ECLI:NL:RVS:2026:2888

ECLI:NL:RVS:2026:2888

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 202401089/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het restaureren van een grafmonument afgewezen. [wederpartij] heeft verzocht om een vergunning voor het restaureren van het grafmonument op het graf van zijn familie, gelegen op de Oude Begraafplaats in Gooise Meren (hierna: de begraafplaats). Het graf bestaat uit een natuurstenen grafmonument met een gemetselde bakstenen rand er omheen. [wederpartij] wil de gemetselde rand vervangen door natuurstenen banden in dezelfde maat. Het college heeft de vergunning geweigerd op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke Oude Begraafplaats van de gemeente Gooise Meren 2017. De rechtbank heeft het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft kort weergegeven overwogen dat de gehele begraafplaats is aangewezen als beschermd monument, maar dat uit het aanwijzingsbesluit niet kan worden opgemaakt dat ook de afzonderlijke graven zelf van monumentale waarde zijn.

Uitspraak

202401089/1/A3.

Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 11 januari 2024 in zaak nr. 23/2482 in het geding tussen:

het college

en

[wederpartij], wonend in Naarden, gemeente Gooise Meren.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2022 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om verlening van een vergunning voor het restaureren van een grafmonument afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2023 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:721) heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 17 februari 2026 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 17 februari 2026.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.J.M. Boogaarts, E.P. Wagenaar en L.A.H. Bok, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Waar gaat deze zaak over?

2. [wederpartij] heeft verzocht om een vergunning voor het restaureren van het grafmonument op het graf van zijn familie, gelegen op de Oude Begraafplaats in Gooise Meren (hierna: de begraafplaats). Het graf bestaat uit een natuurstenen grafmonument met een gemetselde bakstenen rand er omheen. [wederpartij] wil de gemetselde rand vervangen door natuurstenen banden in dezelfde maat.

Het college heeft de vergunning geweigerd op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke Oude Begraafplaats van de gemeente Gooise Meren 2017 (hierna: de Verordening). Daarin is bepaald dat het college de vergunning kan weigeren indien (b) de grafbedekking niet passend is binnen de status van de begraafplaats als rijksmonument en (c) de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door wijziging van het materiaal van het grafmonument de monumentale waarden van de begraafplaats verminderen. Het vervangen van het materiaal van de gemetselde rand is, gelet op de richtlijnen in het "Beheerplan Oude Begraafplaats, Deelplan ten behoeve van graven en opstallen op de Oude Begraafplaats" (hierna: het Deelplan), niet wenselijk. De staat van het metselwerk is nog voldoende voor de functie van deze rand. Een wijziging van het materiaal tast het tijdsbeeld aan waardoor deze wijziging een negatief effect heeft op de monumentale waarde van de begraafplaats als geheel. Het college heeft het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen de weigering van de vergunning ongegrond verklaard.

Wat heeft de rechtbank overwogen?

3. De rechtbank heeft het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft kort weergegeven overwogen dat de gehele begraafplaats is aangewezen als beschermd monument, maar dat uit het aanwijzingsbesluit niet kan worden opgemaakt dat ook de afzonderlijke graven zelf van monumentale waarde zijn. Het college heeft met verwijzing naar de monumentale status van de gehele begraafplaats dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom ook de grafbedekking van de afzonderlijke graven bijdragen aan de monumentale waarde van de begraafplaats in zijn geheel. Daarmee heeft het college ook onvoldoende gemotiveerd waarom de vergunning op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening wordt geweigerd. Het college heeft de vergunning ook geweigerd op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening. Maar er ontbreekt een zelfstandige motivering in het besluit voor het oordeel dat een rand van Belgisch hardsteen afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats. Omdat niet is gebleken dat de afzonderlijke graven een monumentale waarde hebben, had het college naar het oordeel van de rechtbank een zelfstandige motivering per weigeringsgrond moeten geven.

4. Het college is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.

Wat heeft het college aangevoerd?

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het aanwijzingsbesluit niet kan worden opgemaakt dat ook de afzonderlijke graven monumentale waarde hebben. In 2005 is de gehele begraafplaats als rijksmonument aangewezen. Bij deze beoordeling heeft het tijdsbeeld dat de begraafplaats uitstraalt en de historische ontwikkeling die de begraafplaats heeft doorgemaakt een belangrijke rol gespeeld. Dat blijkt ook uit de vermelding in het aanwijzingsbesluit dat de begraafplaats van belang is vanwege de cultuur- en architectuurhistorische, en de tuin- en funerairhistorische waarde. Het tijdsbeeld wordt gevormd door het geheel aan elementen op de begraafplaats. Dat betekent dat niet alleen de ligging van de graven, maar ook het uiterlijk van de graven daar een integraal onderdeel van is. De graven, zowel in ligging als uiterlijk, wegen in grote mate mee in de uitstraling en cultuurhistorische waarde van de begraafplaats als geheel.

Volgens het college kan een aanwijzingsbesluit alleen een summiere omschrijving bevatten van de bijzondere waarde van een rijksmonument. Daarin kunnen onmogelijk alle facetten worden benoemd die van waarde zijn. Daarom heeft het college samen met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed gewerkt aan het opstellen van een beheervisie om de monumentale waarde te beschermen. De beheervisie is uitgewerkt in twee deelplannen. Het Deelplan heeft betrekking op de grafbedekkingen op de begraafplaats en gaat uit van het behouden van de situatie zoals deze was in 2011 en van het voorkomen van verder verval.

Verder voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college een zelfstandige motivering per weigeringsgrond had moeten geven.

Oordeel

6. Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de aanvraag van [wederpartij] op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening heeft geweigerd. Omdat het om twee afzonderlijke weigeringsgronden gaat, zal hierna eerst worden ingegaan op het oordeel van de rechtbank over de weigering op grond van de b-grond (de grafbedekking is niet passend binnen de status van de begraafplaats als rijksmonument) en vervolgens op het oordeel van de rechtbank over de weigering op grond van de c-grond (de grafbedekking doet afbreuk aan het aanzien van de begraafplaats).

Is de grafbedekking onderdeel van de monumentale waarde van de begraafplaats (b-grond)?

6.1. Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de begraafplaats op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen als beschermd monument (aanwijzingsbesluit). Over de waardering van het monument staat het volgende vermeld:

De AANLEG van [de begraafplaats] is van algemeen belang wegens cultuur- en architectuurhistorische, alsmede tuin- en funerairhistorische waarde als vroeg voorbeeld van een algemene begraafplaats met een formele en sobere aanleg. De nog goed herkenbare formele aanleg kan worden gezien als tegenhanger van de vele landschappelijk aangelegde stadsbegraafplaatsen uit die tijd.

De aanleg van de begraafplaats is als volgt omschreven:

Naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van 18 mei 1825, dat nog langer begraven binnen de bebouwde kom en in kerken verbood, gaven Provinciale Staten van Noord-Holland in 1827 de gemeente Naarden de opdracht "een geschikt kerkhof buiten de stad aan te leggen". […] Men stond alleen houten bebouwing binnen het schootsveld toe. Aan de doorgaande weg werd een toegangshek gebouwd. Aan het eind van de hoofdas werd een baarhuisje gebouwd […]. Men verdeelde het beschikbare terrein intwee grafvelden, één voor de hervormde gemeenschap en één voor de katholieken, gescheiden door een brede hoofdas. […] Voor de joodse ingezetenen werd op de noodwestelijke hoek een aparte begraafplaats gerealiseerd. Zij kregen het recht van overpad van de ingang van de algemene begraafplaats aan de Amersfoortsestraatweg naar hun eigen toegangshek. Halverwege de hoofdas loopt een dwarspad waardoor de begraafplaats een duidelijke kruisvorm kreeg. De hoofdas eindigt bij het baarhuisje aan de westzijde.

Over het blok waarin het familiegraf van [wederpartij] is gelegen, wordt het volgende opgemerkt:

Bij Blok I zijn de grafstenen van de graven aaneengesloten aangebracht als bij een kerkvloer geplaveid met zerken.

Verder bevat de omschrijving een beschrijving van de aanleg van de groenvoorzieningen op de begraafplaats.

6.2. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht heeft aangevoerd dat het tijdsbeeld dat de begraafplaats uitstraalt en de historische ontwikkeling die de begraafplaats heeft doorgemaakt, een rol bij de beoordeling van de monumentale waarde van de begraafplaats hebben gespeeld. Maar dat betekent niet, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dat ook het uiterlijk van de grafbedekkingen een onderdeel van de monumentale waarde van de begraafplaats is. Het aanwijzingsbesluit geeft alleen een omschrijving van de indeling van de begraafplaats, de ligging van de graven en de aanleg van de groenvoorzieningen. Hoewel de Afdeling begrijpt dat in de omschrijving niet alle facetten tot in de details kunnen worden genoemd die van waarde zijn, is het uiterlijk van de grafbedekkingen in het geheel niet, ook niet in zijn algemeenheid, genoemd. Daar komt bij, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat een beperkt aantal graven wel zelfstandig zijn aangewezen als beschermd monument en het familiegraf van [wederpartij] niet. Daaruit leidt de Afdeling af dat deze graven, anders dan het familiegraf van [wederpartij], wel bijdragen aan de monumentale waarde van de begraafplaats in zijn geheel. Daar komt ook bij dat het college op de zitting heeft verklaard dat er om financiële redenen bewust voor zou zijn gekozen om het uiterlijk van de grafbedekkingen niet in het aanwijzingsbesluit te benoemen. Dat wat het college heeft aangevoerd over het Deelplan, kan geen verandering brengen in de reikwijdte van het aanwijzingsbesluit van de begraafplaats.

6.3. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvraag op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening is afgewezen.

Doet de grafbedekking afbreuk aan het aanzien van de begraafplaats

(c-grond)?

6.4. De rechtbank terecht overwogen dat het college nog een zelfstandige motivering voor de weigering op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening had moeten geven. De overwegingen die tot dit oordeel leiden, worden onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.

6.5. Het college heeft voor de motivering van deze weigeringsgrond verwezen naar die voor de weigering op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Uit wat hiervoor onder 6.2 is overwogen, is die motivering onvoldoende en daarmee ook niet dragend voor deze weigeringsgrond. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is bij de aanwijzing van de begraafplaats als monument over het uiterlijk van de grafbedekkingen niets overwogen. Dus is ook niet tot uitdrukking gebracht dat de diversiteit van de graven en de daarbij gebruikte materialen van alle graven bijdragen aan het aanzien van de begraafplaats.

6.6. Voor zover het college betoogt dat wijziging van het materiaal volgens het Deelplan niet wenselijk is, heeft het daarmee nog niet gemotiveerd waarom de door [wederpartij] gewenste natuurstenen band afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats. Die motivering vergt een inhoudelijk oordeel over de natuurstenen band, die ontbreekt.

6.7. Het standpunt van het college, dat het op grond van artikel 31, vierde lid, van de Verordening gehouden is om het Deelplan te hanteren als grondslag voor deze besluiten, kan de Afdeling evenmin volgen. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat het Deelplan bij deze verordening hoort en de grondslag vormt voor het beleid ten aanzien van de (her)uitgifte van graven. De wettelijke voorschriften over (her)uitgifte van graven zijn neergelegd in hoofdstuk IV van de Verordening. In dit geval gaat het niet om het (opnieuw) uitgeven van een graf, maar om de restauratie van de grafbedekking wat is geregeld in hoofdstuk V van de Verordening. De verwijzing door het college naar de in het Deelplan genoemde algemene beginselen van de monumentenzorg, te weten ‘behoud gaat voor vernieuwen’ en ‘de bouwgeschiedenis eerbiedigen’, kan de Afdeling ook overigens niet volgen, omdat het graf van de familie van [wederpartij] niet als beschermd monument is aangewezen. Tegen de achtergrond van wat is overwogen in 6.2, ontbreekt een motivering waarom het Deelbesluit zich wel zou uitstrekken tot het graf van de familie van [wederpartij].

6.8. Het betoog slaagt niet.

Nader besluit

7. Bij besluit van 17 februari 2026 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het bezwaar van [wederpartij]. Daarin is een aanvullende motivering gegeven waarom het college zich op het standpunt stelt dat de gewenste grafbedekking niet passend is binnen de status van de begraafplaats als rijksmonument, zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Volgens het college is het metselwerk technisch gezien te herstellen en vervult het nog steeds de functie die het heeft. Daarom is het vervangen van dit onderdeel, gelet op de richtlijnen van het Deelplan, onwenselijk. De gewenste grafbedekking bestaat uit hardsteen, een materiaalsoort dat ook in het Uitvoeringsbesluit regels voor de grafbedekkingen Oude Begraafplaats 2017 (Uitvoeringsbesluit)wordt genoemd als een passend materiaal voor deze begraafplaats. Het gekozen materiaal zou in theorie dus passend kunnen zijn op de begraafplaats, maar zorgt op deze locatie voor een afname van het gevarieerde beeld dat behouden moet blijven en is daarom op deze plek niet passend. Verder heeft het college een aanvullende motivering gegeven waarom het zich op het standpunt stelt dat de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats, zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening. De hoeveelheid metselwerk op de begraafplaats is beperkt en het metselwerk van dit graf is nog in relatief goede conditie. Daarom is het metselwerk van grote waarde voor het behoud van het gevarieerde beeld van dit gedeelte van de begraafplaats. Het wijzigen van dit onderdeel doet afbreuk aan de historische gelaagdheid en de variatie aan grafmonumenten op dit deel van de begraafplaats.

8. Dit door het college hangende het hoger beroep genomen besluit is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, samen gelezen met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat dit besluit mede onderwerp is van dit geding.

9. [wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het nadere besluit.

9.1. [wederpartij] voert terecht aan dat het standpunt van het college, dat vervanging van de grafbedekking volgens het Deelplan onwenselijk is, niet betekent dat de gewenste grafbedekking daarom niet passend is, zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. [wederpartij] voert ook terecht aan dat het college met de stelling, dat het behoud van het metselwerk van grote waarde is voor het behoud van het gevarieerde beeld van de begraafplaats, niet heeft gemotiveerd waarom de gewenste grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats, zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening. De Afdeling verwijst daartoe naar dat wat hiervoor onder 6.4 - 6.7 is overwogen. Bij het oordeel over de gewenste grafbedekking is, anders dan het college heeft gesteld, niet relevant of het huidige metselwerk technisch gezien te herstellen is en nog steeds de functie vervult die het heeft.

9.2. Het standpunt van het college dat de grafbedekking niet passend is en afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats valt niet te rijmen met artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit. Daarin staat dat het materiaalgebruik overeenkomstig de directe omgeving dient te zijn, dat wil zeggen in principe hardsteen, graniet of baksteen al dan niet in combinatie met andere natuursteensoorten. Het door [wederpartij] gewenste materiaal is van hardsteen en het college heeft ook erkend dat dit materiaal in theorie passend zou kunnen zijn op de begraafplaats als een passend materiaal voor deze begraafplaats. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom het college de vergunning op grond van artikel 22, vierde lid, onder b en c, van de Verordening heeft geweigerd.

9.3. Het betoog slaagt.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

11. Het beroep is gegrond en het besluit van 17 februari 2026 wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd. Het college moet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet en/of tevergeefs is aangevochten, een nieuw besluit op bezwaar nemen. Daarvoor zal de Afdeling een termijn stellen.

12. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

13. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van 18 februari 2026 van het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren, kenmerk 443427;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Larsson-van Reijsen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

978

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke Oude Begraafplaats van de gemeente Gooise Meren 2017

Artikel 22 Vergunning grafbedekking

1. Voor het hebben, wijzigen, restaureren en/of verwijderen van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.

[…]

3. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen.

4. Het college kan de vergunning weigeren indien:

a. niet voldaan wordt aan de door hen vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid;

b. de grafbedekking niet passend is binnen de status van de begraafplaats als rijksmonument;

c. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

d. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;

e. de constructie, daaronder begrepen de fundering, van de grafbedekking ondeugdelijk is;

f. geen monumentenvergunning als bedoeld in de Monumentenwet 1988 aanwezig is.

[…]

Artikel 31 Behoud monumentale waarden Oude Begraafplaats

1. Bij deze verordening hoort ‘Deelplan Graven en Opstallen Oude Begraafplaats’, vastgesteld d.d. 11 april 2012. Dit deelplan vormt de grondslag voor het beleid ten aanzien van de (her)uitgifte van graven.

[…]

4. De afdelingen Mens & Omgeving en BORG en de beheerder worden geacht deze grafkaart met legenda, het deelplan graven en opstellen en de richtlijnen voor monumenten te hanteren als grondslag voor hun beslissingen.

Beheerplan Oude Begraafplaats

Deelplan ten behoeve van de graven en opstallen op de Oude Begraafplaats

Hoofdstuk V Beheer van de grafmonumenten

Paragraaf 1 Doelstelling behoud

[…]

Aansluitend op wat in de beheervisie is vastgesteld, dient de doelstelling van het beheer gericht te zijn op het conserveren van de geschiedkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden van de Begraafplaats en het handhaven van de bijzondere sfeer ervan.

[…]

Voor het beheer van graven worden de volgende uitgangspunten gevolgd:

- Het oude karakter van de Begraafplaats dient zoveel mogelijk te worden behouden door terughoudend graven te ruimen en enig verval te accepteren;

- De diversiteit van grafmonumenten is van zeer groot belang voor de waarde van de Begraafplaats en de sfeer en die diversiteit moet duidelijk zichtbaar blijven. […]

[…]

- Het herstel van grafmonumenten zal terughoudend, sober en doelmatig zijn, gericht op het zoveel mogelijk in stand houden van de huidige situatie en op het voorkomen en uitstellen van verder verval.

[…]

Om dit op een goede wijze te kunnen doen hebben wij richtlijnen geformuleerd die gevolgd moeten worden bij restauratie van de graven.

Met betrekking tot de blokken stellen wij het volgende voor.

§ 1.1 Blok 1

In blok I zijn de bestaande graven in het algemeen in goede staat, met uitzondering van een aantal zerken uit de 19e eeuw. Het is niet wenselijk om het gevarieerde aanzicht van dit blok te wijzigen.

[…]

BIJLAGE 1: ALGEMENE RICHTLIJNEN ONDERHOUD GRAFMONUMENTEN

Voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van de graven hebben wij algemene richtlijnen opgesteld. De richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor planbeoordeling en de uitvoering van restauratiewerkzaamheden. […].

[…]

Gebruik

Deze richtlijn is gebaseerd op twee beginselen van de monumentenzorg te weten ‘behoud gaat voor vernieuwen’ en ‘de bouwgeschiedenis eerbiedigen’. De diverse onderdelen van de richtlijnen liggen in het verlengde van deze uitgangspunten.

Behoud gaat voor vernieuwen

De historische bouwmaterialen, structuren en constructiewijzen vertegenwoordigen een belangrijke monumentale en historische waarde. Deze waarde dient zoveel mogelijk te worden gerespecteerd, opdat de geschiedenis van een graf afleesbaar is. De tand des tijds mag dus zeker zichtbaar zijn. Door vervanging gaat deze afleesbaarheid voorgoed verloren.

Onderdelen of elementen mogen niet worden vervangen als herstel mogelijk is. Indien een onderdeel of element, ondanks kwaliteitsverlies, zijn functie nog vervult is vervanging geen optie. Indien een toevoeging nodig is om een onderdeel of element naar behoren te laten functioneren is dit te prevaleren boven een volledig nieuw onderdeel of element.

Uitvoeringsbesluit regels voor de grafbedekkingen Oude Begraafplaats 2017

Artikel 4 Materiaalgebruik

Voor de gedenkstenen gelden de volgende bepalingen:

a. in de vorm en afmetingen dienen de nieuwe gedenkstenen qua monumentaliteit passend te zijn bij de reeds aanwezige gedenkstenen;

b. materiaalgebruik dient overeenkomstig de directe omgeving te zijn, dat wil zeggen in principe hardsteen, graniet of baksteen al dan niet in combinatie met andere natuursteensoorten. De bewerking van de oppervlakte moeten terughoudend zijn, dat wil zeggen niet hoog-gepolijst maar bij voorkeur gezoet waardoor het materiaal zijn eigen expressie behoudt;

c. de kleur van het toegepaste materiaal dient overeenkomstig te zijn met de reeds aanwezige monumenten;

d. qua afwerking van nieuwe gedenkstenen is niet alleen een gezoet oppervlak mogelijk, maar ook bewerkingen als boucharde, ceseel of puntbeitel;

e. bronzen ornamenten en/of belettering is toegestaan mits de vorm en lettertype zich ingekeerd presenteert, dus geen glimmend materiaal.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand