is overgelegd. Dit vormt dus geen reden om aan de getuigenverklaring te twijfelen.
Het college heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat het met name twijfelt aan de getuigenverklaring door het gebrek aan kennis over de door de Turkse autoriteiten gevolgde procedure. Dat is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort te betwisten. Dat geldt ook voor de stelling van het college dat de getuigenverklaring niet objectief is omdat de getuige een vermeend familielid is en hij [appellant] jaren niet zou hebben gezien. De betrouwbaarheid van de door de Turkse autoriteiten gevolgde afgiftepraktijk van paspoorten, waaronder identiteitsvaststelling, wordt niet betwist. In dat kader zijn de verklaringen van de getuigen over de identiteit van betrokkene door de Turkse autoriteiten geaccepteerd. Dat deze getuigenissen uit de familie-of vriendenkring afkomstig zijn, kan betrokkene in dit geval niet worden tegengeworpen. Gelet op deze omstandigheden had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen om te kunnen onderbouwen dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit heeft het college echter niet gedaan, ook niet nadat het college door de Afdeling is geïnformeerd over het gewijzigde beoordelingskader neergelegd in de overzichtsuitspraak. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college desgevraagd toegelicht dat het niet weet op welke manier het in dit geval invulling kan geven aan het verrichten van nader onderzoek. Dat is een omstandigheid die naar het oordeel van de Afdeling voor risico van het college komt. Het college is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort kennelijk onbehoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie
9. De conclusie is dat het Turkse paspoort van 31 januari 2020 een brondocument is en dat het college er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat voorafgaand aan de afgifte daarvan geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het paspoort volgt daarom buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [appellant] betrekking hebben. Dit betekent dat uit het paspoort buiten redelijke twijfel volgt dat [appellant] de persoon [naam B] is.
Nader bewijs: het verwantschapsonderzoek
10. De uitkomst van een verwantschapsonderzoek heeft een aanvullend karakter ten opzichte van de gegevens uit brondocumenten. Zoals hiervoor is overwogen, is het paspoort een brondocument en volgt uit het paspoort buiten redelijke twijfel dat [appellant] de persoon [naam B] is. Uit het verwantschapsonderzoek volgt dat praktisch bewezen is dat de persoon geïdentificeerd als [persoon C] dezelfde biologische ouders heeft als [appellant]. Uit het paspoort en het verwantschapsonderzoek samen volgt dus buiten redelijke twijfel dat [appellant] de persoon [naam B] is en dezelfde biologische ouders heeft als [persoon C].
10.1. Het betoog slaagt.
Nader bewijs: het gezichtsvergelijkend onderzoek
11. De uitkomst van een gezichtsvergelijkend onderzoek heeft een aanvullend karakter ten opzichte van de gegevens uit brondocumenten. Uit het gezichtsvergelijkend onderzoek volgt dat na vergelijking van de foto’s op het Turkse identiteitsbewijs van 1992 en het Turkse paspoort van 2020, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld kan worden dat het om dezelfde persoon gaat. In het onderzoek wordt dezelfde conclusie getrokken na de vergelijking van de foto’s tussen het Turkse paspoort van 2020 en de verblijfsvergunning van [appellant] en na vergelijking van het Turkse identiteitsbewijs van 1992 met de verblijfsvergunning van [appellant]. Het college stelt zich op het standpunt dat niet inzichtelijk is gemaakt welke onderzoeksmethode Securitech heeft toegepast.
11.1. Wat hiervoor onder 8 tot en met 10 is overwogen leidt al tot de conclusie dat het betoog van [appellant] slaagt. Dat de onderzoeksmethode van het gezichtsvergelijkend onderzoek niet inzichtelijk is gemaakt, kan daar, wat er verder van zij, geen verandering in brengen.
Conclusie
12. Uit het paspoort van 31 januari 2020 volgt buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Dat betekent dat het college de gegevens over de in het paspoort vermelde naam, geboortedatum en geboorteplaats in de brp moeten wijzigen.
13. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 januari 2021 vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 14 april 2020 te herroepen. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
14. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/421;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 7 januari 2021, kenmerk BZ-20-0201-001;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 14 april 2020, kenmerk PC/BEO;
VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van [appellant], geboren op [geboortedatum A] 1974 in Yazman Köyü, Turkije, te wijzigen in [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1972 in Idil, Turkije;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 455,00, vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
973