202300375/1/R3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Wassenaar,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022 in zaak nr. 20/7347 in het geding tussen:
[partij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2020 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een berging met overkapping aan de [locatie] in Wassenaar.
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 november 2022 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2020 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 30 juni 2025 heeft het college opnieuw aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de berging.
[partij] heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.P. Smal, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door N. Ramlal LLB, mr. dr. ing. P.M.J. de Haan en ir. H.B. Schut, zijn verschenen. Verder is op zitting [partij] als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. Het college heeft aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe berging met overkapping op zijn perceel. Het bouwplan ligt in het beschermde dorpsgezicht van Wassenaar. Daar geldt op grond van het bestemmingsplan "Villawijken" de dubbelbestemming "Waarde-cultuurhistorie".
3. [partij] woont naast [appellant] en kan zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen. Volgens [partij] zijn de berging en overkapping in strijd met het gemeentelijke welstandbeleid in het Handboek Welstand en Beeldkwaliteit Wassenaar en had het college daarom de omgevingsvergunning moeten weigeren.
4. Het geschil gaat over de vraag of het bouwplan moet worden getoetst aan de gebiedscriteria van het welstandsbeleid en of het bouwplan aan de objectcriteria over voorbeeldwerking en detaillering & materialisatie van het welstandsbeleid voldoet.
Hoger beroep
Ingetrokken beroepsgronden
5. [appellant] heeft op de zitting zijn beroepsgronden over de goede procesorde en misbruik van recht, ingetrokken.
Welstand
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet van de welstandsadviezen van de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed van de gemeente Wassenaar (de WCE) mocht uitgaan. Volgens [appellant] is juist het door [partij] ingebrachte tegenadvies van de Stichting Dorp, Stad en Land (de DSL) gebrekkig. Het tegenadvies gaat namelijk uit van een onjuiste systematiek van het welstandsbeleid en het past de objectcriteria uit het welstandsbeleid onjuist toe.
6.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de WCE zodanige gebreken vertoont, dat het college dit advies niet aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.
6.2. Het college heeft het bouwplan, onder verwijzing naar het welstandsadvies van de WCE, beoordeeld aan de hand van de objectcriteria van het welstandsbeleid. Op pagina 21 van het welstandsbeleid is de systematiek beschreven. Daar staat dat bij bouwactiviteiten in het beschermde dorpsgezicht van Wassenaar de gebiedscriteria van toepassing zijn, en bij veel voorkomende kleine bouwwerken de objectcriteria uit deel 4 van het welstandsbeleid. Het college heeft deze passage zo geïnterpreteerd dat veelvoorkomende kleine bouwwerken, zoals de berging met overkapping, in beginsel alleen aan de objectcriteria hoeven te worden getoetst. Het college heeft in dit geval ook één gebiedsgericht criterium, inhoudende dat bijgebouwen ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw, in de welstandsbeoordeling betrokken. Het college heeft op de zitting toegelicht dat dit criterium met name is bedoeld voor de positionering van het hoofdgebouw ten opzichte van het bijgebouw, en dat dit criterium niet gaat over de welstandsbeoordeling van het bijgebouw zelf. Volledigheidshalve is dit criterium wel in de beoordeling meegenomen. Anders dan de rechtbank kan de Afdeling het college volgen in zijn standpunt dat voor de welstandsbeoordeling van de berging met overkapping een toets aan de objectcriteria volstaat. Daarbij betrekt de Afdeling dat op pagina 21 over de objectcriteria ook staat vermeld dat een aanvrager er zeker van kan zijn dat een vergunning welstandshalve wordt verleend, als een aanvraag aan deze criteria voldoet.
6.3. Daarnaast mocht het college, onder verwijzing naar het welstandsadvies van de WCE, uitgaan van de omstandigheid dat het bouwplan aan de objectcriteria voldoet. Anders dan de rechtbank kan de Afdeling het college namelijk volgen in zijn standpunt dat de berging niet het voorbeeld van de achtergebleven berging hoeft te volgen qua uiterlijke verschijningsvorm, omdat er in het gebied veel verschillende typen bergingen voorkomen. Ook wordt de berging uitgevoerd met een plat dak en in neutrale tinten, zoals op grond van de objectcriteria is vereist. Weliswaar volgt uit het tegenadvies van DSL dat de berging niet alle opzichten aansluit op het hoofdgebouw, omdat de berging wordt uitgevoerd met zwarte rabatdelen terwijl het hoofdgebouw is uitgevoerd stuc- en metselwerk, maar dat betekent niet dat de door het college gebruikte adviezen niet deugdelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in het welstandsbeleid neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.
Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Er zijn geen beroepsgronden die de rechtbank niet heeft besproken. Gelet op wat onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen, is het beroep ongegrond.
Het besluit van 30 juni 2025
8. Bij besluit van 30 juni 2025 heeft het college opnieuw aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de berging. Op verzoek van [appellant] zijn in het nieuwe besluit ook enkele ondergeschikte wijzigingen doorgevoerd. Het college heeft het bezwaar van [partij] opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college het welstandsadvies van de commissie Omgevingskwaliteit Wassenaar (de OKW) van 9 mei 2025 ten grondslag gelegd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Welstand
9. [partij] betoogt dat het welstandsadvies van de OKW zodanige gebreken vertoont dat het college dit advies niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen. Volgens hem is het bouwplan ten onrechte niet getoetst aan de gebiedscriteria van het welstandsbeleid. Ook voldoet het bouwplan niet aan de objectcriteria over voorbeeldwerking en detaillering & materialisatie van het welstandsbeleid. Hij verwijst hiervoor naar het tegenadvies van de Stichting Dorp, Stad en Land (de DSL).
9.1. De Afdeling is van oordeel dat het college het welstandsadvies van de OKW aan de omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen. Gelet op wat is overwogen onder 6.2, was het college niet verplicht om het bouwplan te toetsen aan de gebiedsgerichte criteria van het welstandsbeleid. Ook mocht het college uitgaan van de omstandigheid dat het bouwplan aan de objectcriteria van het welstandsbeleid voldoet. Gelet op wat is overwogen onder 6.3, hoeft de berging namelijk niet het voorbeeld van de achtergebleven berging te volgen qua uiterlijke verschijningsvorm. Ook wordt de berging uitgevoerd met een plat dak en in neutrale tinten, zoals op grond van de objectcriteria is vereist. Bovendien sluit de berging qua detaillering en materiaal aan op het hoofdgebouw, omdat de berging met hetzelfde type steen is gebouwd als de woning en de kleuren van de dakrand en de kozijnen aansluiten op de kleur van de dakranden en kozijnen van de woning.
Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
10. [partij] betoogt tevergeefs dat het college de omgevingsvergunning in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft verleend. De door hem naar voren gebrachte uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag gaat over het bouwplan dat hier voorligt. Dat is dus geen gelijk geval.
Het betoog slaagt niet.
Waarde-cultuurhistorie
11. [partij] betoogt dat het bouwplan binnen de bestemming "Waarde-cultuurhistorie" ligt, waardoor op grond van artikel 22.2 van de planregels een scherpe beoordeling aan het welstandsbeleid noodzakelijk is. Dat is ten onrechte niet gebeurd.
11.1. Het college heeft de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 22.2 van de planregels verleend. Het college heeft, onder verwijzing naar het welstandsadvies van de OKW, gemotiveerd dat het bouwplan is getoetst aan de objectcriteria van het welstandsbeleid. Bij die welstandstoets is rekening gehouden met het beschermde dorpsgezicht waarbinnen het bouwplan ligt. Het college mocht zich daarom op het standpunt stellen dat voor het bouwplan een scherpe welstandstoets heeft plaatsgevonden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie besluit van 30 juni 2025
12. Het beroep is ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
13. [appellant] en [partij] hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
13.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
13.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [partij] ontvangen op 6 april 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 2 jaar en bijna 2 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 7/24e deel aan de rechtbank en voor 17/24e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
13.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor zowel [appellant] als [partij] vastgesteld op € 2.500,00 (€ 729,17 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.770,83 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Proceskosten en griffierecht
14. Het college moet de proceskosten in hoger beroep van [appellant] vergoeden.
15. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die [appellant] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. De Staat hoeft geen proceskosten van [partij] in verband met het verzoek te vergoeden.
16. Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding te bepalen dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht terugbetaalt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022 in zaak nr. 20/7347;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. verklaart het beroep tegen besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar van 30 juni 2025 ongegrond;
V. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om:
- aan [appellant] een schadevergoeding van € 729,17 te betalen
- aan [partij] een schadevergoeding van € 729,17 te betalen;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om:
- aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.770,83 te betalen
- aan [partij] een schadevergoeding van € 1.770,83 te betalen;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht van € 274,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
638-1092