202301910/1/R1.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Deil, gemeente West Betuwe,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2023 in zaak nr. 21/1770 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2020 heeft het college maatwerkvoorschriften voor geluid gesteld aan [bedrijf].
Bij besluit van 12 februari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.
Met de besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022 heeft het college een aantal maatwerkvoorschriften uit het besluit van 29 mei 2020 gewijzigd.
Bij uitspraak van 13 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[bedrijf] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.P. Grünbauer, advocaat in Ede, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Rademaker en ing. J.G.M. Snoeijs, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. Ten tijde van het nemen van de besluiten had [bedrijf] een internationale fruithandel aan de [locatie 1] in Deil (het perceel). Inmiddels is het bedrijf overgenomen. [appellant] heeft een pluimveehouderij met een bedrijfswoning aan de [locatie 2], grenzend aan het perceel met de fruithandel. [appellant] woont in de bedrijfswoning. Omdat [appellant] heeft aangegeven overlast te ervaren van met name het geluid van transportactiviteiten door het fruitbedrijf, zijn in opdracht van het college en [appellant] verschillende geluidsonderzoeken gedaan. Het college heeft op 29 mei 2020 ambtshalve besloten om voor het bedrijf van [bedrijf] verschillende maatwerkvoorschriften voor geluid te stellen. Het college heeft bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022 de in het besluit van 29 mei 2020 gestelde maatwerkvoorschriften gewijzigd. Onder meer is een maatwerkvoorschrift gesteld waarin het aantal verkeersbewegingen via het pad aan de westzijde van het fruitbedrijf is beperkt tot maximaal vier enkelvoudige bewegingen in de periode van 19:00 - 07:00 uur. Verder is een maatwerkvoorschrift gesteld waarin is bepaald dat op de gevel van de woning van [appellant] in de avond- en nachtperiode een Lmax van 70 dB(A) geldt. De in dat maatwerkvoorschrift opgenomen hogere waarde vindt het college aanvaardbaar. Volgens het college wordt in de woning van [appellant] voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde, zoals opgenomen in artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De rechtbank heeft het besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022, in stand gelaten. [appellant] is het daarmee niet eens.
Het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de maatwerkvoorschriften heeft mogen stellen. [appellant] voert aan dat hij van de transportbewegingen langs zijn woning geluidoverlast ondervindt. Volgens [appellant] mocht het college dan ook geen hogere geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau via maatwerkvoorschriften stellen. Ook staat volgens hem niet vast dat bij vier transportbewegingen wel aan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen geluidgrenswaarden wordt voldaan. Bovendien mocht het college bij het stellen van de maatwerkvoorschriften niet uitgaan van de door het college aan de besluiten ten grondslag gelegde geluidsonderzoeken. Die onderzoeken zijn volgens [appellant] niet zorgvuldig tot stand gekomen. Hij verwijst daarvoor onder meer naar de in zijn opdracht opgestelde notitie van technisch milieu-adviesbureau Tecmap van 10 maart 2023. Uit die notitie volgt onder meer dat de representatieve bedrijfssituatie niet is onderzocht en het college er niet van uit mocht gaan dat in zijn woning wordt voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A), zo stelt [appellant].
3.1. Het college komt bij de beslissing om op grond van de hem in artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer toegekende bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, als dat nodig is in het belang van de bescherming van het milieu, beleidsruimte toe en het moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het stellen van de maatwerkvoorschriften te dienen doelen.
3.2. In het besluit op bezwaar van 12 februari 2021 staat dat de financieel-economische belangen van de fruithandel zwaarder wegen dan het belang van [appellant] en dat het college daarom kon overgaan tot het opleggen van maatwerkvoorschriften.
De Afdeling stelt vast dat het college de maatwerkvoorschriften heeft gesteld om de vrachtwagenbewegingen richting de achterkant van het bedrijfsgebouw op het perceel (het achterterrein) te reguleren. Op dat achterterrein vinden bedrijfsactiviteiten, waaronder het laden en lossen van vrachtwagens, plaats. De maatwerkvoorschriften staan vrachtwagenbewegingen toe die ertoe leiden dat in ieder geval de in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau in de avond- en nachtperiode bij de woning van [appellant] worden overschreden. De Afdeling stelt verder vast dat de transportbewegingen plaatsvinden via het aan de westzijde van de inrichting gelegen verharde pad richting het achterterrein. Dit verharde pad ligt vlak langs de woning van [appellant]. Ook staat vast dat het gebruik van het achterterrein in strijd is met de voor dat deel van het perceel geldende bestemming "Landelijk Gebied II" van het bestemmingsplan "Buitengebied".
De Afdeling is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het college in het belang van de bedrijfsvoering van het fruitbedrijf op het achterterrein maatwerkvoorschriften heeft gesteld, terwijl die bedrijfsvoering daar in strijd met het bestemmingsplan plaatsvindt. De Afdeling betrekt daarbij dat het college ten tijde van het nemen van de besluiten van deze strijdige situatie op de hoogte was. Het besluit op bezwaar van 12 februari 2021 geeft, mede gelet op de wijziging daarvan bij besluit van 14 februari 2022, geen aanknopingspunten dat de strijdige situatie zou worden gelegaliseerd en dat vooruitlopend daarop maatwerkvoorschriften mochten worden gesteld. Dit betekent dat het besluit van het college van 12 februari 2021 in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Slotoverwegingen
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022, gegrond verklaren en het besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022, vernietigen.
De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 29 mei 2020 te herroepen. De Afdeling licht dat als volgt toe. Op de zitting is gebleken dat het gebruik van het achterterrein voor onder meer laden en lossen nog steeds in strijd met het bestemmingsplan is, het verharde pad aan de westzijde van de inrichting niet meer wordt gebruikt voor transportactiviteiten, het college ook niet voornemens is dat gebruik toe te staan maar bekijkt of de transportbewegingen via de oostelijke kant van het perceel kunnen plaatsvinden. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2023 in zaak nr. 21/1770;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 12 februari 2021, kenmerk GZDGWB/72755, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021, kenmerk ODR2103666, en 14 februari 2022, kenmerk ODR2114255;
V. herroept het besluit van 29 mei 2020, kenmerk 0214139550;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 februari 2021, zoals gewijzigd bij besluiten van 14 april 2021 en 14 februari 2022;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
374