202203920/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Eindhoven,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/423 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door drs. N.M.H.A. van Hirtum en mr. S.E. Kordi, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam A], geboren op [geboortedatum 1] 1999 in Yazman Köyü, Turkije. Deze gegevens zijn ontleend aan een door haar ouders afgelegde verklaring onder ede. [appellante] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], geboren op [geboortedatum 2] 1999 in Como, Italië, met als ouders [ouder A], geboren op [geboortedatum] 1972 in Idil, Turkije en [ouder B], geboren op [geboortedatum] 1978 in Idil, Turkije. [appellante] stelt zich op het standpunt dat haar ouders een valse identiteit hebben aangenomen en dat zij ook valse gegevens over haar identiteit hebben verstrekt toen zij in Nederland aankwamen.
2. Bij haar aanvraag heeft [appellante] de volgende stukken verstrekt:
- Een uittreksel van een Italiaanse geboorteakte van [naam B], geboren op [geboortedatum 2] 1999 in Como, Italië;
- Een verblijfsvergunning van [naam A] van 6 oktober 2015.
3. Het college heeft het verzoek afgewezen. Volgens het college is niet vast komen te staan dat de Italiaanse geboorteakte op [appellante] ziet. Daarnaast zijn van [appellante] geen oudergegevens geregistreerd in de brp. Het college stelt dat, ook al zouden de persoonsgegevens van haar vermoedelijke ouders in de brp worden gewijzigd, [appellante] eerst moet aantonen dat deze personen haar daadwerkelijke ouders zijn voordat haar gegevens in de brp kunnen worden aangepast.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de persoon is die op de geboorteakte wordt genoemd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij in de zaken van de vermeende ouders van [appellante] heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat de in de brp opgenomen gegevens van deze personen onjuist zijn. Daarmee hebben zij ook niet kunnen aantonen dat zij de personen zijn die als ouders op de Italiaanse geboorteakte worden genoemd. Ook in het geval dat wel zou zijn aangetoond dat deze personen de ouders zijn die op de geboorteakte worden genoemd, heeft [appellante] niet aangetoond dat deze personen haar biologische ouders zijn. Zij heeft immers niet kunnen aantonen dat zij de persoon is op wie de geboorteakte ziet. Dit zou moeten worden aangetoond met een DNA-onderzoek. Anders dan [appellante] heeft gesteld hoefde het college geen navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Volgens de rechtbank had dit geen informatie kunnen opleveren die het college tot een ander besluit had kunnen doen komen.
Hoger beroep
5. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980 (de overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken om iemands identiteitsgegevens te wijzigen in de brp. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep.
5.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet de persoon is die op de geboorteakte wordt genoemd. Er is geen reden om te twijfelen aan de Italiaanse geboorteakte omdat haar ouders destijds hun identiteit aan de Italiaanse autoriteiten kenbaar hebben gemaakt. Dat in de brp geen oudergegevens van haar staan geregistreerd, neemt niet weg dat zij een authentieke Italiaanse geboorteakte heeft overgelegd waarop als ouders staan vermeld: [ouder A] en [ouder B]. Het had op de weg van het college gelegen om de Italiaanse geboorteakte nader te onderzoeken, te meer omdat het Italiaanse persoonsnummer op de geboorteakte staat. Daarnaast wijst [appellante] op de gronden die haar vermeende ouders in hoger beroep hebben aangevoerd tegen de besluiten van het college om hun verzoeken om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp, af te wijzen. [appellante] stelt dat haar ouders met de door hen overgelegde documenten wel hebben aangetoond dat de over hen in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn. Om die reden moeten haar gegevens in de brp ook worden gewijzigd.
5.2. Partijen zijn het erover eens dat de geboorteakte een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het niet twijfelt aan de authenticiteit van de Italiaanse geboorteakte en de wijze waarop de informatie die daarin is opgenomen door de Italiaanse autoriteiten is vastgesteld. In geschil is echter of de Italiaanse geboorteakte betrekking heeft op [appellante].
5.3. Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak heeft overwogen, heeft de aanvrager de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft op hem. Als het college zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat dat niet zo is, bijvoorbeeld door te wijzen op verschillen tussen uiterlijke kenmerken van de aanvrager en foto’s die voorkomen op die documenten, moet het dat standpunt zo veel mogelijk van bewijs voorzien. De aanvrager moet dan aannemelijk maken dat, kortgezegd, hij wel degene is over wie het document gaat. Dit is mogelijk met alle daartoe dienstige bewijsmiddelen. Dit kan bijvoorbeeld door het inbrengen van de uitkomst van een DNA-onderzoek waaruit volgt dat een verband kan worden gelegd tussen het brondocument en de aanvrager of een fotovergelijking waaruit dit volgt. Voor het eerste type verwijst de Afdeling ter vergelijking naar haar uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:233. Voor het tweede type naar haar uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2910.
5.4. De Afdeling stelt allereerst vast dat van [appellante] geen oudergegevens staan geregistreerd in de brp. De persoonsgegevens van [appellante] in de brp zijn wel ontleend aan een door [persoon A] en [persoon B] afgelegde verklaring onder ede. Op de verklaring onder ede staan [persoon A] en [persoon B] als de ouders van [appellante] vermeld.
5.5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2794, geoordeeld dat uit een brondocument van de heer [persoon A], de vermeende vader van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat hij de persoon [ouder A] is. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2795, geoordeeld dat uit een brondocument van mevrouw [persoon B], de vermeende moeder van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat zij de persoon [ouder B] is. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college desgevraagd aangegeven dat als de uitkomst in de zaken van de vermeende ouders van [appellante] zou zijn dat hun aanvragen om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp moeten worden ingewilligd, dit aanleiding kan zijn om het verzoek van [appellante] ook in te willigen.
5.6. Hiermee heeft het college het standpunt verlaten dat een wijziging van de persoonsgegevens van de vermeende ouders van [appellante] en alle ingebrachte informatie die daarop betrekking heeft, geen invloed heeft op de vraag of de door [appellante] gestelde identiteit juist is. Dit betekent dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp moet worden afgewezen. Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 januari 2021 vernietigen vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling zal het college opdragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en hiervoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
7. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/423;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 7 januari 2021, kenmerk BZ-20-0518-003;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €3736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van €455,00, vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
973