202206697/1/R3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht Awb) in het geding tussen:
1. V.O.F. Erve Punte, gevestigd in Losser, en anderen, wonend in Losser;
2. V.O.F. 't Borghuis, gevestigd in Losser,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Losser,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben V.O.F. Erve Punte en anderen en V.O.F. 't Borghuis beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser" gewijzigd vastgesteld.
V.O.F. Erve Punte en anderen hebben aanvullende gronden tegen dit besluit ingediend.
V.O.F. Erve Punte en anderen en V.O.F. ‘t Borghuis hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 december 2025, waar V.O.F. Erve Punte en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat in Nijmegen, en vergezeld door [persoon], V.O.F. 't Borghuis, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en vergezeld door [personen], en de raad, vertegenwoordigd door H.M.C. ten Hove-Santegoeds, bijgestaan door mr. M. van Moorsel, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 10 februari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plangebied, Landgoed ’t Borghuis, had onder het voorheen geldende bestemmingsplan voornamelijk verschillende agrarische bestemmingen en voor een deel een recreatieve bestemming. Op de gronden met een recreatieve bestemming staan twee groepsaccommodaties, een bedrijfswoning en vijf vakantiewoningen. Daarnaast zijn drie groepsaccommodaties vergund, die nog niet zijn gerealiseerd. Op het agrarisch bedrijfsperceel ten zuiden van de gronden met de recreatieve bestemming bevinden zich daarnaast twee bedrijfswoningen. Eén van deze bedrijfswoningen heeft een bijgebouw, dat momenteel feitelijk als mantelzorgwoning wordt gebruikt, en een schuur. Daarnaast staat er nog een schuur, die eerder was afgebrand maar nu is herbouwd.
Het voorliggende plan zoals vastgesteld bij besluit van 4 oktober 2022 voorziet voornamelijk in de uitbreiding van de recreatieve bestemming naar het noorden en het zuiden, en het toekennen van een ondergeschikte zorgfunctie aan deze gronden. De drie reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde, nieuwe groepsaccommodaties zijn in het plan voorzien ten noorden van de huidige recreatiebestemming, op gronden die momenteel een agrarische bestemming hebben. Eén van de reeds bestaande bedrijfswoningen op het voormalige agrarische bedrijfsperceel in het zuiden wordt, samen met de herbouwde schuur, bestemd als groepsaccommodatie. De bedoeling is om de schuur te gebruiken voor centrale voorzieningen en recreatieve verblijfsfuncties, namelijk voor de overnachting van 14 gasten. Er worden daarnaast drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt binnen de bestaande bebouwing. De reeds bestaande groepsaccommodatie en vijf vakantiewoningen blijven behouden. Als laatste maakt het plan in het zuiden van het plangebied, dat een agrarische bestemming behoudt, de bouw van een schaapskooi mogelijk.
Uit de plantoelichting volgt dat het de bedoeling is om in totaal 5 groepsaccommodaties voor elk 45 personen, 1 groepsaccommodatie voor 20 personen, 1 groepsaccommodatie voor 14 personen, 4 vakantiewoningen voor 8 personen, 1 vakantiewoning voor 4 personen, 3 bedrijfswoningen en een schaapskooi mogelijk te maken.
3. V.O.F. ’t Borghuis is de eigenaar en exploitant van het landgoed, en is het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vindt dat de raad ten onrechte de mogelijkheden ter plaatse van de schaapskooi heeft beperkt ten opzichte van het ontwerpplan.
4. V.O.F. Erve Punte en anderen exploiteren een buitenverblijf ten westen van het plangebied. Zij zijn het evenmin eens met het plan. Zij vinden onder andere dat de planregels tot rechtsonzekerheid leiden, dat de ladder voor duurzame verstedelijking ten onrechte niet is toegepast en dat het akoestische onderzoek gebrekkig is.
Herstelbesluit
5. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 april 2023, 202206697/2/R3, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het besluit van 4 oktober 2022 onrechtmatig was, omdat het maximaal toegestane aantal bezoekers dat gebruik kon maken van de groepsaccommodaties niet was vastgelegd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad het bestemmingsplan met het besluit van 16 mei 2023 opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
6. Dit besluit is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Dit betekent dat tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan van V.O.F. ’t Borghuis en V.O.F. Erve Punte en anderen. De Afdeling zal eerst deze beroepen van rechtswege tegen het besluit van 16 mei 2023 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen van V.O.F. ’t Borghuis en V.O.F. Erve Punte en anderen tegen het besluit van 4 oktober 2022.
Toetsingskader
7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
8. De relevante wettelijke bepalingen in deze zaak zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Ingetrokken beroepsgronden
9. Op de zitting hebben V.O.F. Erve Punte en anderen verschillende beroepsgronden ingetrokken. Het gaat om de beroepsgronden over het stikstofonderzoek, de watertoets, soortenbescherming en over parkeren.
Het beroep van V.O.F. ’t Borghuis
De schaapskooi
10. V.O.F. ’t Borghuis betoogt dat de raad de mogelijkheden ter plaatse van de beoogde schaapskooi ten onrechte heeft beperkt ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
Extensief recreatief medegebruik
10.1. V.O.F. ’t Borghuis voert hiertoe aan dat de raad ten onrechte de medebestemming "extensief recreatief medegebruik" heeft geschrapt. Dit is volgens haar onwenselijk voor haar bedrijf, omdat de schaapskooi hierdoor niet meer als ontspanning kan worden aangeboden aan de cliënten van het recreatiebedrijf. Deze cliënten zijn voornamelijk mensen met een beperking, die vanwege hun immobiliteit met name zijn aangewezen op ontspanning in de directe omgeving van de verblijfsgebouwen, zoals de schaapskooi. In de landschappelijke inpassing is daarom een wandelpad ingetekend tussen de verblijfsgebouwen en de schaapskooi. Het feit dat desondanks bij de schaapskooi, die de bestemming "Agrarisch - 2" heeft, geen extensief recreatief medegebruik is toegestaan, is volgens V.O.F. ’t Borghuis in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
10.2. De raad stelt zich op het standpunt dat deze wijziging ten opzichte van het ontwerpplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de raad wordt in de voorliggende versie van het plan een heldere scheiding aangebracht tussen de recreatieve en niet-recreatieve functies. Het plan biedt daarbij, ook zonder de schaapskooi, voldoende recreatieve mogelijkheden. Alhoewel het klopt dat extensief recreatief medegebruik als ongeclausuleerde mogelijkheid binnen de agrarische bestemming is geschrapt, betekent dit volgens de raad niet dat het wandelpad uit de landschappelijke inpassing niet meer door gasten gebruikt mag worden.
10.3. In de plantoelichting staat dat de schaapskooi een culturele bezienswaardigheid voor de recreatieve gasten is, die wordt gezien als groene schakel tussen ecologie en recreatie. Daarbij wordt gesteld dat de schaapskooi via een (rolstoelvriendelijk) "belevenispad" te bereiken zal zijn en aan zal sluiten op de nieuw aan te leggen natuur en dat de wandeling van de accommodatie naar de schaapskooi voor zorggroepen al een daguitje is.
10.4. In het ontwerpbestemmingsplan waren gronden met de bestemming "Agrarisch - 2" mede bestemd voor "extensief recreatief medegebruik", dat in het geschrapte artikel 1.29 werd gedefinieerd als "recreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, of naar aard daarvan gelijk te stellen voorzieningen".
10.5. De Afdeling stelt vast dat dit extensief recreatief medegebruik van de gronden met de bestemming "Agrarisch - 2" in het uiteindelijk vastgestelde plan niet is toegestaan. Omdat ook het pad tussen de accommodaties en de schaapskooi de bestemming "Agrarisch-2" heeft, betekent dit dat de cliënten van het recreatiebedrijf het niet kunnen gebruiken als recreatief erfpad. Uit de hierboven genoemde plantoelichting en de toelichting van de raad op de zitting, blijkt echter dat het de bedoeling van de raad is geweest dat het pad wel als zodanig gebruikt kan worden: de raad heeft het immers over een "belevenispad" dat voor wandelingen van de gasten gebruikt kan worden. Omdat de planregels in de weg staan aan het door de raad beoogde gebruik van het pad, is de Afdeling van oordeel dat het plan onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
In zoverre slaagt het betoog.
De horecafunctie
10.6. V.O.F. ’t Borghuis voert daarnaast aan dat de raad de horecafunctie ten onrechte heeft geschrapt. De schaapskooi ligt namelijk voor de gasten met een beperkte actieradius op aanzienlijke afstand van de verblijfsgebouwen, waardoor het van belang is dat de schaapskooi als rustpunt kan worden gebruikt met koffie, thee, frisdrank en kleine versnaperingen.
10.7. De raad stelt voorop dat zijn belangrijkste overweging voor het toestaan van de schaapskooi is dat de schapen zullen worden ingezet voor het natuurlijke beheer van het terrein. Dat de schapen daarbij een aanvulling kunnen vormen op het recreatieve aanbod is volgens de raad mooi meegenomen. Alhoewel het overgrote deel van de klanten volgens de raad geen beperkte actieradius zal hebben, verzet het bestemmingsplan zich er niet tegen dat de klanten die wel een beperkte actieradius hebben tijdens een wandeling tot rust komen bij de schaapskooi. Het schrappen van de horecafunctie doet hier niet aan af, en ook zonder die functie heeft de schaapskooi daarom een toegevoegde waarde, aldus de raad.
10.8. De Afdeling stelt vast dat ondergeschikte horeca niet is toegestaan ter plaatse van de schaapskooi. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze keuze voldoende heeft gemotiveerd. Bij een agrarische bestemming ligt het niet voor de hand dat een horecafunctie is toegestaan. In wat V.O.F. ’t Borghuis heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de afwezigheid van een horecafunctie zodanig afdoet aan de volgens de plantoelichting beoogde recreatieve functie van de schaapskooi dat er geen sprake meer is van een goede ruimtelijke ordening.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Het beroep van V.O.F. Erve Punte en anderen
Rechtsonzekerheid
11. V.O.F. Erve Punte en anderen betogen dat er, ook na de wijziging van het plan, verschillende onduidelijkheden bestaan die tot rechtsonzekerheid leiden. Als gevolg hiervan is een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat ter plaatse van hun perceel volgens hen niet geborgd.
Voormalige bedrijfswoning en schuur
11.1. Zij wijzen in dit kader op de voormalige bedrijfswoning en de herbouwde schuur daarnaast, die in het bestemmingsplan samen als groepsaccommodatie zijn aangewezen en het dichtst bij hun perceel staan. Volgens V.O.F. Erve Punte en anderen is het onduidelijk hoeveel mensen er in deze groepsaccommodatie mogen verblijven. Zij menen dat er in totaal 28 mensen mogen verblijven, 14 in de schuur en 14 in de bedrijfswoning, en verwijzen in dit kader naar een eerder ingetrokken aanvraag voor een omgevingsvergunning voor 28 personen. Volgens de plantoelichting is het echter alleen de bedoeling dat er 14 mensen in de schuur slapen en dat de bedrijfswoning overdag gebruikt wordt om mensen op te vangen. Dit is volgens V.O.F. Erve Punte en anderen ten onrechte niet in de planregels geborgd. Dit betekent volgens V.O.F. Erve Punte en anderen daarnaast dat het gebruik van deze groepsaccommodatie verzwaard is ten opzichte van het besluit van 4 oktober 2022.
11.2. De Afdeling stelt vast dat de voormalige bedrijfswoning en de schuur op de planverbeelding samen zijn aangemerkt als één groepsaccommodatie, met daarbij de aanduiding: "maatvoering, maximum aantal personen: 14". Uit artikel 5.3.1, onder f, van de planregels volgt dat het niet is toegestaan om met meer dan dat aantal personen recreatief in de groepsaccommodatie te verblijven. Naar het oordeel van de Afdeling is het daarom voldoende duidelijk dat er in de voormalige bedrijfswoning en schuur in totaal 14 personen mogen verblijven. Er is daarom geen sprake van strijd met de plantoelichting of een verzwaring van het gebruik ten opzichte van het besluit van 4 oktober 2022.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Definitie "verblijfsrecreatie"
11.3. Zij voeren daarnaast aan dat er onduidelijkheid bestaat wat betreft het woord "verblijfsrecreatie". Het schrappen van de woorden "vakantieappartementen" en "kampeerboerderijen" uit artikel 5.1, onder a, van de planregels heeft de onduidelijkheid, anders dan de raad meent, niet opgelost. "Verblijfsrecreatie" wordt namelijk niet gedefinieerd in de planregels en artikel 5.1, onder a, staat nog steeds voorzieningen toe die gelijk zijn te stellen aan groepsaccommodaties en vakantiewoningen. V.O.F. Erve Punte en anderen stellen dat het niet duidelijk is waarom vakantieappartementen en kampeerboerderijen daar niet alsnog onder zouden vallen. Omdat deze gelijk te stellen voorzieningen niet zijn verbonden aan een bepaalde functieaanduiding, zijn zij bijna overal ter plaatse van de bestemming "Recreatie - verblijfsrecreatie" toegestaan, aldus V.O.F. Erve Punte en anderen.
Als gevolg hiervan vrezen V.O.F. Erve Punte en anderen dat bestaande bebouwing gebruikt kan worden voor deze "gelijk te stellen functies". Op grond van artikel 5.2.1, onder b, van de planregels is bestaande bebouwing namelijk toegestaan. Omdat sommige bestaande bebouwing geen specifieke aanduiding heeft gekregen, bijvoorbeeld de bedrijfswoning en kapschuur in het zuiden van het perceel, staat het bestemmingsplan er niet aan in de weg dat deze ingericht worden als aan vakantiewoningen en groepsaccommodaties gelijk te stellen functies. Hetzelfde geldt volgens hen voor de 3 groepsaccommodaties waarvoor al voor het vaststellen van een bestemmingsplan een vergunning was verleend. Zij vrezen dat deze 3 groepsaccommodaties alsnog worden gerealiseerd op de oorspronkelijk beoogde locatie midden op het perceel, bovenop de 3 groepsaccommodaties die in het noorden van het perceel zijn voorzien. Het bestemmingsplan staat namelijk binnen het bouwvlak reeds vergunde bebouwing toe. Het feit dat deze vergunningen nu zijn ingetrokken onder de voorwaarde dat de omgevingsvergunningen voor deze groepsaccommodaties in het noorden onherroepelijk worden, maakt dit volgens hen niet anders. Dit is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis.
11.4. Artikel 5.1, onder a, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" naast groepsaccommodaties en vakantiewoningen, ook daarmee gelijk te stellen voorzieningen zijn toegestaan. Uit artikel 5.1, onder a, eerste en tweede lid, volgt dat groepsaccommodaties en vakantiewoningen alleen ter plaatse van de respectievelijke gelijknamige functieaanduidingen zijn toegestaan. Omdat voor de "gelijk te stellen voorzieningen" geen dergelijke aanduiding is opgenomen, stelt de Afdeling vast dat deze in alle bebouwing die op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder b, is toegestaan, kunnen worden gerealiseerd. Uit de plantoelichting en de bespreking op de zitting blijkt dat dit niet de bedoeling van de raad is geweest. De Afdeling overweegt daarom dat de raad bij het besluit om het plan vast te stellen geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om binnen alle op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder b, toegestane bebouwing met groepsaccommodaties en vakantiewoningen gelijk te stellen voorzieningen te realiseren, terwijl de planregels deze mogelijkheid wel bieden. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit dat de raad het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.
In zoverre slaagt het betoog.
11.5. Wat betreft de vrees dat de eerder vergunde groepsaccommodaties alsnog worden gerealiseerd op de oorspronkelijk beoogde locatie, overweegt de Afdeling als volgt. Met het besluit van 29 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser de omgevingsvergunning van 22 september 2011, voor zover het de 3 nog niet gerealiseerde groepsaccommodaties betreft, ingetrokken. Dit gebeurde onder de opschortende voorwaarde dat op de vergunningsaanvraag voor de groepsaccommodaties op de nieuwe locatie op grond van het hier voorliggende bestemmingsplan positief wordt beslist en dat dit besluit in werking is getreden en onherroepelijk is geworden. Naar het oordeel van de Afdeling staat hiermee met voldoende zekerheid vast dat de 3 vergunde groepsaccommodaties niet naast de 3 groepsaccommodaties die in het plan mogelijk worden gemaakt zullen worden gerealiseerd. De opschortende voorwaarde betekent namelijk dat de situatie waarin er voor 6 groepsaccommodaties een onherroepelijke vergunning bestaat zich niet voor kan doen. Als de opschortende voorwaarde is ingetreden, is de omgevingsvergunning van 22 september 2011 ingetrokken. Als deze (nog) niet is ingetreden, betekent dat dat er geen onherroepelijke vergunning is voor de 3 groepsaccommodaties die in het plan worden mogelijk gemaakt. In geen van beide gevallen kunnen er onherroepelijke vergunningen voor 6 groepsaccommodaties bestaan.
In zoverre slaagt het betoog niet.
De bedrijfswoningen
11.6. Ook wat betreft de bedrijfswoningen bestaan er volgens V.O.F. Erve Punte en anderen onduidelijkheden. Zij voeren aan dat het onduidelijk is waar de bedrijfswoningen zijn toegestaan, omdat deze niet aan een functieaanduiding zijn gekoppeld. Eén van de gebouwen die volgens de plantoelichting als bedrijfswoning zal worden gebruikt, heeft de functieaanduiding "groepsaccommodatie". Een dubbelfunctie is volgens hen, gelet op de oppervlakte van het gebouw, niet realistisch. De andere twee bedrijfswoningen zijn voorzien in een gebouw dat momenteel als opslagruimte wordt gebruikt. Deze opslagruimte zou ook gebruikt kunnen worden ten behoeve van verblijfsrecreatie, waardoor er nog maar één bedrijfswoning in dit gebouw zou passen. Volgens V.O.F. Erve Punte en anderen is het daarom niet zeker dat de bedrijfswoningen in bestaande bebouwing worden gerealiseerd. Ook is volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom er überhaupt 3 bedrijfswoningen nodig zijn.
11.7. Uit artikel 5.2.1, onder b, van de planregels volgt dat de oppervlakte aan bebouwing ter plaatse van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" niet meer dan de bestaande dan wel vergunde oppervlakte, dan wel de ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte (m²)" aangegeven oppervlakte mag bedragen. Artikel 5.2.1, onder d, bepaalt dat ten hoogste 3 bedrijfswoningen zijn toegestaan. In de planregels en op de planverbeelding is geen aanduiding voor de bedrijfswoningen opgenomen. De Afdeling stelt vast dat dit betekent dat de 3 bedrijfswoningen in beginsel in alle bebouwing die op grond van artikel 5.2.1, onder b, is toegestaan kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling is echter niet van oordeel dat dit betekent dat de planregels op dit punt rechtsonzeker of anderszins gebrekkig zijn.
Anders dan V.O.F. Erve Punte en anderen betogen, betekent het feit dat de locatie van de bedrijfswoningen niet vastligt namelijk niet dat ten behoeve van die bedrijfswoningen nieuwe bebouwing mag worden gerealiseerd. Als er, zoals zij aanvoeren, in de bestaande bebouwing geen ruimte zou zijn voor de bedrijfswoningen, zou dit simpelweg betekenen dat de bedrijfswoningen niet gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast heeft V.O.F. ’t Borghuis op de zitting toegelicht dat in dit kader juist in het bijzonder met de raad is besproken dat enige flexibiliteit gewenst was wat betreft de precieze locatie. In wat V.O.F. Erve Punte en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze flexibiliteit niet mocht bieden.
In zoverre slaagt het betoog niet.
11.8. Wat betreft de motivering dat 3 bedrijfswoningen nodig zijn, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat, kort gezegd, dat gelet op de aard van de activiteiten van het bedrijf en de kwetsbare doelgroep waar het bedrijf zich op richt, 24-uurstoezicht nodig is. Om dit voor de in totaal 295 personen die op het perceel kunnen verblijven mogelijk te maken zijn de bedrijfswoningen noodzakelijk. V.O.F. Erve Punte en anderen hebben niet gemotiveerd waarom de noodzaak voor de 3 woningen hiermee onvoldoende is gemotiveerd.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Akoestische functieaanduiding
11.9. Verder wijzen V.O.F. Erve Punte en anderen op de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie uitgesloten - nieuwe akoestisch relevante activiteiten en functies". Volgens hen is deze aanduiding om verschillende redenen onvoldoende rechtszeker.
Zij voeren aan dat het onduidelijk is welke activiteiten op 4 oktober 2022, de peildatum volgens de definitie in artikel 1.8 van de planregels, plaatsvonden. Dit zorgt er volgens hen ook voor dat de regeling niet handhaafbaar is. Daarnaast zorgt deze functieaanduiding er volgens hen voor dat er ten onrechte een overgangsrechtelijke regeling wordt gecreëerd voor activiteiten die op het peilmoment illegaal plaatsvonden. V.O.F. Erve Punte en anderen voeren verder aan dat de raad hier ten onrechte een nader afwegingsmoment opneemt in de planregels. Dit terwijl uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat dit niet is toegestaan, omdat de in een plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden bij de planvaststelling moeten zijn beoordeeld en aanvaardbaar zijn geacht. Ook is de norm "de aanvaardbaarheid van deze nieuwe akoestisch relevante activiteiten" uit artikel 5.3.1, onder e, van de planregels onvoldoende concreet en objectief, aldus V.O.F. Erve Punte en anderen.
11.10. Aan gronden tot 50 m vanaf de perceelsgrens met het perceel van V.O.F. Erve Punte is de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie uitgesloten - Nieuwe akoestisch relevante activiteiten en functies" toegekend. Uit de plantoelichting blijkt dat de bedoeling van deze functieaanduiding is dat binnen een zone van 50 m van het perceel van V.O.F. Erve Punte en anderen geen nieuwe akoestisch relevante activiteiten en functies zijn toegestaan, zonder dat middels een akoestisch onderzoek is aangetoond of deze activiteiten ruimtelijk aanvaardbaar zijn, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van dat perceel geborgd is. Op de zitting heeft de raad erkend dat deze functieaanduiding onvoldoende rechtszeker is, omdat deze een nader toetsingsmoment lijkt te bevatten en het onduidelijk is of illegale activiteiten worden gelegaliseerd. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb.
In zoverre slaagt het betoog.
Ladder voor duurzame verstedelijking
12. V.O.F. Erve Punte en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Volgens hen maakt het plan namelijk een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Bro mogelijk.
Zij stellen voorop dat de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3398, waar in de plantoelichting naar wordt verwezen, sinds de overzichtsuitspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, achterhaald is. Zij verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3572, onder 4.3. Als wordt getoetst aan de eisen uit de overzichtsuitspraak, blijkt volgens V.O.F. Erve Punte en anderen dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gaat immers om de uitbreiding met meer dan 500 m² van een vakantiepark, een "andere stedelijke voorziening" in de zin van artikel 1.1.1 van het Bro.
Volgens V.O.F. Erve Punte en anderen wordt daarentegen in de plantoelichting ten onrechte gesteld dat er geen sprake is van een uitbreiding van de bouwmogelijkheden. Zij wijzen ten eerste op de mogelijkheid om binnen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" 500 m² extra bebouwing op te richten ten behoeve van centrale voorzieningen. Daarnaast wijzen zij op de drie reeds vergunde groepsaccommodaties die onder het nieuwe bestemmingsplan worden verplaatst. Deze gebouwen, die onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" op gronden met de bestemming "Recreatie - Buitenverblijf" stonden, worden nu verplaatst naar gronden die voorheen de bestemming "Agrarisch - 1" hadden. Dit betekent dat 1110 m² aan bebouwing mogelijk wordt gemaakt op gronden waar voorheen alleen nutsvoorzieningen gerealiseerd mochten worden.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat de totale bouwmogelijkheden per saldo afnemen in vergelijking met het vorige bestemmingsplan. De aard en de omvang van de ontwikkeling geven volgens de raad geen aanleiding tot een andere conclusie.
De raad stelt ten eerste dat het zuidelijke deel van de recreatiebestemming onder het vorige bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" had, wat betekent dat 5300 m² aan bebouwing kon worden opgericht. Onder het nieuwe bestemmingsplan is ter plaatse alleen de bestaande bebouwing, met een oppervlakte van 2000 m², toegestaan. Daarnaast blijven de bouwmogelijkheden van het noordelijke deel van het perceel, dat al een recreatieve bestemming had, volgens de raad per saldo gelijk, omdat de drie te bouwen groepsaccommodaties al waren toegestaan onder het vorige bestemmingsplan. De extra bouwmogelijkheden van 500 m² voor centrale voorzieningen en 100 m² voor een schaapskooi vallen in het niet bij de genoemde vervallen bouwmogelijkheden, aldus de raad. Alhoewel het klopt dat de recreatiebestemming naar het noorden wordt uitgebreid, staat daar volgens de raad tegenover dat ruim 1,1 ha aan agrarische cultuurgrond nu een natuurbestemming krijgt.
12.2. De Afdeling heeft eerder overwogen (zie de overzichtsuitspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 7-7.3) dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling een vergelijking moet worden gemaakt met het voorgaande bestemmingsplan. Daarbij moet worden beoordeeld in hoeverre het plan voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
12.3. De Afdeling is van oordeel dat het bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.
Voorheen gold ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld door de raad op 19 maart 2013 en vervolgens verschillende keren (partieel) herzien. In dat plan had een klein deel van het perceel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". In het voorliggende plan is deze bestemming naar het noorden en het zuiden uitgebreid. Het noordelijke deel van het perceel had onder het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarisch - 1", en krijgt nu voor een belangrijk deel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". Waar onder het voorheen geldende plan op deze gronden alleen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waren toegestaan tot een maximale oppervlakte van 50 m² per gebouw, worden nu onder andere 3 groepsaccommodaties toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van 1100 m².
Dit betekent dat er sprake is van een functiewijziging: een deel van het plangebied dat eerst de bestemming "Agrarisch - 1" had, krijgt nu namelijk de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". Daarnaast betekent dit dat er sprake is van een groter planologisch ruimtebeslag ten opzichte van het voorheen geldende plan. In een deel van het plangebied waar eerder nog geen stedelijke ontwikkeling mogelijk was, wordt nu immers wel een stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het feit dat de bouwmogelijkheden per saldo voor het hele plangebied afnemen, omdat op een ander deel van het perceel de bouwmogelijkheden worden verminderd, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat voor de realisatie van de groepsaccommodaties op een ander deel van het perceel al eerder een omgevingsvergunning was verleend.
Er is daarom sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dat heeft de raad in de plantoelichting niet erkend.
Het betoog slaagt.
12.4. In zijn verweerschrift heeft de raad een onderbouwing gegeven van de behoefte aan de ontwikkeling. De raad stelt dat uit de nota "Verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018" (de verblijfsrecreatienota), het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van Bureau voor ruimte & vrije tijd en uit meer recent onderzoek van datzelfde bureau blijkt dat de verblijfsrecreatiesector in Twente in algemene zin zeer vitaal is. Daarnaast is er op de markt voor verblijfsaccommodaties ruimte voor groei. Bij huisjesterreinen groeit de vraag sterker dan het aanbod, en die trend zal naar verwachting in de komende jaren doorzetten. De "extra nachten" als gevolg daarvan kunnen niet volledig worden geaccommodeerd met de bestaande planvoorraad, zodat er naar verwachting ruimte is voor extra bedden, zowel in de vorm van groepsaccommodaties als in de vorm van bungalowparken.
Daarbij wordt volgens de raad met het voorliggende plan aangesloten. De raad stelt dat het gaat om een beperkte groei, aangezien drie van de groepsaccommodaties al zijn vergund en enkel worden verplaatst, zodat de gewenste kwaliteit kan worden geboden. Naast reguliere gasten wordt ook ruimte geboden voor een specifieke doelgroep, namelijk recreatie in combinatie met zorg. Uit het genoemde onderzoek blijkt volgens de raad dat bedrijven die zich richten op een specifieke doelgroep vitale bedrijven zijn die zich onderscheiden van andere locaties en daarmee toekomstbestendig blijven. Daarnaast is één van de doelstellingen uit de verblijfsrecreatienota het verbreden van het toeristische aanbod om daarmee de groei in toerisme en recreatie op te vangen, onder andere door het verlengen van het toeristische seizoen. Daar draagt dit plan volgens de raad aan bij, door het toevoegen van nieuwe accommodaties.
De raad stelt zich daarom op het standpunt dat er een concrete behoefte aan deze nieuwe stedelijke ontwikkeling is.
12.5. V.O.F. Erve Punte en anderen hebben op de zitting betoogd dat deze onderbouwing summier is. Volgens hen heeft de raad namelijk onvoldoende aangetoond dat er niet met een ontwikkeling van kleinere omvang in de behoefte zou kunnen worden voorzien.
De Afdeling ziet in dit betoog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met deze nadere toelichting niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De raad heeft onderbouwd dat en waarom er voor terreinen als hier aan de orde sprake is van een sterkere groei van de vraag dan van het aanbod. Verder is in onderdeel 3.1 van de plantoelichting uiteengezet om welke redenen is gekozen voor de planomvang als hier aan de orde. Gelet hierop konden V.O.F. Erve Punte en anderen niet volstaan met het enkele betwijfelen van de behoefte in de omvang zoals in het plan voorzien, maar hadden zij concreet feiten moeten stellen en waar nodig ook moeten onderbouwen, waaruit de onjuistheid van het door de raad gestelde aangaande de behoefte zou kunnen blijken. Nu zij dit hebben nagelaten is er geen aanleiding voor de Afdeling om er aan te twijfelen dat de behoefte aan de planontwikkeling geldt voor de gehele in het plan voorziene omvang daarvan.
12.6. Dit betekent dat de raad het onder 12.3 vastgestelde gebrek met de nadere motivering in het verweerschrift heeft hersteld.
Akoestisch onderzoek
13. V.O.F. Erve Punte en anderen betogen dat in het "Akoestisch onderzoek industrielawaai" van 25 april 2022, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, uitgevoerd door Kragten (het akoestisch onderzoek), onjuiste aannames zijn gedaan, niet alle relevante geluidsbronnen zijn meegewogen, en dat de uitkomsten niet aannemelijk zijn. Zij verwijzen in dit kader onder meer naar het in hun opdracht uitgevoerde tegenonderzoek van 22 april 2023 van Akoestisch Buro Tideman (het akoestisch tegenonderzoek). Hieruit volgt dat het akoestisch onderzoek gebrekkig is en dat deze gebreken niet zijn hersteld met de door Kragten op 5 april 2023 opgestelde aanvulling op het akoestisch onderzoek. In het akoestisch tegenonderzoek staat dat Kragten ten onrechte is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie in plaats van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Daarnaast zijn de richtwaarden voor een rustige woonwijk uit de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (de VNG-brochure) niet in de planregels geborgd. De absolute stilte na 23:00 uur waar in het onderzoek vanuit wordt gegaan is evenmin in de planregels geborgd. Ook is ten onrechte de muziekcorrectie van 10 dB niet toegepast, terwijl op audio-opnames muziek hoorbaar is. Met toepassing van deze correctie wordt niet voldaan aan de standaardwaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer of de VNG-brochure. Als laatste heeft Kragten een fout gemaakt in de berekening van het piekgeluid als gevolg van schreeuwen. Er wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling zoals deze nu is voorzien een duidelijke inbreuk op het woon- en leefklimaat bij de woning van V.O.F. Erve Punte en anderen aan de Oldenzaalsestraat 135a vormt.
V.O.F. Erve Punte en anderen wijzen daarnaast nog op verschillende geluidsbronnen, die volgens hen ten onrechte niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek, namelijk de horeca-, sport, en spelvoorzieningen, de wandelingen naar de schaapskooi en het extra verkeer als gevolg van het plan.
13.1. De Afdeling stelt vast dat er door partijen verschillende akoestische onderzoeken zijn overgelegd. De raad heeft het oorspronkelijke akoestische onderzoek van Kragten bij de plantoelichting gevoegd om te onderbouwen dat er ter plaatse van de woning van V.O.F. Erve Punte en anderen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vervolgens heeft Kragten hierbij een aanvullende notitie opgesteld. In het akoestische tegenonderzoek van Akoestisch Buro Tideman wordt hierop gereageerd. Daarnaast heeft V.O.F. ’t Borghuis het "Aanvullend akoestisch onderzoek landgoed ’t Borghuis" van 3 juli 2023 van dGmr overgelegd en is in opdracht van de gemeente Losser op 7 oktober 2025 door de Omgevingsdienst Twente een geluidsadvies opgesteld.
13.2. Uit het geluidsadvies van de Omgevingsdienst Twente volgt dat er in het akoestisch onderzoek van Kragten vanuit is gegaan dat de centrale groepsaccommodatie geen enkel relevant geluid produceert en dat spelende kinderen alleen op de speelveldjes zullen schreeuwen, terwijl volgens de Omgevingsdienst niet is uitgesloten dat dit dichterbij de woning aan de Oldenzaalsestraat 135a kan gebeuren. Ook bevestigt de Omgevingsdienst de genoemde kritiekpunten die in het akoestisch tegenonderzoek naar voren zijn gebracht. De strengere normen uit het Activiteitenbesluit of de VNG-brochure zijn niet in de planregels geborgd, waardoor er meer geluidruimte bestaat dan waar in het akoestisch onderzoek vanuit is gegaan. Kragten is er daarnaast inderdaad vanuit gegaan dat er geen muziek afgespeeld zal worden op het terrein en dat het tussen 23:00 uur en 07:00 uur volledig stil is. Volgens de Omgevingsdienst is het ook niet aannemelijk dat kinderen alleen schreeuwen op de speelveldjes. Als ook wordt uitgegaan van schreeuwende kinderen nabij de erfgrens, wat niet is uit te sluiten, kunnen pieken optreden van 73 dB(A), waardoor niet meer wordt voldaan aan de richtwaarde voor een "rustig woongebied" uit de VNG-brochure. Als laatste merkt de Omgevingsdienst op dat het zuidelijke deel van de recreatiebestemming in het akoestisch onderzoek als "bestaand" wordt behandeld, terwijl dit deel onder het voorheen geldende bestemmingsplan nog geen recreatiebestemming had.
13.3. Op de zitting heeft de raad erkend dat uit het geluidsadvies van de Omgevingsdienst Twente van 7 oktober 2025 volgt dat het akoestische onderzoek gebrekkig is, omdat daar ook andere aspecten bij betrokken hadden moeten worden. Er is namelijk onder meer uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie en niet van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Het betoog slaagt.
Besluit 4 oktober 2022
14. In de einduitspraak zal worden beslist over de beroepen tegen het besluit van 4 oktober 2022.
Besluit 16 mei 2023
15. Gelet op wat onder 10.5, 11.4, 11.10, 12.3 en 13.3 is overwogen, is het besluit van 16 mei 2023 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het onder 12.3 vastgestelde gebrek wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking is hersteld met de nadere motivering van de raad. Wat betreft de overige gebreken, past de Afdeling de volgende bestuurlijke lus toe.
Bestuurlijke lus
16. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen onder 10.5, 11.4, 11.10 en 13.3, de daarin omschreven gebreken te herstellen.
16.1. De raad kan het onder 10.5 geconstateerde gebrek bijvoorbeeld herstellen door de planregels aan te passen zodat het gebruik van het pad tussen de verblijfsgebouwen en de schaapskooi als recreatief erfpad daarmee wordt toegestaan. Dit kan, onder andere, door extensief recreatief medegebruik ter plaatse van de bestemming "Agrarisch - 2" toe te staan, mits de raad dit uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht.
16.2. De raad kan het onder 11.4 geconstateerde gebrek bijvoorbeeld herstellen door met groepsaccommodaties en vakantiewoningen gelijk te stellen voorzieningen uit artikel 5.1, onder a, van de planregels te schrappen.
16.3. De raad kan het onder 11.10 geconstateerde gebrek op verschillende manieren herstellen. Er kan bijvoorbeeld voor worden gekozen om artikel 1.8 en artikel 5.3.1, onder e, van de planregels aan te passen, zodat de aanvaardbaarheid van nieuwe akoestisch relevante activiteiten wordt gekoppeld aan een maximum dB-niveau.
16.4. De raad kan het onder 13.3 geconstateerde gebrek herstellen door, bijvoorbeeld met een nader akoestisch onderzoek, inzichtelijk te maken of ter plaatse van de woning van V.O.F. Erve Punte en anderen als gevolg van het bestemmingsplan nog sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat, en, als daaruit blijkt dat het bestemmingsplan aangepast moet worden, deze aanpassingen door te voeren.
16.5. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.
Proceskosten en griffierecht
17. In de einduitspraak zal worden beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van V.O.F. ’t Borghuis en V.O.F. Erve Punte en anderen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Losser op om:
- binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat onder 10.5, 11.4, 11.10, 13.3, 16.1, 16.2, 16.3, en 16.4 is overwogen de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Losser van 16 mei 2023 te herstellen, en
- de Afdeling, V.O.F. Erve Punte en anderen en V.O.F. ’t Borghuis de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1103
Bijlage
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 1.1.1
"1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
[…]"
Artikel 3.1.6
"[…]2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
Bestemmingsplan "Buitengebied partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser"
Artikel 1.8
"akoestisch relevante activiteiten en functies: activiteiten en functies die kunnen zorgen voor productie van geluid, waaronder in ieder geval worden verstaan horeca-activiteiten, terrassen en sport- en speelvoorzieningen. Onder nieuwe akoestisch relevante activiteiten wordt verstaan: activiteiten die op het moment van vaststellen van het bestemmingsplan "Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 te Losser" d.d. 4 oktober 2022 nog niet feitelijk dan wel vergund aanwezig zijn."
Artikel 1.15
"bestaande: 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning, met dien verstande dat voor de te verplaatsen groepsaccommodaties geldt dat deze als vergund worden beschouwd;
2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming;
Artikel 3.1
"De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische cultuurgrond;
met daaraan ondergeschikt:
b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, met dien verstande dat hieronder het behoud en/of herstel van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken wordt begrepen:
1. erven met erfbeplanting;
2. de kleinschalige en onregelmatige verkaveling;
3. de perceelsafscheidingen in de vorm van houtwallen, singels en waterlopen;
4. de bestaande zandwegen;
5. het reliëf en de bolle ligging van de essen;
c. doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer;
d. een schaapskooi, ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schaapskooi'.
met daarbij behorende:
e. nutsvoorzieningen;
f. bestaande landbouwwegen, alsmede voet- en fietspaden en overige infrastructurele voorzieningen;
g. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterberging."
Artikel 5.2.1
"Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf mogen uitsluitend in een bouwvlak worden gebouwd;
b. de oppervlakte aan bebouwing bedraagt niet meer dan de bestaande danwel vergunde oppervlakte, danwel de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' aangegeven oppervlakte;
c. in afwijking van het bepaalde onder b mag ten behoeve van centrale voorzieningen extra bebouwing worden gebouwd, tot een maximum oppervlakte van 500 m2;
d. het aantal bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste 3;
[…]"
Artikel 5.3.1
"Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
[…]e. het uitoefenen van nieuwe akoestisch relevante activiteiten, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie uitgesloten - nieuwe akoestisch relevante activiteiten' zonder uitvoeren van akoestisch onderzoek, waarmee de aanvaardbaarheid van deze nieuwe akoestisch relevante activiteiten is aangetoond.
[…]"
Bestemmingsplan "Buitengebied"
Artikel 5.2.1
"Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf worden gebouwd, waarbij deze bouwregels eveneens van toepassing zijn voor functies die na afwijking van de gebruiksregels aan het agrarisch bedrrijf zijn toegevoegd;
b. de gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd dan wel binnen het bouwvlak, daar waar een bouwvlak in het plan is aangegeven;
[…]"