202501597/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 februari 2025 in zaak nr. 24/5762 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college [wederpartij] uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp).
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2024 vernietigd en het besluit van 16 februari 2024 herroepen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door M.F.M. van Gansen LLM, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.C.A.M. van der Meer, advocaat in Tilburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] stond sinds 2007 in de brp ingeschreven op het adres [locatie] in Tilburg. Na een melding van de verhuurder dat [wederpartij] niet meer op het adres zou wonen is het college een adresonderzoek gestart. Daarbij heeft het college de gegevens over het waterverbruik van [wederpartij] opgevraagd bij Brabant Water. Ook heeft het college drie huisbezoeken uitgevoerd, alle drie overdag tijdens kantoortijden op werkdagen, waarbij [wederpartij] niet is aangetroffen. Het college heeft [wederpartij] ook per brief verzocht om een eigen verklaring in te dienen dat hij op het adres woont, wat hij heeft gedaan. Ook heeft het college hem verzocht om zijn bankafschriften te verstrekken. Dat heeft [wederpartij] toen geweigerd, maar hij heeft deze afschriften tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank alsnog verstrekt. Op grond van het adresonderzoek is het college tot de conclusie gekomen dat [wederpartij] niet meer op het adres woont. Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college hem daarom op het adres uitgeschreven uit de brp. Bij besluit van 11 juni 2024 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar van [wederpartij] ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college [wederpartij] ten onrechte op het adres heeft uitgeschreven uit de brp. Daarover heeft zij overwogen dat het lage waterverbruik en (het gebrek aan) containerledigingen weliswaar vraagtekens oproept, maar dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij niet op het adres woont. De verklaring die hij voor het lage waterverbruik heeft gegeven, namelijk dat hij water verbruikt op zijn bedrijf en buiten werktijden vaak bij zijn ouders of een vriendin verbleef, sluit een dergelijk laag waterverbruik niet geheel uit. Daarnaast heeft hij een aannemelijke verklaring voor de geringe containerledigingen. Volgens de rechtbank had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar waar [wederpartij] ’s nachts slaapt, terwijl dit grote betekenis kan hebben. Daarvoor had het college volgens de rechtbank bijvoorbeeld huisbezoeken kunnen afleggen in de (late) avond.
Beoordeling van het hoger beroep
3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op de weg van het college lag om nader onderzoek te doen. Volgens het college is alleen van belang waar [wederpartij] ten tijde van het adresonderzoek woonde. Nader onderzoek achteraf, in de bezwaarfase, had daarom volgens het college niet tot een andere conclusie kunnen leiden. [wederpartij] heeft namelijk pas in de bezwaar- en beroepsfase verklaard dat hij regelmatig bij zijn ouders eet, op zijn bedrijf of bij zijn ouders doucht en zijn huishoudelijk afval meeneemt naar zijn bedrijf om weg te gooien.
Verder voert het college aan dat de verklaringen van [wederpartij] inhoudelijk onvoldoende aanleiding gaven om nader onderzoek te doen. Ten eerste omdat het waterverbruik van [wederpartij] extreem laag was, namelijk 1 m³ in 2022 en 3 m³ in 2023. Het college voert aan dat de door [wederpartij] verklaarde leefwijze zou leiden tot een hoger waterverbruik en volgt uit het verbruik in de jaren voor en na het onderzoek dat dit verbruik veel hoger was terwijl de leefsituatie van [wederpartij] niet wezenlijk anders was. Het college verwijst bovendien naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3289, waaruit volgt dat een extreem laag waterverbruik van 7 m3 of minder aannemelijk maakt dat een betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op dat adres. Volgens het college kan alleen al daarom worden uitgesloten dat hij op het adres woont. Het college voert verder aan dat [wederpartij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn huishoudelijk afval meeneemt naar zijn bedrijf om daar weg te gooien. Zonder verdere onderbouwing is volgens het college niet aannemelijk dat een bewoner van een woning dat telkens zou doen.
Het college voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, omdat geen onderzoek is gedaan naar waar [wederpartij] daadwerkelijk overnacht door middel van nachtelijke controles, maakt dat het adresonderzoek onzorgvuldig was. Volgens het college zijn die controles namelijk niet nodig vanwege het lage waterverbruik en het gebrek aan containerledigingen.
3.1. Dat [wederpartij] pas in de bezwaarfase verklaringen heeft gegeven voor zijn lage waterverbruik en het gebrek aan containerledigingen, en het college deze verklaringen daarom niet bij het besluit van 16 februari 2024 heeft kunnen betrekken, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het college deze verklaringen niet bij het besluit op zijn bezwaar hoeft te betrekken. Het college kan immers de bezwaarfase gebruiken om die verklaringen nader te onderzoeken in het kader van de volledige heroverweging van het genomen besluit die ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet plaatsvinden.
3.2. In de brp kan een ingezetene worden ingeschreven op een woonadres of, indien dat ontbreekt, op een briefadres. In artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden: i) de ingezetene kan niet worden bereikt, ii) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en iii) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. In dit geval is alleen in geschil of [wederpartij] kan worden bereikt op het adres, in de zin dat hij daadwerkelijk op het adres woont. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2926, moet bij de toepassing van de Wet brp aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont, waarbij de plaats waar de betrokkene ’s nachts slaapt een grote betekenis kan hebben. Ingeval iemand op meer dan één adres woont, is het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar het meest zal overnachten het woonadres. Wanneer iemand niet op één of meer adressen woont, is het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten het woonadres (zie r.o. 4). Daarnaast volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij op een bepaald adres woont als bij het college na adresonderzoek gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op dat adres woont, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1145.
3.3. Er mag niet lichtvaardig tot toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk. Voor degene die wordt uitgeschreven is de consequentie dat de overheid (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. De overheid zal bijvoorbeeld uitkeringen aan betrokkene kunnen stopzetten en dienstverlening aan betrokkene kunnen beëindigen. Het lage waterverbruik in combinatie met het gebrek aan containerledigingen roept in het geval van [wederpartij] weliswaar gerede twijfel op over de vraag of [wederpartij] op het adres woont, maar zoals de rechtbank heeft overwogen heeft [wederpartij] daarvoor verklaringen gegeven. Over het gebrek aan containerledigingen heeft hij namelijk verklaard weinig huishoudelijk afval te hebben, en dit afval op zijn bedrijf weg te gooien. Over het lage waterverbruik heeft hij verklaard dat hij op zijn bedrijf doucht, zijn was doet bij de wasserette en vaak bij zijn ouders eet. Hiermee heeft [wederpartij] twijfel doen ontstaan aan de conclusies van het uitgevoerde adresonderzoek. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1658, onder 9.3.
3.4. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank ook terecht overwogen dat het adresonderzoek onzorgvuldig was. Dat [wederpartij] bij enkele controles overdag niet thuis is aangetroffen, is niet doorslaggevend, omdat voor de vraag waar iemand woont in het kader van de toepassing van de Wet brp van grote betekenis is waar hij de nacht doorbrengt. Het besluit is zodoende met name gebaseerd op het lage waterverbruik en het gebrek aan containerledigingen van [wederpartij]. Hiermee heeft het college niet aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden beoordeeld of [wederpartij] nog op het adres woont, terwijl dit, zoals uiteengezet onder 3.2, wel is vereist. Daarbij is van belang wat de rechtbank heeft overwogen, dat het college nader onderzoek had moeten doen en daarbij had kunnen nagaan waar [wederpartij] daadwerkelijk slaapt, door bijvoorbeeld controles uit te voeren in de vroege ochtend of de late avond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op de weg van het college lag om de verklaringen van [wederpartij] nader te onderzoeken, en terecht geoordeeld dat het college hem ten onrechte op basis van het uitgevoerde adresonderzoek op het adres heeft uitgeschreven uit de brp.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
844-1114