202407039/1/A2.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2024 in zaak nr. 22/5808 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen gedeeltelijk geweigerd om private schulden over te nemen.
Bij besluit van 8 november 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten om de minister gelegenheid te bieden om te bezien of hij alsnog toepassing wil geven aan de hardheidsclausule.
De minister en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
Met instemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van een nadere zitting. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing ervan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. In hoger beroep is in geschil of een schuld van € 95.275,84 aan [persoon], en een schuld van € 113.953,32 aan [bedrijf] moeten worden overgenomen. [persoon] is haar oude werkgever. [appellante] heeft grote financiële problemen ondervonden als gevolg van de toeslagenaffaire. [persoon] en [bedrijf] hebben haar leningen verstrekt op 30 december 2016 en 1 maart 2019.
4. De minister heeft bij besluit van 24 mei 2022 geweigerd om deze schulden over te nemen. Bij besluit van 8 november 2022 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de schulden niet zijn vastgelegd in notariële aktes die zijn opgemaakt vóór 1 juni 2021. De notariële aktes die zijn overgelegd dateren van 8 februari 2022. Verder is er geen ingebrekestelling overgelegd, zodat niet is gebleken dat de hoofdsom van de lening vervroegd is opgeëist.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft beoordeeld of de schulden van [appellante] voldoen aan de vereisten die opgenomen zijn in artikel 4.1, derde lid, van de Wht, omdat deze vereisten als limitatieve nadere eisen moeten worden bezien, naast de algemene voorwaarden van het tweede lid van de bepaling.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule buiten toepassing heeft kunnen laten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat er omstandigheden zijn waardoor [appellante] geen nieuwe start kan maken.
Hoger beroep
Reikwijdte van artikel 4.1, derde lid, van de Wht
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar schuld dient te voldoen aan de vereisten die opgenomen zijn in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b van de Wht. De bepalingen van artikel 4.1, derde en vierde lid van de Wht zijn volgens haar bewijsrechtelijk van aard. Geldschulden die zijn opgenomen in artikel 4.1, vierde lid van de Wht, worden daarbij nooit overgenomen, ongeacht het aangeleverde bewijs. Geldschulden die zijn opgenomen in artikel 4.1, derde lid, van de Wht worden automatisch overgenomen. Verder zijn er ook schulden die niet onder een van beide bepalingen vallen, maar die wel kunnen worden overgenomen, als zij voldoen aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4926, onder 7.1, volgt uit de memorie van toelichting bij artikel 4.1 van de Wht dat in het tweede lid van dit artikel de voorwaarden zijn opgesomd waaraan een geldschuld moet voldoen om voor overname in aanmerking te komen. In het derde lid is gedefinieerd welke geldschulden en kosten worden overgenomen en in het vierde lid is gedefinieerd welke geldschulden niet worden overgenomen (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 130). Dat betekent dat een schuld om voor overname in aanmerking te komen, moet voldoen aan de vereisten van het tweede en derde lid. Daarbij mogen zij om voor overname in aanmerking te komen niet vallen onder één van de categorieën die zijn opgenomen in het vierde lid. De Afdeling volgt [appellante] daarom niet in haar uitleg van artikel 4.1 van de Wht.
Het betoog slaagt niet.
Hardheidsclausule
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Het is onbillijk en in strijd met de doelstellingen van de Wht als haar schulden niet worden overgenomen.
7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Zoals de Afdeling heeft overwogen, (zie de uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2055, onder 9.5) kan een bijzondere situatie waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt eruit bestaan dat, gelet op andere authentieke documenten, aan het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade hebben geleid. Daarvoor zijn de herstelmaatregelen uit de Wht bedoeld. Het moet bij toepassing van de hardheidsclausule gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. De hardheidsclausule kan dus zowel worden toegepast in bijzondere situaties waarin toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt als in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden.
Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
7.2. Als onderbouwing van haar private schulden heeft [appellante] twee overeenkomsten van geldlening overgelegd, die zijn gesloten met [bedrijf] en [persoon], een opgave van lening waarbij ACCSIST Audit & Consulting op basis van de door [persoon] aangeleverde gegevens de hoogte van de door [persoon] en [bedrijf] verstrekte leningen aan [appellante] per 31 december 2021 heeft bepaald, notariële aktes van 8 februari 2022 ter vaststelling van de leningen aan [persoon] en [bedrijf], een screenshot van een overboeking van een bedrag van € 26.500,00 aan [persoon], en jaarrekeningen van [bedrijf] over de jaren 2016 tot en met 2022.
7.3. In de overeenkomsten van geldlening is opgenomen dat de geldleningen uiterlijk op 30 december 2020 respectievelijk 31 december 2020 in zijn geheel moesten worden afgelost, en dat het verschuldigde bedrag in het geheel opeisbaar is indien [appellante] in verzuim is met het nakomen van enige verplichting uit of op grond van de overeenkomst.
7.4. [appellante] heeft de overeenkomsten, zoals hiervoor is overwogen, alsnog in notariële aktes laten vastleggen. In de notariële aktes is opgenomen dat de hoofdsom of het restant daarvan, te vermeerderen met eventuele kosten, afgelost dient te zijn op 1 januari 2021, en dat [appellante] in gebreke en dus in verzuim is door het verloop van de bepaalde termijn, zonder dat daartoe een bevel of soortgelijke akte nodig is. Deze aktes leveren een executoriale titel op, maar zijn na de referentieperiode opgemaakt. Uit de tekst van de notariële aktes volgt dat het in dit geval gaat om een enkele vastlegging van de onderhandse overeenkomsten van geldlening. In het geval van [appellante] wordt het bestaan van de schuld echter bevestigd door overgelegde documenten die zijn opgemaakt vóór de referentieperiode. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de echtheid van de door [appellante] overgelegde documenten. Op de overgelegde jaarrekeningen van [bedrijf] is op de balans steeds de lening aan [appellante] opgenomen. Verder blijkt uit het overgelegde screenshot van 17 februari 2021 dat [appellante] voor de datum van 1 juni 2021 het overgrote deel van het geld dat zij ontving op basis van de Catshuisregeling heeft overgemaakt aan [persoon]. De Afdeling is van oordeel dat bij deze stand van zaken, waarin de overgelegde stukken consistent zijn en passen in de tijdslijn en de verklaring van [appellante], aan het bestaan van een informele schuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken op basis van andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De Afdeling ziet in de aarzelingen die door de minister zijn opgeworpen, zoals de omstandigheid dat op de aangeleverde jaarrekening over 2022 de vordering niet als kortlopende vordering is gepresenteerd of dat de toelichting ontbreekt waarom de vordering als langlopend is gepresenteerd, geen aanleiding om daar anders naar te kijken.
7.5. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank, gelet op de in hoger beroep alsnog overgelegde stukken, achteraf bezien ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken.
7.6. Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 8 november 2022 dient alsnog gegrond te worden verklaard. De Afdeling zal het besluit van 8 november 2022 vernietigen. De Afdeling ziet, gelet op wat onder 7.4 en 7.5 is overwogen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 24 mei 2022 zal worden herroepen voor zover daarin de schulden aan [persoon] en [bedrijf] niet zijn overgenomen en de aanvraag zal in zoverre worden ingewilligd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Proceskosten
9. De minister moet de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2024 in zaak nr. 22/5808;
III. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 8 november 2022 gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 8 november 2022 met het kenmerk DGH-BOB-199670833;
V. herroept het besluit van 24 mei 2022, met het kenmerk TIL/406007, voor zover de minister van Financiën daarin heeft besloten om de schuld aan [persoon] en [bedrijf] niet over te nemen;
VI. wijst de aanvraag van [appellante] om overname van de private schuld aan [persoon] en [bedrijf] toe;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellante] voor de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00 geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 188,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1014