202107431/3/R4.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in [woonplaats],
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
3. [appellant sub 3], wonend in Gilze, gemeente Gilze en Rijen,
4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend in [woonplaats],
5. [appellant sub 5], wonend in Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend in Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], beiden wonend in Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
8. [appellant sub 8], wonend in Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4278, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 9 november 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" (het herzieningsplan) te herstellen.
Bij besluit van 10 april 2025 heeft de raad het herzieningsplan gewijzigd vastgesteld (het correctieplan).
[appellant sub 5], [appellanten sub 2], Vakantiepark Bonte Vlucht B.V., Recreantenvereniging Bonte Vlucht, [appellant sub 3], [appellanten sub 1], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 6] hebben een zienswijze over het correctieplan naar voren gebracht.
[appellant sub 8] heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan.
Recreantenvereniging Bonte Vlucht, Vakantiepark Bonte Vlucht, [appellanten sub 4], [appellanten sub 1] en [appellant sub 8] hebben nadere reacties en nadere stukken ingediend.
[appellanten sub 4] en [appellanten sub 1] hebben verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 22 september 2025, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. J.C.W. van Eekeren, advocaat in Eindhoven, [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat in Baarn, [appellanten sub 6], vertegenwoordigd door mr. L. Haver Droeze, [appellant sub 8], bijgestaan door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. C. Vaartjes, P. Minken, mr. F. el Amrani en R. Verschuure, zijn verschenen. Ook zijn daar Vakantiepark Bonte Vlucht, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], en Recreantenvereniging Bonte Vlucht, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Tussenuitspraak en het herzieningsplan
2. Bij besluit van 30 september 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" vastgesteld. Terwijl daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling, heeft de raad op 9 november 2023 het herzieningsplan vastgesteld. Onder 14.2, 18.2, 19.3 en 21.4 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling gebreken geconstateerd in het besluit tot vaststelling van het herzieningsplan. Dat besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
2.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de onder 2 bedoelde gebreken in het herzieningsplan te herstellen.
Correctieplan
3. Het correctieplan is naar aanleiding van de tussenuitspraak door de raad vastgesteld. Met het besluit tot vaststelling van het correctieplan is het herzieningsplan op enkele onderdelen gewijzigd en voorzien van een nadere onderbouwing.
3.1. Het besluit tot vaststelling van het correctieplan wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Voor [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], en [appellanten sub 7] zijn beroepen van rechtswege ontstaan. [appellant sub 8] heeft beroep tegen het correctieplan ingesteld, omdat hij van mening is dat hij door het correctieplan in een slechtere positie is gebracht. Omdat Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht hebben meegedeeld met het besluit tot vaststelling van het correctieplan in te stemmen, is voor hen geen beroep van rechtswege ontstaan.
3.2. Op 11 juli 2025 hebben [appellanten sub 4] hun recreatiewoning verkocht en geleverd aan [bedrijf]. De Afdeling houdt het ervoor dat, gelet op wat [appellanten sub 4] onder verwijzing naar de koopovereenkomst hebben meegedeeld over het behoud van hun belang bij voortzetting van de procedure, dit belang niet in zijn geheel op [bedrijf] is overgegaan. [appellanten sub 4] hebben dus nog belang bij een beoordeling van hun beroep tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Voormalige camping De Heuvelslag
5. Als de Afdeling het in deze uitspraak heeft over de voormalige camping De Heuvelslag, dan bedoelt zij het terrein van camping Darthuizen tezamen met het perceel [locatie 1]. Dit zijn, zoals ook onder 14 in de tussenuitspraak staat, de percelen met de kadastrale nummers 1037, 1038, 845 en 908. [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 7] zijn omwonenden van de voormalige camping De Heuvelslag. Zij komen op tegen de met het correctieplan bestemde camping Darthuizen. [appellanten sub 6] zijn de eigenaren van perceel [locatie 1] en zijn het niet eens met de ook aan dit perceel gegeven recreatieve bestemming. Zij willen voor dit perceel een woonbestemming. [appellant sub 8] is de eigenaar en beheerder van camping Darthuizen en voert aan dat de aan die camping gegeven bestemming zijn bedrijfsvoering aantast.
6. Hoewel het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen, heeft de raad bij de vaststelling anders beslist door het terrein niet in het bestemmingsplan op te nemen. Ook in het herzieningsplan heeft hij het terrein niet opgenomen. De Afdeling heeft onder 14.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het besluit tot vaststelling van het herzieningsplan niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag uit het bestemmingsplan en het herzieningsplan is gelaten.
6.1. In het correctieplan heeft de raad aan het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag wel een bestemmingsregeling toegekend. Voor zover van belang, heeft hij aan het gehele terrein de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend, met, afgezien van een 5 m brede rand rondom het gehele terrein, een bouwvlak en met de mogelijkheid van een bedrijfswoning. Aan het gedeelte van camping Darthuizen heeft hij voorts de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - 2", de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - gemeenschappelijke voorzieningen 7", de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal standplaatsen: 27" en de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal standplaatsen met bouwwerk voor recreatief nachtverblijf: 2" toegekend. Aan het perceel [locatie 1] heeft hij voorts de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - 6", de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - gemeenschappelijke voorzieningen 12" en de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal standplaatsen: 12" toegekend.
6.2. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Leersum Buitengebied 2005/2009" uit 2010 hadden de gronden van het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag de bestemming "Recreatieve voorzieningen". Op grond van artikel 18.3, aanhef en onder b, van de voorschriften van dat bestemmingsplan mochten er binnen een afstand van 5 m tot enige perceelgrens uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd. Op grond van de artikelen 18.1 en 18.2 was ter plaatse van de gronden maximaal één dienstwoning toegestaan. Er gold verder geen maatvoering waarmee het aantal standplaatsen werd gemaximeerd.
7. [appellanten sub 6] betogen dat de raad niet goed heeft gemotiveerd waarom hun perceel [locatie 1] als recreatieterrein is opgenomen in het correctieplan. Zij wijzen erop dat in bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan alleen wordt ingegaan op het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag, terwijl hun perceel, perceel 908, al meer dan 30 jaar niet meer recreatief wordt gebruikt en zij ook niet voornemens zijn om dit gebruik te hervatten.
Daarnaast betogen zij dat de raad, als hij het perceel dan toch wilde opnemen in het plan, aanleiding had moeten zien om het perceel een woonbestemming te geven. Zij wijzen erop dat voor een perceel elders in het plan ook een woonbestemming is opgenomen. Zij merken op dat de raad nooit onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor herbestemming en dat ook nooit handhavend is opgetreden tegen het niet-recreatieve gebruik.
Daarnaast wijzen zij erop dat in artikel 18.2 van de regels van het correctieplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarmee het aantal bedrijfswoningen onder voorwaarden kan worden vergroot, en stellen zij dat, gelet op de definitie van een bedrijfswoning, niet is vereist dat deze woning noodzakelijk is voor de uitvoering van een bedrijf.
[appellanten sub 6] voeren verder aan dat in het correctieplan ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande bebouwing op hun perceel. Onder verwijzing naar het deskundigenbericht van STAB wijzen zij erop dat op het perceel meerdere gebouwen staan, waaronder een garage en een recreatieverblijf met de naam [naam]. Zij wijzen erop dat in het ontwerpbestemmingsplan "Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" ter plaatse van de locatie van de garage de aanduiding dienstwoning was opgenomen en stellen dat als deze aanduiding ook in het correctieplan was opgenomen, op grond van artikel 18.4.1 van de regels van het correctieplan, ook een vergunning voor reguliere bewoning had kunnen worden verleend, mits aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Bestemming [locatie 1]
7.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 13.2 overwogen dat de raad in het bestemmingsplan en het herzieningsplan ervan heeft kunnen afzien om in deze plannen een woonbestemming op te nemen voor het perceel [locatie 1]. Deze plannen zijn namelijk bedoeld voor een integrale en actuele bestemming voor verblijfsrecreatieterreinen en campings in de gemeente en niet voor andere bestemmingen. Behalve in uitzonderlijke gevallen, kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel dat de raad in dit plan, gelet op de strekking daarvan, niet heeft hoeven te voorzien in een woonbestemming. Wat [appellanten sub 6] daarover aanvoeren, blijft daarom buiten bespreking.
7.2. In bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan staat waarom de raad ervoor heeft gekozen om voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag een nieuw planologisch regime vast te stellen, maar daarbij wordt niet uitgelegd waarom het perceel [locatie 1] daarin ook met een recreatieve bestemming is meegenomen. Deze keuze wordt toegelicht in bijlage 11 bij de toelichting van het correctieplan. Dit betreft de raadsinformatiebrief van 7 januari 2025, waarnaar in bijlage 12 wordt verwezen.
Onder 4 van deze brief staan meerdere opties met voor- en nadelen beschreven voor het opnemen van de voormalige camping De Heuvelslag, zowel met als zonder perceel [locatie 1] (nummer 908). Als nadeel van het niet-bestemmen van dat perceel staat beschreven dat dan voor die gronden de oude bestemming gehandhaafd blijft en dus de oude bebouwingsregelingen blijven bestaan. Gevolg daarvan is dat op perceel 908 ook een bedrijfswoning mogelijk wordt, terwijl er op het deel van het terrein dat nu camping Darthuizen is, al een bedrijfswoning aanwezig is. Ook zouden de bebouwingsmogelijkheden voor voorzieningen onder het bestemmingsplan uit 2010 voor het gehele terrein ingevuld mogen worden op perceel 908. Dat geeft voor dit perceel vanuit ruimtelijk oogpunt gezien ongewenst ruime mogelijkheden.
Gelet op het voorgaande, acht de Afdeling de keuze die de raad heeft gemaakt om het perceel aan de [locatie 1] opnieuw een recreatieve bestemming te geven deugdelijk gemotiveerd. De raad heeft die bestemming, ook al is op perceel 908 geen sprake meer van recreatief gebruik, in de omstandigheden van dit geval in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat op de zitting door [appellanten sub 6] nog is toegelicht dat een andere bestemming die beter zou aansluiten bij het huidige gebruik van perceel 908, zoals "Bos", niet gewenst is, want als die bestemming eenmaal geldt, dan wordt een omzetting naar een woonbestemming in de toekomst door provinciaal beleid verder bemoeilijkt. Zij stellen beter af te zijn met een recreatieve bestemming dan met een bosbestemming.
Het betoog van [appellanten sub 6] slaagt in zoverre niet.
Bestemming camping Darthuizen
8. Aan de gronden van camping Darthuizen is ook de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. [appellant sub 5], [appellanten sub 2], en [appellanten sub 6] komen in hun zienswijze niet op tegen de bestemming als zodanig. Ook [appellant sub 8] komt niet op tegen de bestemming als zodanig. Het gaat hun om de nadere planologische invulling van die bestemming. Daar gaat de Afdeling hierna op in.
8.1. [appellanten sub 7] hebben naar aanleiding van het besluit tot vaststelling van het correctieplan geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met dat besluit kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. Hun van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
9. De beroepen van [appellant sub 5] en [appellanten sub 2] enerzijds en [appellant sub 8] anderzijds zijn tegengesteld aan elkaar. Het beroep van [appellanten sub 6] houdt in zekere zin het midden aan.
[appellant sub 5] en [appellanten sub 2] vinden het aantal mogelijk gemaakte standplaatsen voor het gehele terrein van de voormalige camping De Heuvelslag te hoog. De door de raad genoemde andere terreinen ter bepaling van het aantal standplaatsen zijn volgens hen niet vergelijkbaar. Bovendien is geen rekening gehouden met de ligging tussen woonhuizen, de verkeerssituatie en met de natuurwaarden. Zij wijzen erop dat in het ontwerpbestemmingsplan nog is uitgegaan van 25 standplaatsen. [appellanten sub 2] merken daarbij ook op dat twee stacaravanplekken mogelijk zijn gemaakt, terwijl die stacaravans er niet meer zijn en zijn verbouwd tot een woning.
[appellant sub 8] vindt het aantal van 27 standplaatsen voor zijn camping te laag en beroept zich erop dat met het toegekende aantal geen levensvatbare exploitatie mogelijk is. Hij exploiteert nu 60 standplaatsen. In het verleden waren er ongeveer 50 vergund. Met het correctieplan wordt zijn bedrijf gehalveerd. De raad heeft geen rekening gehouden met zijn bestaande rechten waarmee 60 standplaatsen mogelijk zijn.
[appellanten sub 6] voeren aan dat de raad niet goed heeft gemotiveerd waarop het maximumaantal standplaatsen is gebaseerd. Allereerst wijzen zij erop dat in hoofdstuk 2.2.21 van de toelichting bij het correctieplan ten onrechte staat dat er op dit moment 37 standplaatsen voor kampeermiddelen aanwezig zijn, onderverdeeld in 12 standplaatsen voor hun perceel en 25 voor het terrein van camping Darthuizen. Zij stellen dat het terrein ruimte biedt aan 50 kampeermiddelen, waarvan twee stacaravans. Zij stellen dat het vanuit het oogpunt van duidelijkheid niet nodig is om het aantal standplaatsen planologisch te begrenzen, omdat het aantal feitelijk al wordt begrensd door regels over bijvoorbeeld brandveiligheid. Ook stellen zij dat er geen noodzaak is voor een beperking van het aantal standplaatsen vanwege de verkeersveiligheid omdat de breedte van de Zandweg al niet groot genoeg is om een goede doorgang van hulpdiensten te garanderen. Daarnaast voeren zij aan dat de onderbouwing van het aantal standplaatsen niet deugt omdat om meerdere redenen geen zuivere vergelijking is gemaakt.
9.1. Niet in geschil is dat de exploitatie van camping Darthuizen is gestart in 2021 onder de werking van en in overeenstemming met het bestemmingsplan uit 2010. In dat plan uit 2010 was het aantal standplaatsen niet gemaximeerd. Feitelijk zijn er ongeveer 50 tot 60 standplaatsen aanwezig. In het correctieplan is het aantal standplaatsen ingeperkt. Op perceel 908 zijn maximaal 12 standplaatsen toegestaan en op het terrein van camping Darthuizen zijn maximaal 27 standplaatsen toegestaan, waarvan twee standplaatsen met een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.
9.2. In bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan heeft de raad in drie stappen toegelicht waarom hij het planologisch mogelijke en feitelijk aanwezige aantal standplaatsen heeft ingeperkt. Als eerste reden wijst de raad op de overlast die de huidige exploitatie meebrengt (onder andere geluidsoverlast, toename parkeerdruk en aantasting privacy). Daarnaast wijst de raad erop dat het vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid gewenst is om de hoeveelheid verkeer over de Zandweg te beperken. Als derde punt stelt de raad dat het intensieve gebruik van het recreatieterrein de natuurlijke uitstraling en natuurwaarden op het terrein en in de directe omgeving aantast.
De raad heeft het aantal standplaatsen bepaald op basis van een vergelijking met andere recreatieterreinen. De vergelijking is opgenomen in de onderbouwing in bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan.
De verdeling 27-12 is gebaseerd op de oppervlaktes van de gronden van camping Darthuizen en perceel 908.
9.3. Over het betoog van [appellanten sub 6] dat het niet nodig is het aantal standplaatsen te begrenzen omdat dit feitelijk al wordt begrensd door bijvoorbeeld regels over brandveiligheid en de Zandweg sowieso niet breed genoeg is voor hulpdiensten, overweegt de Afdeling dat de raad uit een oogpunt van rechtszekerheid en uit ruimtelijk oogpunt voor een begrenzing heeft kunnen kiezen. De raad heeft dit toegelicht in bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan. Een begrenzing geeft naar de exploitant en omwonenden toe een duidelijk te handhaven regeling. Daarbij komt dat [appellant sub 8] stelt dat er meer standplaatsen mogelijk zijn, rekening houdend met brandveiligheid, dan [appellanten sub 6] aannemen. Daaruit leidt de Afdeling af dat er discussie over het maximale aantal plaatsen uit oogpunt van brandveiligheid kan ontstaan als in het plan zelf niet wordt voorzien in een maximumaantal standplaatsen. Verder heeft de raad in de beperkte breedte van de Zandweg geen aanleiding hoeven zien om het opnemen van een maximumaantal standplaatsen achterwege te laten.
Het betoog van [appellanten sub 6] slaagt in zoverre niet.
9.4. Ter bepaling van het aantal standplaatsen van 37 (39) heeft de raad een vergelijking gemaakt met het aantal standplaatsen op de recreatieterreinen camping De Heihoek, camping De Steeg, camping Meck en camping Het Leersumse Veld. Uit wat daarover in bijlage 12 bij de toelichting van het correctieplan staat, maakt de Afdeling op dat de raad een puur cijfermatige berekening heeft gehanteerd. De raad heeft niet toegelicht waarom die campings, behalve wat betreft de oppervlakte, vergelijkbaar zijn met het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag. Zo wordt niet gewezen op relevante ruimtelijke aspecten. [appellant sub 5] en [appellanten sub 2] voeren terecht aan dat er ruimtelijk relevante omstandigheden kunnen zijn om op een terrein andere regels te hanteren. [appellanten sub 6] wijzen er terecht op dat de raad niet heeft uitgelegd waarom de terreinen ruimtelijk vergelijkbaar zijn. De aard van de campings waarmee een vergelijking is gemaakt, verschilt van die van camping Darthuizen.
9.4.1. Met de betrokken planregeling heeft de raad bestaand legaal gebruik deels wegbestemd.
In beginsel moet legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het gebruik op termijn zal worden beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.
Onder 9.1 heeft de Afdeling al overwogen dat de exploitatie van camping Darthuizen onder de werking van het bestemmingsplan uit 2010 is gestart. Niet in geschil is dat het aantal standplaatsen dat daar wordt aangeboden, ongeveer 50 tot 60 is. Het bestemmingsplan uit 2010 stond niet aan zo’n aantal in de weg. Dat betekent dat de raad er met een maximum van 27 voor heeft gekozen een groot deel van de exploitatie van de camping onder het overgangsrecht van artikel 20.2 van de regels van het correctieplan te brengen. Hoewel de raad daarvoor op zich ruimtelijke argumenten heeft gegeven, zoals de belangen van omwonenden, de verkeerssituatie en de natuurwaarden, is daarbij niet duidelijk geworden of en zo ja, hoe de bedrijfsbelangen van [appellant sub 8] zijn afgewogen. Bovendien mag [appellant sub 8] het legale gebruik, zoals dat plaatsvond op de peildatum, voortzetten. De raad heeft niet uitgelegd hoe en wanneer aan het legale gebruik, voor zover de raad dat uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar acht, een einde zal worden gemaakt. Daarmee heeft de raad dus niet duidelijk gemaakt waarom het deels wegbestemmen van het legale feitelijke gebruik van camping Darthuizen aanvaardbaar is.
9.4.2. Over de aanvaardbaarheid van de verdeling van het aantal standplaatsen tussen camping Darthuizen en het perceel [locatie 1] (908) van 27-12 overweegt de Afdeling dat de raad in de kern beschouwd alleen heeft gekeken naar de oppervlaktes van het terrein van camping Darthuizen en perceel 908. De raad heeft daarvoor van betekenis geacht dat het gehele terrein van de voormalige camping De Heuvelslag gebruikt mocht worden voor standplaatsen. Daarmee heeft de raad er echter aan voorbijgezien dat [appellanten sub 6] hun perceel niet meer recreatief willen exploiteren. Gebruik voor standplaatsen vindt daar al langere tijd niet plaats. Waarom in het licht daarvan op hun perceel toch 12 standplaatsen mogelijk zijn gemaakt, heeft de raad niet duidelijk gemaakt, zeker als daarbij wordt betrokken de vermindering van het aantal standplaatsen op de gronden van de camping Darthuizen.
De betogen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] slagen. De betogen van [appellanten sub 6] en [appellant sub 8] slagen in zoverre.
10. Verder voert [appellant sub 8] aan dat een bedrijfswoning ten onrechte op het gehele terrein van de voormalige camping De Heuvelslag mogelijk is gemaakt. De bedrijfswoning bevindt zich op het terrein van zijn camping Darthuizen en op perceel 908 zal geen bedrijfswoning meer komen.
10.1. De bestemmingsregeling maakt één bedrijfswoning op het gehele terrein van de voormalige camping De Heuvelslag mogelijk. De Afdeling begrijpt dat dit is gedaan vanuit de gedachte dat het één terrein was, maar daarbij is de raad eraan voorbijgegaan dat [appellanten sub 6] op hun perceel 908 geen recreatiebedrijf meer willen starten en er op dat perceel geen bedrijfswoning aanwezig is. De raad heeft daarom niet goed uitgelegd waarom hij de bedrijfswoning, die feitelijk aanwezig is op het terrein van camping Darthuizen, ook op het perceel 908 mogelijk heeft gemaakt. Voor zover [appellanten sub 6] wijzen op de aanduiding "bedrijfswoning" op hun perceel in het ontwerpbestemmingsplan overweegt de Afdeling dat zij aan zo’n vermelding geen rechten kunnen ontlenen. Ook de door [appellanten sub 6] genoemde mogelijkheid om een bedrijfswoning te wijzigen in een reguliere woning is geen houdbaar argument om ook op perceel 908 een bedrijfswoning mogelijk te maken, voor zover het door hen genoemde artikel 18.4.1 van de regels van het correctieplan al in een (aanzet voor een) dergelijke omzettingsmogelijkheid voorziet. Gelet op het voorgaande, heeft de raad het besluit tot vaststelling van het correctieplan op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.
Het betoog van [appellant sub 8] slaagt in zoverre.
11. Voor zover [appellanten sub 6] zich op het standpunt stellen dat gebouwen op hun perceel aan de [locatie 1] zijn wegbestemd, volgt uit het deskundigenbericht van STAB dat dit in meer of mindere mate vervallen gebouwtjes zijn, waarvan aannemelijk is dat deze indertijd als recreatiehuisjes zijn geëxploiteerd. De Afdeling neemt aan dat deze legaal zijn opgericht. De Afdeling is niet gebleken dat deze gebouwtjes nog worden of kunnen worden gebruikt. [appellanten sub 6] hebben ook niet de wens om dit perceel nog recreatief te gebruiken. Uit de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, maakt de Afdeling op dat de gebouwtjes niet, dan wel niet volledig als zodanig zijn bestemd. Niettemin moet legaal bestaande bebouwing in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk op termijn zal worden verwijderd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. In wat de raad heeft aangevoerd, leest de Afdeling geen standpunt over de aanwezigheid en de verwijdering van de gebouwtjes. Dit maakt dat de raad zijn besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gebouwen onder het overgangsrecht heeft gebracht.
Het betoog van [appellanten sub 6] slaagt in zoverre.
12. Uit het voorgaande volgt dat de raad de planregeling voor de gronden van de voormalige camping De Heuvelslag niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Recreatieterrein Bonte Vlucht
13. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 18.2 overwogen dat de raad de in het bestemmingsplan en het herzieningsplan neergelegde afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
13.1. In het besluit tot vaststelling van het correctieplan heeft de raad wederom voorzien in een afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht. Die afwijkende regeling is neergelegd in artikel 4.2.3, onder b, van de regels van het correctieplan, waarin ook wordt verwezen naar de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" in de verbeelding. In het vaststellingsbesluit staat dat de motivering van de raad is gebaseerd op een motivering van Pels Rijcken van 3 maart 2025 en een aanvullende motivering van 31 maart 2025. Voor de motivering wordt verder verwezen naar bijlage 13 bij de toelichting van het correctieplan.
Uit de tabellen in artikel 4.2.3, onder a en b, van de regels van het correctieplan volgt dat het, op hoofdlijnen, gaat om de volgende verschillen tussen recreatieterrein Bonte Vlucht (onder b) en de andere recreatieterreinen in de gemeente (onder a). Op recreatieterrein Bonte Vlucht mag een recreatiewoning met bijbehorend bouwwerk maximaal 70 m² en 250 m³ bedragen en 5,5 m hoog zijn. Een berging bij een recreatiewoning mag maximaal 2,5 m hoog zijn. Er mag een overkapping bij een recreatiewoning komen van 10 m2. Op andere recreatieterreinen is dit maximaal 250 m³ met, onder voorwaarden een afwijking naar 300 m³, met een maximale hoogte van 6,5 m. Een berging bij een recreatiewoning mag op andere recreatieterreinen 5 m hoog worden. Overkappingen bij recreatiewoningen zijn niet in tabel a genoemd.
Verbeelding in de landelijke voorziening
14. [appellanten sub 4] wijzen erop dat in de verbeelding op de landelijke voorziening voor recreatieterrein Bonte Vlucht niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" is opgenomen. Dat betekent volgens hen dat de afwijkende bouwregeling niet voor dat terrein geldt.
14.1. Zoals de raad op de zitting heeft erkend, stond in eerste instantie de desbetreffende aanduiding niet in de verbeelding op de landelijke voorziening. Er was een onjuiste versie van het correctieplan op de landelijke voorziening geplaatst. Inmiddels is de vastgestelde versie op de landelijke voorziening beschikbaar gesteld. De rechtsonzekere situatie is daarmee weggenomen. Het betoog geeft dan ook geen aanleiding tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het correctieplan. Dit betekent ook dat de afwijkende bouwregeling op recreatieterrein Bonte Vlucht van toepassing is.
Motivering voor de afwijkende bouwregeling
15. [appellanten sub 4] en [appellanten sub 1] betogen dat het besluit tot vaststelling van het correctieplan, voor zover daarin met artikel 4.2.3, onder b, van de regels, een afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht is gehandhaafd, onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Zij voeren daartoe aan dat de raad zijn motivering volledig heeft gebaseerd op stukken die door Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht zijn aangeleverd en dat hij niet zelf een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen.
Zij wijzen erop dat de motivering van de raad is gebaseerd op een door Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht aangeleverde motivering van 3 maart 2025, opgesteld door Pels Rijcken, en een aanvullende motivering van latere datum. [appellanten sub 4] en [appellanten sub 1] wijzen er hierbij op dat de planoloog en de ecoloog van de gemeente, blijkens een memo van 27 maart 2025 (contramemo), de motivering van Pels Rijcken inhoudelijk heeft bestreden. [appellanten sub 1] wijzen verder op een e-mail van een adviseur Ruimtelijke Ordening van de gemeente van 7 april 2025.
[appellanten sub 1] betogen dat het besluit tot vaststelling van het correctieplan in strijd is met artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), voor zover dit is gebaseerd op het "Ecologisch onderzoek Vakantiepark Bonte Vlucht" van Van den Bijtel van februari 2009. Zij stellen dat de raad ten onrechte niet heeft toegelicht dat en waarom de gegevens uit dit onderzoek nog actueel zijn. Zij wijzen erop dat zowel de motivering van Pels Rijcken als het rapport van Laneco Landschap & Ecologisch advies "Natuurtoets Nederlands Natuurnetwerk Recreatieterreinen gemeente Utrechtse Heuvelrug" van 14 december 2020 (Laneco-rapport), dat als bijlage 1 bij de toelichting van het correctieplan is gevoegd, op het rapport van Van den Bijtel zijn gebaseerd. Ook de Quickscan Wet Natuurbescherming (quickscan) van 2 oktober 2019 die als bijlage 3 bij de toelichting van het correctieplan is gevoegd, is op het rapport van Van den Bijtel gebaseerd.
15.1. De hoofdredenen om de afwijkende regeling te handhaven staan opgesomd onder c van het vaststellingsbesluit. De raad hecht met name belang aan de volgende punten. Recreatieterrein Bonte Vlucht is het enige recreatieterrein binnen de gemeente met zowel een grote omvang als één waarvan de bebouwingsdichtheid één van de hoogste is. Alle recreanten op recreatieterrein Bonte Vlucht wisten via hun overeenkomst met de eigenaar dat hun bouwwerken slechts tot de nu voorgestelde omvang mochten worden uitgebreid. Recreatieterrein Bonte Vlucht en de afzonderlijke recreatiewoningen op het terrein zijn niet omheind. Dat geeft fauna optimaal de gelegenheid voor een passage door het langwerpige terrein. Die corridorfunctie komt volgens de raad onder druk te staan als het bebouwingsvlak van de woningen groter wordt. De uitzondering van 10 m2 vanwege de mogelijkheid van overkappingen op recreatieterrein Bonte Vlucht trekt het totale oppervlak gelijk met de andere recreatieterreinen.
15.2. De raad heeft verder betekenis toegekend aan een brief van Natuurmonumenten van 27 februari 2025, die bij bijlage 13 bij de toelichting van het correctieplan is gevoegd, waarin staat dat de aanwezigheid van open plekken belangrijk is als corridor voor groter wild, zodat dit ongehinderd het terrein kan oversteken en weg kan blijven van de N225. Gesteld wordt dat als vakantiehuisjes en stacaravans in formaat en hoogte toenemen, er minder ruimte zal zijn voor open plekken. De afwezigheid van een omheining creëert essentiële ecologische corridors waarbij wild zich kan verplaatsen tussen de aangrenzende natuurgebieden.
15.3. Blijkens het vaststellingsbesluit is de motivering van de raad gebaseerd op stukken die door Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht zijn aangeleverd. De motivering in bijlage 13 bij de toelichting van het correctieplan geeft daar blijk van. Maar dit betekent nog niet dat de raad niet een zelfstandige afweging heeft gemaakt. De raad heeft zich in afwijking van de contramemo en de e-mail van 7 april 2025 gebaseerd op de hiervoor bedoelde overgelegde stukken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het correctieplan strijdig is met artikel 3.1.1a van het Bro. Die bepaling sluit niet uit dat van onderzoeken gebruik wordt gemaakt die ouder zijn dan twee jaar. Met de informatie die door Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht is aangeleverd, en de motivering van Pels Rijcken is naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk inzicht gegeven in de recente situatie op het terrein. De raad heeft zijn keuze voor een afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht nader toegelicht en daarbij betrokken wat in de contramemo en e-mail staat. De Afdeling gaat op de belangrijkste aspecten hierna in.
15.4. De raad heeft de hoge bebouwingsdichtheid van recreatieterrein Bonte Vlucht van belang geacht voor de keuze voor een afwijkende bouwregeling. Hij is uitgegaan van een dichtheid op het gehele terrein van 27 eenheden per ha, terwijl [appellanten sub 1] aanvoeren dat de dichtheid in het smalle deel van het terrein, dat een diepte heeft van ongeveer 600 m, 18 eenheden per ha is. Zij zijn van dat deel uitgegaan omdat dit minder intensief wordt gebruikt en een hogere natuurwaarde heeft. Dat de raad van een onjuiste dichtheid is uitgegaan, hebben [appellanten sub 1] evenwel niet aannemelijk gemaakt. De berekeningen hebben niet hetzelfde uitgangspunt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat alleen het smallere deel bepalend zou zijn voor de bebouwingsdichtheid. Ook het voorste bredere deel met ook een diepte van ongeveer 600 m heeft natuurwaarden. Bovendien heeft de raad erop gewezen dat er op andere terreinen binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gemiddeld een dichtheid is van 16 eenheden per ha. Als daarmee wordt vergeleken, dan is ook de dichtheid zoals door [appellanten sub 1] berekend, hoger.
Dat de algemene bouwregeling niet zou leiden tot een hogere bebouwingdichtheid, zoals [appellanten sub 1] stellen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor acht zij van belang dat de recreatiewoningen met de algemene bouwregeling bij recht groter in oppervlakte, hoogte en volume kunnen worden. In artikel 4.2.5 van de regels van het correctieplan, dat voor alle recreatieterreinen geldt, is weliswaar geregeld aan welke verhouding recreatieve bebouwing versus bouwperceel of standplaats moet voldoen als sprake is van een NNN-gebied, maar dat daarmee geen bebouwing mogelijk is buiten de huidige bebouwingsmogelijkheden, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Dit is immers pas te bepalen bij een beoordeling van elke concrete situatie op zichzelf.
In wat [appellanten sub 1] over de bebouwingsdichtheid hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet de hoge bebouwingsdichtheid op het gehele terrein als argument voor een afwijkende bouwregeling heeft kunnen hanteren. Hij heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat een hoge bebouwingsdichtheid aanleiding geeft de bouwmogelijkheden te beperken omdat anders de functie van het terrein voor flora en fauna verder wordt beperkt.
15.5. Voor zover de raad van belang heeft geacht voor het van toepassing verklaren van de afwijkende bouwregeling dat recreatieterrein Bonte Vlucht niet omheind is en andere terreinen wel, voeren [appellanten sub 1] aan dat een omheining weinig invloed heeft op de doorlaatbaarheid van het terrein. Bovendien is volgens hen recreatieterrein De Maarnse Berg ook niet omheind, maar geldt daar wel de algemene bouwregeling. Uit wat [appellanten sub 1] en Recreantenvereniging Bonte Vlucht, onder meer met beeldmateriaal, naar voren hebben gebracht, leidt de Afdeling af dat recreatieterrein Bonte Vlucht in zijn geheel niet en recreatieterrein De Maarnse Berg gedeeltelijk omheind is. In zoverre zijn deze twee terreinen onderscheidend van elkaar en is geen sprake van gelijke gevallen. Een hoge omheining houdt in ieder geval de wat grotere zoogdieren tegen. De raad heeft in de omstandigheid dat recreatieterrein De Maarnse Berg alleen deels is omheind geen aanleiding hoeven zien het toepassen van de afwijkende bouwregeling op recreatieterrein Bonte Vlucht achterwege te laten. Dat blijkens de quickscan op het recreatieterrein Het Grote Bos ondanks een raster rondom het terrein regelmatig een ree wordt gezien en het wel of niet omheind zijn dus volgens [appellanten sub 1] geen relevante omstandigheid is voor een uitzonderingspositie van recreatieterrein Bonte Vlucht, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat dit slechts één onderdeel is van de afweging die de raad heeft gemaakt.
15.6. Voor zover [appellanten sub 1] betwisten dat recreatieterrein Bonte Vlucht een belangrijke corridorfunctie heeft, zodat een afwijkende bouwregeling niet nodig is, overweegt de Afdeling dat de raad een functie als corridor aannemelijk heeft kunnen achten. Het terrein is langgerekt en steekt diep het gebied in. Aannemelijk is dan ook dat dieren van weerszijden gebruik maken van het terrein. Dat in het Laneco-rapport staat dat de open plekken zelf (uitgezonderd de randen) weinig waarde voor soorten hebben en als biotoop ook niet bijzonder waardevol zijn en recreatieterrein Bonte Vlucht binnen het NNN geen bijzondere positie inneemt, neemt die functie van corridor niet weg. Uit het Laneco-rapport volgt niet dat bij een hogere bouwhoogte van 6,5 m met daarbij extra lichtuitstraling in het geheel geen gevolgen zullen optreden voor nachtactieve dieren als vleermuizen. De geschiktheid voor de corridorfunctie zal daardoor afnemen. Ook al zijn de gevolgen voor de corridorfunctie wellicht niet significant, zoals [appellanten sub 1] stellen, de raad heeft ook aan deze functie betekenis kunnen toekennen bij zijn keuze om te voorzien in een afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht.
15.7. Voor de keuze voor de afwijkende bouwregeling heeft de raad ook van belang geacht dat daarmee kan worden aangesloten bij het open plekken-beleid van Natuurmonumenten, beheerder van aangrenzende natuurgebieden. De raad is niet aan dat beleid gebonden, maar vindt het hier, in navolging van Vakantiepark Bonte Vlucht, wel belangrijk. Dit beleid houdt in dat verspreid over het terrein open plekken worden gecreëerd waar kleine dieren en insecten kunnen foerageren en waar grote en kleine dieren kunnen doortrekken. De algemene bouwregeling zou die doelen schaden. Er ontstaat dan meer verstoring van wildpassages, de ecologische verbindingsfunctie tussen natuurgebieden en de corridorfunctie van nachtdieren, beperking van de doorlaatbaarheid van het terrein voor flora en fauna, en bebouwing van open plekken met nadelige gevolgen voor vleermuizen, amfibieën en reptielen en onderbegroeiing. Dat ruimere bouwmogelijkheden het bereiken van deze doelen lastiger maken, acht de Afdeling aannemelijk. In het kader van het belang van flora en fauna en om nadelige gevolgen daarvoor te voorkomen, heeft de raad aanleiding kunnen zien om de bouwmogelijkheden te beperken. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat het recreatieterrein al dicht is bebouwd en dat verdere verdichting van niet verstoorde plekken moet worden voorkomen.
15.8. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat er geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft in de eerdergenoemde bijlage 13 gesteld dat het algemeen belang van de natuur op recreatieterrein Bonte Vlucht en de belangen van Vakantiepark Bonte Vlucht, Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Natuurmonumenten bij het behoud van het unieke groene en natuurlijke karakter van het terrein moeten prevaleren boven het belang van twee individuele eigenaren van recreatiewoningen. De raad heeft deze afweging naar het oordeel van de Afdeling zo kunnen maken. Daarbij stelt de Afdeling vast dat op het terrein 86 recreatiewoningen mogelijk zijn, waarvan een groot deel in bloot eigendom zou zijn van Vakantiepark Bonte Vlucht. Van alle eigenaren hebben alleen de eigenaren van twee recreatiewoningen zich tegen de bouwmogelijkheden verzet. Aan het belang van [appellanten sub 4] moet bovendien worden tegemoetgekomen, zoals de Afdeling hierna onder 16-16.6 overweegt. Aan het belang van [appellanten sub 1] heeft de raad een beperkt gewicht mogen toekennen omdat zij in strijd met de regels een recreatiewoning met berging hebben opgericht en het hun erom gaat die woning te legaliseren door het van toepassing krijgen van de algemene bouwregeling voor recreatieterreinen of een specifieke regeling. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft de raad in redelijkheid uit ruimtelijk oogpunt voor recreatieterrein Bonte Vlucht een afwijkende bouwregeling kunnen vaststellen. De Afdeling ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad voor de recreatiewoning van [appellanten sub 1] in een specifieke regeling had moeten voorzien. Niet is gebleken dat de raad zich alleen heeft laten leiden door de wensen van Recreantenvereniging Bonte Vlucht en Vakantiepark Bonte Vlucht en geen zelfstandige afweging heeft gemaakt. Voor zover [appellanten sub 1] in het kader van de belangenafweging aanvoeren dat de raad een ondeugdelijk standpunt heeft ingenomen over de (on)mogelijkheid van overkappingen op recreatieterrein Bonte Vlucht en de andere terreinen in de gemeente, maakt dat de uitkomst niet anders, omdat dit, wat daar ook van zij, niet als enige dragende argument van de raad in de belangenafweging kan worden gezien. Daarbij heeft de raad kunnen wijzen op de uitdrukkelijke mogelijkheid van overkappingen van 10 m2 op recreatieterrein Bonte Vlucht, welke mogelijkheid op de andere terreinen niet expliciet is geboden. Daarmee worden de belangen van de eigenaren van recreatiewoningen op recreatieterrein Bonte Vlucht gediend. Het argument, dat ook in bijlage 13 staat, dat recreanten jarenlang is voorgehouden dat op recreatieterrein Bonte Vlucht afwijkende bouwregels gelden en dat daarvan niet kan worden teruggekomen, is naar het oordeel van de Afdeling niet dragend. Dit heeft plaatsgevonden in de civiele sfeer en laat onverlet dat de raad een afwijkende bouwregeling ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten.
15.9. Uit het voorgaande volgt dat de raad het besluit tot vaststelling van het correctieplan waarbij voor recreatieterrein Bonte Vlucht in een afwijkende bouwregeling is voorzien, zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling acht verder van belang, zoals zij onder 4 al als haar toetsingskader heeft weergegeven, dat de raad een grote mate van vrijheid heeft bij de keuze voor de bouwregeling zoals hier aan de orde. Het gaat uiteindelijk om de afweging van alle hiervoor besproken onderdelen. Dat bij onderdelen van de afweging kanttekeningen kunnen worden geplaatst, zoals vooral [appellanten sub 1] hebben gedaan, maakt niet dat de raad geen goede totaalafweging heeft gemaakt.
Het betoog van [appellanten sub 1] slaagt niet en dat van [appellanten sub 4] slaagt in zoverre niet.
Recreatiewoning nr. 52
16. De recreatiewoning [locatie 2] was eigendom van [appellanten sub 4] en is nu eigendom van [bedrijf]. Over deze woning heeft de Afdeling onder 19.3 in de tussenuitspraak overwogen dat de raad geen onderbouwing heeft gegeven voor de door hem gehanteerde inhoudsmaat van 310 m3. De raad heeft het besluit tot vaststelling van het herzieningsplan om die reden niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
16.1. De raad heeft de woning in het correctieplan als zodanig willen bestemmen. Hij heeft daartoe in de verbeelding voorzien in de aanduiding "maximum volume 407 m3". In artikel 4.2.5, onder g, van de regels van het correctieplan is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gewijzigde inhoud recreatiewoning - 1" in afwijking van het gestelde in artikel 4.2.3, onder b, een maximale inhoud van de recreatiewoning van 407 m2 is toegestaan.
16.2. [appellanten sub 4] betogen dat de woning ten onrechte niet als zodanig is bestemd in het correctieplan. Daarvoor gaan zij in op de inhoud, de oppervlakte en de hoogte van de woning. Voor zover Recreantenvereniging Bonte Vlucht betoogt dat het betoog over de oppervlakte en hoogte nieuw is en buiten bespreking moet blijven, slaagt dat betoog niet, al om de reden dat het erom gaat of de raad de woning als zodanig heeft bestemd waarvoor ook de oppervlakte en de hoogte van belang zijn. Voor zover de Afdeling in de tussenuitspraak is ingegaan op de inhoud van de woning, is dat niet uitputtend bedoeld.
16.3. Zoals de Afdeling onder 15.9 heeft overwogen, heeft de raad voor recreatieterrein Bonte Vlucht een afwijkende bouwregeling kunnen vaststellen. Die regeling is dan ook uitgangspunt voor de beoordeling nu. Dit betekent dat, anders dan [appellanten sub 4] aanvoeren, de verwijzing naar artikel 4.2.3, onder b, van de regels van het correctieplan correct is en dat de inhoudsmaat in artikel 4.2.3, onder a, niet van toepassing is.
[appellanten sub 4] bestrijden niet dat de inhoudsmaat van 407 m3 correct is. Niettemin is de formulering van artikel 4.2.5, onder g, gelezen in samenhang met de verbeelding, niet correct. In die bepaling wordt verwezen naar een specifieke bouwaanduiding die niet, althans niet op die wijze in de verbeelding is weergegeven. Ook is ten onrechte in die bepaling een oppervlaktemaat (m2) in plaats van een inhoudsmaat (m3) opgenomen.
16.4. Ingevolge de afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht geldt een maximale oppervlaktemaat van 70 m2 voor een recreatiewoning (met bijbehorend bouwwerk). Uit de berekening van de inhoudsmaat die de raad voor de woning heeft weergegeven in bijlage 11, pagina 3, bij de toelichting van het correctieplan, volgt dat hij is uitgegaan van een oppervlakte van 79,2 m2. Op de zitting hebben [appellanten sub 4] bevestigd dat een oppervlakte van 79,2 m2 correct is. Aangezien dat meer is dan de maximale 70 m2, is de recreatiewoning, anders dan de raad heeft beoogd, in zoverre niet als zodanig bestemd. Er bestaat daarom geen aanleiding nog in te gaan op de vergunningen waar [appellanten sub 4] op hebben gewezen.
16.5. Niet is geschil is dat de recreatiewoning in 2001 is vergund tot een hoogte van 6,5 m. Ingevolge de afwijkende bouwregeling voor recreatieterrein Bonte Vlucht is een maximale hoogte van 5,5 m toegestaan. Omdat voor de hoogte van 6,5 m geen specifieke regeling in het correctieplan is getroffen, heeft de raad, anders dan hij heeft beoogd, de woning ook in dit opzicht niet als zodanig bestemd.
16.6. Uit wat de Afdeling onder 16.3, 16.4 en 16.5 heeft overwogen, volgt dat partijen het erover eens zijn dat de betrokken recreatiewoning een inhoud heeft van 407 m3, een oppervlakte van 79,2 m2 en een hoogte van 6,5 m en dat deze als zodanig in het plan zou moeten worden bestemd. Echter, in artikel 4.2.5, onder g, van de regels van het correctieplan is dat niet goed geformuleerd en is de woning in het correctieplan dus niet als zodanig bestemd. Het besluit tot vaststelling van het correctieplan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.
Het betoog van [appellanten sub 4] slaagt in zoverre.
Recreatieterrein Noord West Kanje
17. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 21.4 overwogen dat de raad de woonsituatie van [appellant sub 3] op recreatieterrein Noord West Kanje met het oog op de mogelijkheid van persoonsgebonden overgangsrecht niet goed heeft onderzocht. De raad heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw genomen en daarom ook geen volledige afweging van belangen gemaakt.
17.1. In het besluit tot vaststelling van het correctieplan heeft de raad wederom niet voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht voor [appellant sub 3]. In paragraaf 7.2 van de toelichting van het correctieplan staat dat uit de gegevens uit de Basisregistratie persoonsgegevens blijkt dat [appellant sub 3] vanaf 1994, met enkele onderbrekingen, op diverse adressen aan de Laan van Laag Kanje heeft gewoond, maar dat hij van 8 december 1994 tot 9 januari 1999, van 27 oktober 2005 tot 3 juli 2007 en van 3 maart 2009 tot en met 22 april 2010 elders buiten de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft gewoond. De raad overweegt dat het woongebruik van [appellant sub 3], gelet op de diverse wisselingen van adres en onderbrekingen van bewoning op het recreatieterrein gedurende meerdere jaren, niet onder het overgangsrecht valt. Ook omdat [appellant sub 3] inmiddels niet meer op het recreatieterrein woonachtig is, is er volgens de raad geen aanleiding voor een persoonsgebonden overgangsrecht.
17.2. [appellant sub 3] bevestigt dat hij niet meer op het recreatieterrein woont. Hij heeft zijn woning [locatie 3] in augustus 2024 verkocht en overgedragen. Hij voert aan dat hij door de fouten van de raad in het bestemmingsplan en herzieningsplan zijn woonplek en bedrijf op het terrein heeft moeten opgeven. Hij wil in aanmerking komen voor schadevergoeding van € 25.000,00 die hij kan gebruiken om vervolgens juridische bijstand in een civiele schadeprocedure te bekostigen.
17.3. Uit wat [appellant sub 3] heeft aangevoerd, maakt de Afdeling op dat hij niet langer in aanmerking wil komen voor persoonsgebonden overgangsrecht voor de woning [locatie 3]. [appellant sub 3] heeft de woning vóór de vaststelling van het correctieplan verkocht en overgedragen, is toen elders gaan wonen en wil ook niet naar de woning terugkeren. Onder die omstandigheden heeft hij geen belang bij een beoordeling van zijn beroep van rechtswege tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Conclusies over de beroepen tegen het correctieplan
18. Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan is niet-ontvankelijk.
De beroepen van [appellanten sub 7] en [appellanten sub 1] tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan zijn ongegrond.
Gelet op wat [appellanten sub 4] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het correctieplan, voor zover dat gaat over het plandeel voor het perceel [locatie 2] (recreatiewoning nr. 52) en artikel 4.2.5, onder g, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat dat besluit in zoverre moet worden vernietigd.
Gelet op wat [appellanten sub 2], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het correctieplan, voor zover dat gaat over het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Hun beroepen zijn gegrond, zodat dat besluit in zoverre moet worden vernietigd.
Beroepen tegen het besluit van 30 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan
19. Het op 30 september 2021 vastgestelde bestemmingsplan kende voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag geen regeling. Dat was niet terecht nu de raad dit terrein wel in het correctieplan heeft opgenomen. De beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 7] tegen het besluit tot vaststelling van het bij besluit van 30 september 2021 vastgestelde bestemmingsplan zijn dan ook gegrond. De Afdeling ziet aanleiding het besluit van 30 september 2021 te vernietigen voor zover de raad geen regeling voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag heeft vastgesteld.
19.1. Uit deze uitspraak volgt dat het beroep van [appellanten sub 1] tegen het besluit tot vaststelling van het correctieplan voor recreatieterrein Bonte Vlucht ongegrond is. Dat plan komt daarmee, uitgezonderd het perceel [locatie 2], in rechte vast te staan. Omdat niet is gebleken dat [appellanten sub 1] nog een belang hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 30 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan, is dat beroep niet-ontvankelijk.
19.2. [appellant sub 3] heeft zijn woning op het perceel [locatie 3] in augustus 2024 verkocht en overgedragen. Toch heeft hij nog belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 30 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan omdat hij stelt schade te hebben geleden en enigszins aannemelijk is dat schade is geleden als gevolg van dat besluit.
19.3. Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen van [appellanten sub 4] en [appellant sub 3] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 30 september 2021 gegrond zijn. De Afdeling ziet aanleiding het besluit van 30 september 2021 te vernietigen voor zover het betreft de plandelen voor de percelen [locatie 2] en [locatie 3].
Beroepen tegen het besluit van 9 november 2023 tot vaststelling van het herzieningsplan
20. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 19.2 heeft overwogen, heeft [appellant sub 3] ook nog belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit tot vaststelling van het herzieningsplan.
20.1. Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], en [appellanten sub 7] gegrond zijn. De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 9 november 2023 tot vaststelling van het herzieningsplan is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en moet worden vernietigd voor zover daarmee geen regeling is getroffen voor de gronden van de voormalige camping De Heuvelslag en voor zover het de plandelen voor recreatieterrein Bonte Vlucht en het perceel [locatie 3] betreft.
Verzoek om schadevergoeding
21. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak oordelen over het verzoek van [appellant sub 3] om schadevergoeding, waartoe de Afdeling het onderzoek zal heropenen. Aan die zaak is het nummer 202107431/4/R4 toegekend.
Vervolg
22. Gelet op de lange duur van deze procedure, de omstandigheid dat de raad al drie bestemmingsplannen voor de recreatieterreinen heeft vastgesteld, en de complexe situatie inzake de gronden van de voormalige camping De Heuvelslag, ligt het naar het oordeel van de Afdeling niet in de rede in deze zaak nogmaals een tussenuitspraak te doen. Verder is het verzoek aan de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien in dit geval niet haalbaar, gelet op mogelijke derde-belanghebbenden.
22.1. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde bestemmingsplan, herzieningsplan en correctieplan die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening.
22.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Proceskosten beroep
23. De raad moet de proceskosten van [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellanten sub 7], en [appellant sub 8] vergoeden. Van [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.
Schadevergoeding redelijke termijn
24. [appellanten sub 4] en [appellanten sub 1] hebben verzoeken ingediend om schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
24.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift.
24.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellanten sub 4] ontvangen op 1 december 2021. Zij heeft het beroepschrift van [appellanten sub 1] ontvangen op 2 december 2021. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
24.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellanten sub 1] ieder vastgesteld op € 2.500,00. Omdat zowel [appellanten sub 4] als [appellanten sub 1] gezamenlijk procederen, ziet de Afdeling aanleiding de schadevergoeding te matigen met 50%. Dat betekent dat aan zowel [appellanten sub 4] als [appellanten sub 1] samen een bedrag van € 2.500,00 wordt toegekend. De Afdeling acht een matiging redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.
Proceskosten verzoeken
25. De Staat moet de proceskosten van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 1] voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding vergoeden. De Afdeling zal bij de berekening wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 30 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 30 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" gegrond;
III. vernietigt dat besluit voor zover:
a. daarin een regeling voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag ontbreekt;
b. het betreft het plandeel voor het perceel [locatie 2];
c. het betreft het plandeel voor het perceel [locatie 3];
IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 9 november 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" gegrond;
V. vernietigt dat besluit voor zover:
a. daarin een regeling voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag ontbreekt;
b. het betreft het plandeel voor het recreatieterrein Bonte Vlucht;
c. het betreft het plandeel voor het perceel [locatie 3];
VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 8] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 10 april 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" gegrond;
VII. vernietigt dat besluit voor zover het betreft:
a. het plandeel voor het terrein van de voormalige camping De Heuvelslag;
b. het plandeel voor het perceel [locatie 2] en artikel 4.2.5, onder g, van de planregels;
VIII. verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 10 april 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" niet-ontvankelijk;
IX. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 202107431/4/R4 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door [appellant sub 3] gevorderde schadevergoeding;
X. verklaart de beroepen van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 10 april 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug" ongegrond;
XI. draagt de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.b en c, V.b en c en VII.a en b worden verwerkt in de landelijke voorziening:
a. onderdeel III.b en c in het op 30 september 2021 vastgestelde bestemmingsplan;
b. onderdeel V.b en c in het op 9 november 2023 vastgestelde bestemmingsplan;
c. onderdeel VII.a en b in het op 10 april 2025 vastgestelde bestemmingsplan;
XII. veroordeelt de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
a. € 3.736,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 41,41 aan [appellant sub 3];
c. € 3.736,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
d. € 4.203,00 aan [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
e. € 2.335,00 aan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
f. € 1.868,00 aan [appellant sub 8], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:
a. € 2.500,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 2.500,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XIV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding bij appellanten opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
a. € 467,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 467,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XV. gelast dat de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 181,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 181,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
c. € 181,00 aan [appellant sub 3];
d. € 181,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
e. € 181,00 aan [appellant sub 5];
f. € 181,00 aan [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
g. € 181,00 aan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
371-947