ECLI:NL:RVS:2026:2908

ECLI:NL:RVS:2026:2908

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 202500707/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om zijn schuld aan [bedrijf] van € 35.000,- over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft een schuld van € 48.000,- opgebouwd bij de ING Bank. Teneinde die schuld te kunnen aflossen heeft [appellant] op 21 januari 2021 een overeenkomst van geldlening gesloten met [bedrijf] voor een bedrag van € 35.000,-. Die geldlening heeft [appellant] gebruikt om op 27 januari 2021 de geldschuld bij de ING Bank af te lossen. Op 12 mei 2021 heeft [appellant] van de Belastingdienst € 30.000,- uit de Catshuisregeling op grond van artikel 2.7 van de Wht ontvangen op zijn ABN rekening. Dezelfde dag heeft hij vanaf die ABN rekening € 35.000,- overgemaakt naar [bedrijf]. Op 2 mei 2022 heeft [appellant] een aanvraag om compensatie van de geldschuld aan [bedrijf] bij Sociale Banken Nederland ingediend.

Uitspraak

202500707/1/A2.

Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 24 december 2024 in zaak nr. 23/2199 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om zijn schuld aan [bedrijf] van € 35.000,- over te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Dit artikel houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Aan deze voorwaarden moet dus ook zijn voldaan. Deze bepaling houdt kort gezegd in dat private schulden worden overgenomen als zij zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht is bepaald dat een informele private schuld in aanmerking kan komen voor overname, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.

3. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft een schuld van € 48.000,- opgebouwd bij de ING Bank. Teneinde die schuld te kunnen aflossen heeft [appellant] op 21 januari 2021 een overeenkomst van geldlening gesloten met [bedrijf] voor een bedrag van € 35.000,-. Die geldlening heeft [appellant] gebruikt om op 27 januari 2021 de geldschuld bij de ING Bank af te lossen. Op 12 mei 2021 heeft [appellant] van de Belastingdienst € 30.000,- uit de Catshuisregeling op grond van artikel 2.7 van de Wht ontvangen op zijn ABN rekening. Dezelfde dag heeft hij vanaf die ABN rekening € 35.000,- overgemaakt naar [bedrijf]. Op 2 mei 2022 heeft [appellant] een aanvraag om compensatie van de geldschuld aan [bedrijf] bij Sociale Banken Nederland ingediend.

Besluitvorming

5. In het besluit van 17 juli 2023 stelt de minister vast dat de schuld bij [bedrijf], anders dan [appellant] betoogt, kwalificeert als een `informele schuld'. [bedrijf] is een markthandel in aardappelen, groente en fruit. Het verstrekken van een geldlening is geen normale uitoefening van dit bedrijf, zoals vereist ingevolge artikel 4.1, derde lid, onderdeel b, van de Wht. De geldschuld wordt aangemerkt als een zogenaamde informele schuld, omdat deze niet voortvloeit uit een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling. Een informele schuld wordt alleen overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak. Omdat daar geen sprake van is wordt de schuld niet overgenomen.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het standpunt van de minister dat de schuld aan [bedrijf] een informele schuld is, bevestigd. Nu de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak, is niet voldaan aan de wettelijke eis om de schuld te kunnen overnemen. Bovendien is de door [appellant] op zitting overgelegde onderhandse akte niet gelijk te stellen met een notariële akte.

7. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, heeft de rechtbank verder geoordeeld dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.

8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 blijkt volgens de rechtbank dat onderhandse akten op zich onvoldoende bewijs zijn voor het bestaan van de lening, de betalingsafspraken en de opeisbaarheid, omdat die moeilijk zijn te verifiëren. De rechtbank heeft onvoldoende reden gezien om in het geval van [appellant] hier anders over te oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhandse akte van 24 januari 2021 niet voldoende voor de conclusie dat in dit geval gelet op andere authentieke documenten aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De onderhandse akte is immers moeilijk te verifiëren en daarnaast heeft [appellant] op 24 januari 2021 wel € 35.000,- ontvangen van [bedrijf] op zijn ABN rekening, maar bij die overschrijving is niet vermeld dat het gaat om een lening. Ook bij de overschrijving van € 35.000,- van de ABN rekening naar [bedrijf] op 12 mei 2021 is niet vermeld dat het gaat om een lening. Hoewel in de onderhandse akte bepalingen over de opeisbaarheid zijn opgenomen, is de ingebrekestelling van 12 april 2021 niet verifieerbaar zodat naar het oordeel van de rechtbank ook niet is aangetoond dat de schuld daadwerkelijk opeisbaar was in de periode vóór 1 juni 2021. Het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule is daarom niet geslaagd. De minister heeft terecht de schuld niet overgenomen.

Hoger beroep

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep op de hardheidsclausule ten onrechte heeft afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, stelt [appellant] zich op het standpunt dat de hardheidsclausule moest worden toegepast, omdat in zijn geval aan het bestaan en opeisbaarheid van een informele schuld gelet op de overgelegde bewijsstukken redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Ten eerste is de geldlening vastgelegd in de onderhandse akte van 24 januari 2021, waarin ook bepalingen over de opeisbaarheid zijn opgenomen. Daarnaast is er een ingebrekestelling van [bedrijf] van 12 april 2021 overgelegd. Met bankafschriften is aangetoond dat [appellant] op 24 januari 2021 een bedrag van € 35.000,- van [bedrijf] heeft ontvangen en dat hij op 12 mei 2021 dit bedrag heeft terugbetaald. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat de wetgever kennelijk niet vereist dat een onderhandse akte volledig verifieerbaar moet zijn. De rechtbank heeft daarom een te strenge maatstaf opgelegd voor de bewijslevering van de informele schuld.

Beoordeling van het hoger beroep

10. Niet in geschil is dat de geldschuld aan [bedrijf] een informele schuld was, die niet was vastgelegd in een notariële akte of bleek uit een rechterlijke uitspraak. De geldlening van [bedrijf] aan [appellant] is vastgelegd in een onderhandse akte van 24 januari 2021. Deze akte is door zowel [appellant] als [bedrijf] ondertekend. In de akte zijn betalingsafspraken tussen partijen gemaakt en bepalingen opgenomen over de opeisbaarheid van de schuld. Daarnaast is er een ingebrekestelling van [bedrijf] aan [appellant] van 12 april 2021 overgelegd. Aangezien de schuld vanaf 1 april 2021 opeisbaar was, past dit in de tijdlijn. Met bankafschriften is aangetoond dat [appellant] op 24 januari 2021 een bedrag van € 35.000,- van [bedrijf] heeft ontvangen. Op 12 mei 2021 heeft [appellant] € 30.000,- ontvangen van de zogenoemde Catshuisregeling en op dezelfde dag heeft hij zijn schuld aan [bedrijf] terugbetaald. In de overboeking van 12 mei 2021 staat de omschrijving "terugbetaling".

10.1. De Afdeling is van oordeel dat zich in dit geval een bijzondere situatie voordoet als bedoeld in haar uitspraak van 15 mei 2024. In dit verband is van belang dat de Afdeling geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de echtheid van de door [appellant] overgelegde documenten. De onderhandse akte en de ingebrekestelling vormen samen met de overgelegde bankafschriften en de omschrijvingen daarbij een consistent geheel, dat past in de tijdlijn en de verklaring van [appellant]. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken.

10.2. In artikel 4.1, tweede lid, van de Wht zijn de voorwaarden opgenomen voor het overnemen van een private schuld. Een geldschuld wordt overgenomen als deze: is ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan. De onderhandse akte dateert van 24 januari 2021 en is dus ontstaan na 31 december 2005. In de onderhandse akte is opgenomen dat de hoofdsom maandelijks afgelost dient te worden met een bedrag van € 1000,- ingaande op 1 april 2021. Daarin is ook afgesproken dat indien de schuldenaar zijn betalingsafspraken niet nakomt, de schuldeiser de gehele hoofdsom kan opeisen. [bedrijf] heeft [appellant] op 12 april 2021 in gebreke gesteld voor de gehele hoofdsom, waaruit ook blijkt dat de schuld nog niet betaald was zoals overeengekomen in de informele akte. Dit bewijst dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021.

10.3. Het betoog slaagt.

Conclusie

11. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren. De Afdeling zal het besluit van 17 juli 2023 vernietigen. De Afdeling ziet, gelet op wat onder 10.1 tot en met 10.3 is overwogen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 22 maart 2023 zal worden herroepen voor zover daarin de schuld aan [bedrijf] niet is overgenomen en de aanvraag zal in zoverre worden ingewilligd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 24 december 2024 in zaak nr. 23/2199;

III. verklaart het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van de minister van Financiën van 17 juli 2023 met het kenmerk SBN ABS BABS0072 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. herroept het besluit van 22 maart 2023, met het kenmerk SBN ABS 215124959T236001A, voor zover de minister van Financiën daarin heeft besloten om de schuld aan [bedrijf]niet over te nemen;

VI. wijst de aanvraag van [appellant] om overname van de private schuld aan [bedrijf] toe;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 327,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

594-1180

BIJLAGE

Wettelijk kader

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner.

1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;

d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;

e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en

f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.

4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:

a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;

b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;

c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;

d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en

e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.

[…]

Artikel 4.3. Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner.

1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.

2. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend.

3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:

a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of

b. tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen waarin staat dat de Belastingdienst/Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, is vastgesteld.

4. De compensatie wordt niet verleend indien artikel 4.6 of 4.7 wordt toegepast.

5. De hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.

Artikel 9.1. Hardheidsclausule

[…]

2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:

a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand