202407683/1/A2.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Nigeria),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 november 2024 in zaak nr. 24/2177 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2022 heeft de minister een aanvraag om verstrekking van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De tekst van de voor deze uitspraak relevante wettelijke bepalingen is opgenomen in de bijlage bij de uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] is op [geboortedatum] 1969 geboren in [plaats], Nigeria, en heeft bij zijn geboorte de Nigeriaanse nationaliteit verkregen. Hij heeft op 25 november 2002 ook de Nederlandse nationaliteit verkregen.
3. Op 14 mei 2003 heeft [appellant] bij de Nigeriaanse autoriteiten een verzoek ingediend om afstand te doen van de Nigeriaanse nationaliteit en daarbij zijn Nigeriaanse paspoort ingeleverd. Op 25 november 2005 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan [appellant] medegedeeld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om afstand te doen van de Nigeriaanse nationaliteit en dat de IND geen verdere actie van hem verwacht. [appellant] is op 17 november 2008 uitgeschreven bij de gemeente Amersfoort vanwege emigratie naar Nigeria.
4. De minister heeft aan het besluit van 5 december 2022 ten grondslag gelegd dat [appellant] op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) niet langer de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat hij sinds 17 november 2008 meer dan tien jaar onafgebroken buiten het Koninkrijk of de Europese Unie heeft gewoond en al die tijd de Nigeriaanse nationaliteit had. Aan [appellant] is tweemaal verzocht om een verklaring van de Nigeriaanse autoriteiten over te leggen met daarin de vermelding dat hij niet meer in het bezit is van de Nigeriaanse nationaliteit. [appellant] heeft deze verklaring niet overgelegd. Daarom wordt het ervoor gehouden dat hij de Nigeriaanse nationaliteit, die hij bij zijn geboorte heeft verkregen, heeft behouden, waardoor hij op 17 november 2018 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.
5. De minister heeft hieraan in het besluit van 13 februari 2024 nog het volgende toegevoegd. Op grond van artikel 28 van de Paspoortwet is het aan de aanvrager om bewijsstukken met betrekking tot zijn nationaliteit over te leggen. Dat de Nigeriaanse autoriteiten geen bevestiging van de afgelegde afstandsverklaring afgeven, neemt niet weg dat [appellant] op andere wijze uitsluitsel had kunnen bieden over zijn Nigeriaanse nationaliteit, bijvoorbeeld via een door de Nigeriaanse autoriteiten verstrekte nationaliteitsverklaring of aanvullende informatie over zijn verblijfsstatus in Nigeria. Ook is niet gebleken op basis van welke documenten hij Nigeria is ingereisd. Bovendien is in de naturalisatieprocedure nooit vastgesteld dat [appellant] afstand heeft gedaan van de Nigeriaanse nationaliteit. Daardoor kan niet worden vastgesteld of hij de Nigeriaanse nationaliteit nog bezit. Als gevolg daarvan kan ook niet worden vastgesteld of [appellant] de Nederlandse nationaliteit nog bezit of dat deze verloren is gegaan door het verstrijken van de tienjarentermijn. [appellant] voldoet dus niet aan de voorwaarden van de Paspoortwet, waardoor de minister zijn aanvraag niet in behandeling heeft kunnen nemen.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft overwogen dat de minister op goede gronden de paspoortaanvraag niet in behandeling heeft genomen. [appellant] heeft onvoldoende zekerheid verschaft over zijn Nederlanderschap. Dat de Nigeriaanse autoriteiten geen bewijs afgeven van de afgelegde afstandsverklaring, betekent niet dat [appellant] in bewijsnood verkeert. Hij kan met andere documenten aantonen dat hij niet langer de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het besluit van 5 december 2022 niet betekent dat hierdoor de Nederlandse nationaliteit is ingetrokken en [appellant] staatloos is geworden. [appellant] heeft de Nederlandse nationaliteit alleen van rechtswege verloren als hij nog over de Nigeriaanse nationaliteit beschikt. [appellant] heeft de mogelijkheid om een nieuwe paspoortaanvraag in te dienen en daarbij alsnog met documenten aan te tonen dat hij de Nigeriaanse nationaliteit niet meer heeft.
Hoger beroep
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de brief van de IND van 25 november 2005 voldoende zekerheid verschaft over zijn Nederlanderschap. Uit deze brief blijkt immers dat hij enkel de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat de minister daarvan had moeten uitgaan. Verder betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij staatloos is geworden, omdat hij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.
Oordeel van de Afdeling
7.1. Dat [appellant], gelet op de brief van de IND van 25 november 2005, destijds al het mogelijke heeft gedaan om afstand te doen van de Nigeriaanse nationaliteit, brengt niet met zich dat hij deze nationaliteit naar het oordeel van de Nederlandse autoriteiten daadwerkelijk heeft verloren en dat hij erop kan vertrouwen dat hij enkel de Nederlandse nationaliteit bezit. Uit de brief volgt slechts dat er geen reden was om het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN in te trekken. Dit doet niet af aan de mogelijkheid dat [appellant] de Nederlandse nationaliteit naderhand alsnog op een andere wijze zou kunnen verliezen. Aan de brief komt dus niet de betekenis toe die hij daaraan verbindt. Het niet in behandeling nemen van de paspoortaanvraag is, anders dan [appellant] kennelijk meent, niet in strijd met de inhoud van de brief.
Het betoog slaagt niet.
7.2. Voor het overige is het betoog in hoger beroep een herhaling van wat [appellant] ook al in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daarop gemotiveerd ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, onder 5.6 van de aangevallen uitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
452-1197
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
[…]
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van dertien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;
d. door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen;
[…].
Paspoortwet
Artikel 28
1. De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.
2. De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.
[…].