202503293/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2025 in zaak nr. 24/834 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellante] voor een terrasvergunning afgewezen.
Bij besluit van 15 januari 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door M. Keurentjes, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] is gevestigd aan de [locatie] in Amsterdam. Op 19 januari 2023 heeft [appellante] een aanvraag gedaan om een parkeervak tegenover het café in gebruik te mogen nemen als terras. De burgemeester heeft de aanvraag op 24 augustus 2023 afgewezen, omdat de ruimte al als parkeervak wordt gebruikt en het vanwege de hoge parkeerdruk niet mogelijk is om het parkeervak op te heffen. Bij het besluit van 15 januari 2024 heeft de burgemeester de afwijzing gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag om een terrasvergunning heeft mogen afwijzen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester de aanvraag terecht aan de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) en het Terrassenbeleid 2011 heeft getoetst. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat geen sprake is van gelijke gevallen.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag om een terrasvergunning heeft mogen afwijzen. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank in haar oordeel niet heeft onderkend dat de burgemeester de belangen van [appellante] onvoldoende in de belangenafweging heeft meegenomen. Een terras is voor [appellante] essentieel, omdat [appellante] zonder terras klanten misloopt. De burgemeester had haar belangen zwaarder moeten laten wegen.
4. Uit de APV en het Terrassenbeleid blijkt niet dat een terrasvergunning op een parkeervak niet mogelijk is. Wel is een terras niet in overeenstemming met de bestemming verkeer. De burgemeester is evenwel bevoegd om in afwijking van het Bestemmingsplan Westelijke Binnenstad van 2013 toch een terrasvergunning te verlenen. De burgemeester komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan deze bevoegdheid beleidsruimte toe. Zij moet de betrokken belangen afwegen.
De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester gebruik mocht maken van haar bevoegdheid om geen terrasvergunning te verlenen. Hoewel de Afdeling begrijpt dat een terrasvergunning voor [appellante] belangrijk is, heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd waarom het belang van de burgemeester om de parkeerplaats te behouden zwaarder weegt dan het belang van [appellante]. De burgemeester heeft in het besluit van 15 januari 2024 en op de zitting bij de rechtbank en de Afdeling toegelicht dat de autodruk in het stadsdeel waar [appellante] gelegen is, heel hoog is en de parkeerdruk mogelijk nog hoger wordt. Volgens de burgemeester is het niet mogelijk om parkeerplaatsen op te heffen en is het ook niet vanzelfsprekend dat, als parkeerplaatsen wel worden opgeheven, deze omgezet zullen worden naar terrassen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de gevallen die [appellante] heeft genoemd niet vergelijkbaar zijn. Op de zitting heeft de burgemeester benadrukt dat het vast beleid is om geen terrasvergunningen op bestaande parkeervakken te verlenen. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de mededeling te twijfelen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1031