202503328/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Holten, gemeente Rijssen-Holten,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 april 2025 in zaak nr. 24/2888 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft het college een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd om de openbare toegankelijkheid van een pad te herstellen.
Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft het college het besluit van 14 juni 2023 herzien.
Bij besluit van 15 mei 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk, advocaat in Hengelo, en het college, vertegenwoordigd door R.A. Habing, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van de percelen sectie A, nrs. 1371 en 1935, aan de [locatie] in Holten. Op deze percelen is een voetpad gelegen, ook wel aangeduid als het ‘verlengde Hoge Heipad’. Dit voetpad vormt een verbinding tussen de Raalterweg en het Dikkerspad. [appellant] heeft het voetpad in 2021, naar aanleiding van overlast door wandelaars, afgesloten door de poort naar het voetpad ter hoogte van zijn oprijlaan te sluiten.
1.1. Op 14 juni 2023 heeft het college een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd. De last ziet op het herstellen van de openbare toegankelijkheid van het voetpad. Volgens het college is het pad door de afsluiting niet meer openbaar toegankelijk voor wandelaars die vanaf de Holterberg via dit pad naar de Raalterweg willen lopen of andersom. Daarmee is sprake van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rijssen-Holten 2021 (APV). De hoogte van de dwangsom bedraagt € 5.000,00 ineens.
1.2. Bij het besluit van 14 augustus 2023 heeft het college het besluit van 14 juni 2023 aangevuld en herzien. Het college heeft [appellant] gelast de overtreding vóór 15 september 2023 te beëindigen door de openbare toegankelijkheid van het voetpad te herstellen en aansluitend het voetpad openbaar te houden.
Op 15 mei 2024 heeft het college het besluit van 14 augustus 2024 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de last onder dwangsom aan [appellant] mocht opleggen. Hiertoe heeft zij overwogen dat het college terecht heeft vastgesteld dat het voetpad de functie van ‘weg’ vervult, zoals omschreven in artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV en dat sprake is van een openbare weg als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet. De rechtbank heeft onder andere verklaringen van omwonenden die door het college zijn overgelegd aan haar oordeel ten grondslag gelegd.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de last onder dwangsom aan hem mocht opleggen. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het voetpad gedurende meer dan dertig achtereenvolgende jaren, voorafgaand aan 2004, voor een ieder toegankelijk is geweest. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het voetpad een verbinding vormt tussen openbare wegen en dat het voetpad wordt gebruikt door een onbepaalde publieksgroep. Alleen buurtbewoners en enkele dorpelingen kennen de ingang naar het voetpad, omdat de ingang naar het voetpad vanwege de oprijlaan niet zichtbaar is. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat wandelaars slechts vanuit recreatief oogpunt gebruikmaken van het pad en dat paden die alleen recreatief worden gebruikt niet een algemene verkeersfunctie vervullen. [appellant] voert ten slotte aan dat de rechtbank in haar oordeel ten onrechte betekenis heeft toegekend aan zes door het college overgelegde verklaringen van buurtbewoners. Volgens [appellant] zijn de getuigenverklaringen om verschillende redenen ongeloofwaardig.
3.1. Voor de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden is bepalend of het voetpad een openbare weg is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5605, onder 6). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2109, onder 5.2) moet degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk maken. Daarom rust op het college de bewijslast om aannemelijk te maken dat het voetpad openbaar is.
3.2. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet is een weg openbaar wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129, onder 4.1, is een weg niet al voor een ieder toegankelijk in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet indien gedurende dertig achtereenvolgende jaren een ieder in de feitelijke mogelijkheid is geweest die weg te betreden. Dat betreden moet namelijk tevens niet wederrechtelijk zijn geweest en met name dus niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende zijn gebeurd.
3.3. Vast staat dat [appellant] vanaf 2004 kenbaar heeft gemaakt dat derden geen gebruik van het voetpad mogen maken. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het voetpad vóór 2004 gedurende dertig jaar door derden is gebruikt, zoals door de rechtbank is geoordeeld.
3.4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 9.17 opgenomen uitvoerige overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat uit ten minste vijf verklaringen van buurtbewoners kan worden opgemaakt dat het voetpad gedurende dertig achtereenvolgende jaren, voorafgaand aan 2004, voor een ieder toegankelijk is geweest en dat dit pad ook daadwerkelijk als zodanig werd gebruikt. Deze vijf verklaringen worden ondersteund door verklaringen van buurtbewoners die betrekking hebben op een deel van de dertig achtereenvolgende jaren voorafgaand aan 2004. De Afdeling acht deze verklaringen voldoende betrouwbaar. Op de zitting bij de Afdeling is bovendien besproken dat het pad door nabije buurtbewoners altijd is gebruikt. Het feit dat het pad met name zou worden gebruikt door buurtbewoners is niet relevant voor de vraag of het voetpad een openbare weg is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1031