202206251/1/A3 en 202206300/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in de gedingen tussen:
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (Natuurmonumenten), gevestigd in Amersfoort,
appellante,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur),
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2016 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Nederlandse Vissersbond, VisNed, CPO Wieringen U.A. en CPO Rousant U.A. (de Nederlandse Vissersbond en anderen) een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het uitoefenen van garnalenvisserij in Natura 2000-gebieden.
Bij besluit van 16 februari 2017 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken aan het Vergunningenhuis (thans: Natuur & Ruimte) een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming verleend voor het uitoefenen van garnalenvisserij in Natura 2000-gebieden.
Bij afzonderlijke besluiten van 22 september 2022 heeft de minister opnieuw de tegen de besluiten van 15 december 2016 en 16 februari 2017 gemaakte bezwaren van Natuurmonumenten ongegrond verklaard.
Tegen deze besluiten heeft Natuurmonumenten beroep ingesteld. Zaaknummer 202206251/1/A3 gaat over de vergunning van de Nederlandse Vissersbond en anderen en zaaknummer 202206300/1/A3 gaat over de vergunning van Natuur & Ruimte.
De minister heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De minister en Natuurmonumenten hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken op zitting behandeld op 11 maart 2026, waar Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu en mr. M.J.H. van der Burgt, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting de Nederlandse Vissersbond en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], als partij gehoord.
Overwegingen
Wat vooraf ging
1. Op 15 december 2016 hebben de Nederlandse Vissersbond en anderen een vergunning gekregen voor het uitoefenen van garnalenvisserij in Natura 2000-gebieden voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022. Op 16 februari 2017 heeft het Vergunningenhuis namens zes garnalenvissers een vergunning gekregen voor het uitoefenen van garnalenvisserij in Natura 2000-gebieden voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022. Natuurmonumenten heeft tegen de verleende vergunningen bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke besluiten van 8 juni 2018 heeft de minister de door Natuurmonumenten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij einduitspraken van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:428 en ECLI:NL:RVS:2021:427, heeft de Afdeling de besluiten van 8 juni 2018 vernietigd en de minister opgedragen om opnieuw op de bezwaren te beslissen. Tegen de te nemen nieuwe besluiten kon alleen bij de Afdeling beroep worden ingesteld.
3. Ter uitvoering van de opdracht van de Afdeling heeft de minister de besluiten van 12 maart 2021 genomen. De minister heeft de vergunningen in stand gelaten. In haar uitspraken van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:953 en ECLI:NL:RVS:2022:948, heeft de Afdeling de besluiten van 12 maart 2021 vernietigd en de minister opgedragen om opnieuw op de bezwaren te beslissen. Tegen de te nemen nieuwe besluiten kon alleen bij de Afdeling beroep worden ingesteld.
4. Ter uitvoering van deze opdracht van de Afdeling heeft de minister de besluiten van 22 september 2022 genomen. Met die besluiten heeft de minister de vergunningen van de Nederlandse Vissersbond en anderen en Natuur & Ruimte in stand gelaten.
Het beroep
5. Op de zitting bij de Afdeling heeft Natuurmonumenten haar beroepen tegen de besluiten van 22 september 2022 ingetrokken, behalve voor zover deze zien op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Overschrijding van de redelijke termijn
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Voor zaken die uit een bezwaarprocedure en twee rechtelijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal zes maanden, de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep maximaal twee jaar duren. De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat de redelijke termijn verlengd zou moeten worden.
5.2. In dit geval wordt om schadevergoeding verzocht voor meerdere procedures van één belanghebbende. De zaak met nr. 202206351/1/A3 en de zaak met nr. 202206300/1/A3 gaan in wezen over hetzelfde onderwerp en zijn in zowel de bestuurlijke als de rechterlijke fases gezamenlijk behandeld. Daarom is niet aannemelijk dat door de tweede procedure extra spanning en frustratie bij Natuurmonumenten is veroorzaakt. Dat betekent dat in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden, en dat voor de twee zaken samen slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. Vergelijk in dit verband onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1320, onder 4.3, en de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2.
5.3. De redelijke termijn in de zaak met nr. 202206251/1/A3 is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de minister op 26 januari 2017. Voor deze aanvangsdatum is gekozen omdat het bezwaarschrift in de zaak met nr. 202206300/1/A3 op een later tijdstip, te weten, 24 februari 2017 is ingediend. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5120, wordt de periode vanaf de intrekking van het beroep op 11 maart 2026 tot de datum van deze uitspraak, niet meegeteld bij de vaststelling van de duur van de procedure. Door het intrekken van het beroep is het materiële geschil immers geëindigd, waarmee niet langer kan worden gezegd dat sprake is van spanning en frustratie. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf jaar en een maand is overschreden.
5.4. In zaken waarin de judiciële lus is toegepast wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fases de redelijke behandelingsduur is overschreden. De Afdeling zal beoordelen of dit het geval is.
5.5. Van de verschillende rechterlijke fases is alleen in deze laatste beroepsprocedure bij de Afdeling de redelijke termijn overschreden. De Afdeling heeft het beroepschrift van Natuurmonumenten ontvangen op 3 november 2022. De redelijke termijn voor de behandeling van het beroep na een judiciële lus is anderhalf jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn in deze beroepsprocedure met ongeveer 22 maanden is overschreden.
5.6. Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 22/61 deel moet worden toegerekend aan de Afdeling. Gelet op overweging 5.4 wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor het overige, 39/61 deel, toegerekend aan de minister.
5.7. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan Natuurmonumenten toe te kennen bedrag € 5.500,00. Omdat de overschrijding aan de minister en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de de Staat, met een nadere verdeling tussen de twee betrokken ministers. De Staat (de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.516,39 aan Natuurmonumenten en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een bedrag van € 1.983,61 als vergoeding voor door Natuurmonumenten geleden immateriële schade.
5.8. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die Natuurmonumenten heeft gemaakt voor de behandeling van het verzoek. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
II. veroordeelt de Staat (de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) om aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland een schadevergoeding van € 3.516,39 te betalen;
III. veroordeelt de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland een schadevergoeding van € 1.983,61 te betalen;
IV. veroordeelt de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1000