202402703/1/A2.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 maart 2024 in zaak nr. 22/2291 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen.
Bij besluit van 15 november 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 september 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Melief, advocaat in Enschede, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. S.N. Ishak, zijn verschenen.
Bij brief van 9 september 2025 heeft de Afdeling het onderzoek heropend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De minister heeft gereageerd op de ingekomen stukken.
Met instemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van een nadere zitting. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister.
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing ervan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. In hoger beroep is in geschil of een schuld aan haar ouders van € 2.263,00 moet worden overgenomen. [appellante] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij met haar ouders had afgesproken dat zij haar zorgverzekering zouden betalen, en dat [appellante] de zorgtoeslag die zij ontvangt aan haar ouders overmaakt. Door de toeslagenaffaire kwam [appellante] in financiële problemen, waardoor zij niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. [appellante] is vanwege deze afspraak haar ouders nog een bedrag van € 2.263,00 verschuldigd.
4. De minister heeft bij besluit van 3 juni 2022 dit deel van de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 15 november 2022 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de schuld van [appellante] aan haar ouders niet is vastgelegd in een notariële akte, waaruit ook zou kunnen worden afgeleid wanneer er sprake is van een opeisbare achterstand van de betreffende schuld.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de private schuld van [appellante] voor zover deze ziet op zorgverzekeringskosten terecht niet heeft overgenomen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij in zoverre de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Dat de schuld emotioneel het zwaarst voelde voor [appellante] omdat het gaat om een schuld aan familieleden, betekent niet dat de hardheidsclausule hoefde te worden toegepast. Daarbij komt volgens de rechtbank dat het bevreemdt dat [appellante] niet met betalingsbewijzen heeft onderbouwd dat haar ouders de ziektekostenverzekeringspremies daadwerkelijk hebben gedragen en niet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk volledig verzekerd was.
Hoger beroep
Hardheidsclausule
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. De rechtbank is daarbij onvoldoende ingegaan op de argumenten die zij heeft aangedragen. [appellante] wijst erop dat zij ook een huurschuld had aan haar ouders. De huurovereenkomst was niet vastgelegd in een notariële akte. Desondanks heeft de minister, na een aanvankelijke weigering, onder toepassing van de hardheidsclausule de huurschuld alsnog als informele schuld overgenomen op basis van de overgelegde huurovereenkomst. Net zoals bij het bestaan van de huurschuld kan op basis van andere authentieke documenten aan het bestaan van de informele schuld uit hoofde van de premies voor de zorgverzekering en de daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet worden getwijfeld. Ook ten aanzien van de schuld uit hoofde van de premies voor de zorgverzekering hebben haar ouders om nakoming verzocht, en een ingebrekestelling verstuurd. De benadering in de wetgeving lijkt opnieuw van kwade trouw bij het slachtoffer uit te gaan. Schulden zouden moeten worden overgenomen als zij tussen 2006 en 2021 zijn ontstaan door toedoen van de Dienst Toeslagen en nog niet zijn afgelost. In zoverre zou bij de hardheidsclausule niet alleen naar actuele omstandigheden gekeken moeten worden. Er is ook sprake van een schrijnende situatie indien het vertrouwen van [appellante] in de overheid en de rechterlijke macht niet wordt hersteld, aldus [appellante].
6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. De hardheidsclausule kan dus zowel worden toegepast in bijzondere situaties waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt, als in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden.
Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, kan een bijzondere situatie waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt eruit bestaan dat, gelet op andere authentieke documenten, aan het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
6.3. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich, gelet op de in hoger beroep door [appellante] alsnog overgelegde documenten, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken ten aanzien van de schuld van [appellante] aan haar ouders. Uit de overgelegde zorgpolissen van de vader van [appellante] over de kalenderjaren 2018 tot en met 2022, de verzekeringsverklaring van IZA Zorgverzekeraar van 15 september 2025 en het overzicht van betalingen door de vader van [appellante] aan IZA Zorgverzekeraar van 15 oktober 2025, blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat [appellante], zoals zij had gesteld, meeverzekerd was op de polis van haar vader en dat haar vader de premies voor de zorgverzekering die op haar betrekking heeft, heeft voldaan. [appellante] heeft daarnaast bankafschriften overgelegd van de bankrekening van haar vader, uit de periode van 1 november 2016 tot en met 31 december 2022. Daarop is zichtbaar dat [appellante] of haar partner, zoals zij heeft gesteld, ontvangen zorgtoeslag heeft overgemaakt naar haar vader. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de echtheid van de door [appellante] overgelegde documenten. Verder heeft [appellante] met wat zij en haar vader daarover hebben verklaard, de overgelegde bankafschriften en de overgelegde ingebrekestelling van 4 november 2018 en het overzicht achterstanden huur- en zorgtoeslag van 14 maart 2021, voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] en haar ouders een betaaltermijn van een maand hebben afgesproken. De in 2018, 2019 en 2020 door [appellante] gemiste betalingen zijn daarmee opeisbaar geworden vóór 1 juni 2021. De Afdeling is van oordeel dat aan het bestaan van een informele schuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen, gelet op de consistentie van de overgelegde stukken die passen in de tijdlijn en bij de verklaring van [appellante]. De rechtbank heeft daarom, achteraf bezien, ten onrechte geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken.
6.4. Het betoog slaagt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover aangevallen. Het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 15 november 2022 dient alsnog gegrond te worden verklaard. De Afdeling zal het besluit van 15 november 2022 vernietigen. De Afdeling ziet, in het licht van het belang van een spoedige beëindiging van het geschil en nu partijen in beroep en in hoger beroep voldoende in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt over het onderliggende materiële geschil naar voren te brengen en voorts gelet op de beschikbare gegevens, aanleiding om op de hierna te melden wijze in de zaak te voorzien. Het besluit van 3 juni 2022 zal worden herroepen voor zover daarin een schuld aan [persoon A] & [persoon B] die verband houdt met de premies zorgverzekering niet is overgenomen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit.
Definitieve beslechting van het geschil
8. Op basis van de door [appellante] aangeleverde documenten is de opgegeven schuld niet volledig verifieerbaar voor het bedrag van € 2.263,00. De Afdeling is van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden aanleiding geeft om ex aequo et bono de schuld die op basis van de hardheidsclausule moet worden overgenomen vast te stellen op € 1.750,00.
Proceskosten
9. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 maart 2024 in zaak nr. 22/2291, voor zover de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 15 november 2022 ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 15 november 2022 gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 november 2022, met het kenmerk DGH-BOB-217820384;
V. herroept het besluit van 3 juni 2022, met het kenmerk SBN 2565331.01/KOT, voor zover de minister van Financiën daarin heeft besloten om de schuld aan [persoon A] & [persoon B] die verband houdt met de premies zorgverzekering niet over te nemen;
VI. wijst de aanvraag van [appellante] om overname van de private schuld aan [persoon A] & [persoon B] in zoverre toe tot een bedrag van € 1.750,00;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellante] voor de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00 geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1014