202600032/2/R4.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Dordrecht,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 26 mei 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht en artikel 12 van het Uitvoeringbesluit Afvalstoffenverordening Dordrecht aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 181,96 voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 2 december 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Het college heeft in het besluit van 2 december 2025 geoordeeld dat [appellante] te laat bezwaar heeft gemaakt en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is. Op 24 juli 2025 is het besluit toegezonden naar [appellante]. De bezwaartermijn is daarmee aangevangen op 25 juli 2025 en geëindigd op 4 september 2025. Het bezwaarschrift is op 17 september 2025 ontvangen en daarmee te laat. De stelling van [appellante] dat zij niet tijdig op de hoogte was van het bestreden besluit, heeft het college niet doen besluiten dat de termijnoverschrijding op grond van 6:11 van de Awb verschoonbaar moet worden geacht.
2. [appellante] betoogt in beroep dat de verzending van het besluit van 24 juli 2025 niet betekent dat zij dit besluit ook heeft ontvangen. Volgens haar begint de bezwaartermijn pas te lopen als vaststaat dat het besluit haar heeft bereikt. Daarbij wijst zij erop dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. Daarom kan volgens haar niet worden vastgesteld dat zij het besluit heeft ontvangen. [appellante] stelt verder dat zij pas begin september 2025, na 4 september 2025 en na contact met de gemeente, kennis heeft genomen van het besluit van 24 juli 2025. Zij stelt dat zij daarvóór niet op de hoogte was van het besluit. [appellante] voert aan dat zij na kennisneming van het besluit zo snel mogelijk bezwaar heeft gemaakt.
3. Als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet (tijdig) heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2145, rechtvaardigt het gebruik van een dergelijk postvervoerbedrijf het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Vereist is wel dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.
4. Vaststaat dat het college het besluit niet aangetekend heeft verzonden. Dat betekent op zichzelf niet dat daarom niet kan worden vastgesteld dat [appellante] het besluit heeft ontvangen. Het college heeft een verzendadministratie overgelegd. Daaruit blijkt dat het besluit van 24 juli 2025 naar het juiste adres van [appellante] is verzonden, dat de verzending op 25 juli 2025 is afgerond. Niet is gebleken van concrete problemen bij de verzending. Gelet hierop heeft het college aannemelijk gemaakt dat het besluit op het adres van [appellante] is ontvangen. De enkele stelling van [appellante] dat zij pas begin september 2025, na contact met de gemeente, van het besluit kennis heeft genomen en daarna zo snel mogelijk bezwaar heeft gemaakt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat [appellante] stelt dat zij niet tijdig op de hoogte was van het besluit, komt onder deze omstandigheden voor haar rekening en risico. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
341