ECLI:NL:RVS:2026:2919

ECLI:NL:RVS:2026:2919

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 202401644/1/R1 en 202401645/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan Pure Energie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark op percelen aan de Schorfweg en Koelenweg in Beringe. Pure Energie heeft het voornemen om een zonnepark te realiseren op enkele aaneengesloten percelen aan de Schorfweg en Koelenweg in Beringe. [wederpartijen] wonen op ongeveer 600 m afstand van de percelen. [appellant sub 3] en andere zijn eigenaar van agrarische percelen in de (directe) nabijheid daarvan. Pure Energie wil op de percelen een zonnepark van ongeveer 28 ha bouwen. Rondom de zonnepanelen, die een hoogte hebben van maximaal 1,5 m, komt een strook van 15 m breed met struweel en ruigte om het zicht op de zonnepanelen te beperken. [appellant sub 3] en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht beslissen op de aanvraag zonder dat voor het zonnepark een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven van de gemeenteraad.

Uitspraak

202401644/1/R1 en 202401645/1/R1.

Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Pure Energie ZP De Schorf B.V. (Pure Energie), gevestigd in Enschede,

2. het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

3. [appellant sub 3], wonend in Beringe, gemeente Peel en Maas, handelend onder de naam "[naam bedrijf]", en andere te Beringe en Panningen, gemeente Peel en Maas,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 2 februari 2024 in zaak nr. 21/3170 en zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289 in het geding tussen:

1. [wederpartijen], wonend in Beringe,

2. [appellant sub 3] en andere,

3. Pure Energie

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft het college aan Pure Energie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark op percelen aan de Schorfweg en Koelenweg in Beringe.

Tegen dit besluit hebben [wederpartijen] en [appellant sub 3] bij de rechtbank beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen in afzonderlijke uitspraken afgedaan.

Uitspraak in zaak nr. 21/3170

Bij uitspraak van 2 februari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:501,

heeft de rechtbank het door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben Pure Energie en het college hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Uitspraak in zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289

Bij uitspraak van 2 februari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:490,

heeft de rechtbank het door [appellant sub 3] en andere ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben Pure Energie en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 3] en andere hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Nieuw besluit

Bij besluit van 4 september 2025 heeft het college opnieuw op de aanvraag van Pure Energie beslist en de omgevingsvergunning verleend.

[wederpartijen] hebben tegen dit besluit gronden aangevoerd.

Pure Energie, [appellant sub 3] en andere en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 25 maart 2026, waar Pure Energie, vertegenwoordigd door mr. E.M.N. Noordover, advocaat in Amsterdam, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [wederpartijen], vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Pure Energie heeft het voornemen om een zonnepark te realiseren op enkele aaneengesloten percelen aan de Schorfweg en Koelenweg in Beringe. [wederpartijen] wonen op ongeveer 600 m afstand van de percelen. [appellant sub 3] en andere zijn eigenaar van agrarische percelen in de (directe) nabijheid daarvan.

Op de percelen geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas". Op de percelen rust onder meer de bestemming "Agrarisch". De percelen hebben de aanduiding "wro - zone - wijzigingsgebied 4 go". Het gebruik als zonnepark en het bouwen en aanleggen daarvan is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan.

Op 7 juli 2021 heeft Pure Energie een omgevingsvergunning aangevraagd. De aanvraag ziet op de activiteiten het bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo.

Pure Energie wil op de percelen een zonnepark van ongeveer 28 ha bouwen. Rondom de zonnepanelen, die een hoogte hebben van maximaal 1,5 m, komt een strook van 15 m breed met struweel en ruigte om het zicht op de zonnepanelen te beperken (de groene strook). Er wordt een hekwerk van 2 m hoogte, bestaande uit schapengaas en houten palen, geplaatst. In de aanvraag staat dat het zonnepark 25 jaren ter plaatse aanwezig zal zijn. Tot de aanvraag behoort een stuk van 23 april 2021 "Zonnepark de Schorf" met daarin een ruimtelijke onderbouwing van het project.

Het college heeft bij besluit van 25 oktober 2021 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 3˚, van de Wabo omgevingsvergunning verleend. Aan het besluit ligt mede een Nota van zienswijzen ten grondslag. Aan de omgevingsvergunning heeft het college voorschriften verbonden, onder meer over de landschappelijke inpassing van het zonnepark.

Twee uitspraken op de beroepen

3. De rechtbank heeft in twee afzonderlijke uitspraken op de beroepen tegen het besluit van het college beslist. De rechtbank heeft, zo begrijpt de Afdeling, het besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In de uitspraak in zaak nr. 21/3170, heeft de rechtbank naar aanleiding van het beroep van [wederpartijen] geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het project voldoet aan het gemeentelijke beleid, meer specifiek de zonneladder.

In de uitspraak in zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289 heeft de rechtbank naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] en andere hetzelfde geoordeeld. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist. Hiernaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de gevolgen van de groene strook van 15 meter breed rondom de zonnepanelen voor de omliggende agrarische percelen onvoldoende heeft onderzocht en betrokken bij zijn besluit.

Hoger beroepen en incidenteel hoger beroep

Wijze van beoordeling door de Afdeling

4. De Afdeling zal hierna bij de beoordeling van de gronden van de (incidenteel) hoger beroepen de uitspraken beschouwen als één uitspraak van de rechtbank over het besluit van het college. In overweging 10 zal de Afdeling erop ingaan in hoeverre een oordeel over deze gronden gevolgen heeft voor één of meer uitspraken.

Ingetrokken beroepsgronden

5. Het college heeft op de zitting de grond over de strijd van het zonnepark met het gemeentelijke beleid ingetrokken.

Zijn de hoger beroepen van Pure Energie ontvankelijk?

6. [appellant sub 3] en andere stellen zich in hun schriftelijke uiteenzetting en in het nadere stuk op het standpunt dat Pure Energie niet binnen de hogerberoepstermijn gronden naar voren heeft gebracht en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is.

6.1. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met onderdeel 1.1 van bijlage I, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van die wet, waaronder artikel 1.6a, van toepassing. In afwijking van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt artikel 1.6a van de Chw dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De artikelen 1.6 tot en met 1.8 zijn op grond van artikel 1.9a van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

In haar hogerberoepschriften heeft Pure Energie alleen de passages uit de uitspraken van de rechtbank opgenomen waarmee zij het niet eens is. Zij heeft niet toegelicht waarom dat zo is. De hogerberoepschriften bevatten daarmee geen gronden waarop het hoger beroep rust. De gronden van de hoger beroepen heeft Pure Energie bij brieven van 13 mei 2025 naar voren gebracht. Daarmee heeft zij pas na afloop van de hoger beroepstermijn gronden ingediend.

De Afdeling stelt vast dat de rechtsmiddelenverwijzing in de uitspraken van de rechtbank in strijd met artikel 12 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) niet vermeldt dat de Chw van toepassing is. Omdat de Chw afwijkt van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 Awb, kan bij een schending van artikel 12 van het BuChw een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden meer kunnen worden aangevoerd en aangevuld (zie de uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, onder 6.1).

In de uitspraak in de zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289, waartegen Pure Energie hoger beroep heeft ingesteld, heeft de rechtbank overwogen dat de Chw van toepassing is en dat gronden binnen de beroepstermijn moeten worden ingediend. Gelet hierop wist Pure Energie, of kon zij weten, dat de Chw van toepassing is en dat gronden moeten worden ingediend binnen de beroepstermijn. Daarom is aannemelijk dat zij ook wist of kon weten dat de gronden van haar hoger beroepen binnen de hogerberoepstermijn naar voren moesten worden gebracht. Nu zij geen gronden binnen de hogerberoepstermijn naar voren heeft gebracht, is niet voldaan aan artikel 1.6a van de Chw, en zijn haar hoger beroepen niet-ontvankelijk.

Verklaring van geen bedenkingen

7. [appellant sub 3] en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht beslissen op de aanvraag zonder dat voor het zonnepark een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven van de gemeenteraad. Zij voeren aan dat het project niet valt binnen de categorieën die de raad heeft aangewezen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De rechtbank heeft volgens [appellant sub 3] en andere miskend dat de notitie "Duurzaamheidsagenda, Beleef samen duurzaamheid" niet een volledig ruimtelijk kader omvat, nu daarin staat dat er nog een omgevingsvisie dient te worden opgesteld, en een omgevingsvisie (structuurvisie) als aparte categorie is aangewezen. In de Duurzaamheidsnotitie staat immers dat de ruimtelijke gevolgen op het gebied van duurzaamheid worden meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie.

Ook betogen [appellant sub 3] en andere dat het project niet voldoet aan de voorwaarden voor een zonnepark op landbouwgronden, zodat de raad in zoverre voor het project geen ruimtelijk kader heeft vastgesteld en een verklaring van geen bedenkingen dus is vereist.

7.1. Het college kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, is bepaald dat indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend, dan nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de raad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Bij besluit van 23 maart 2021 "Delegatie verklaring van geen bedenkingen bij uitgebreide Wabo omgevingsvergunningen" (aanwijzingsbesluit) heeft de gemeenteraad categorieën van gevallen aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, zoals bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor. Het gaat, voor zover hier van belang, om twee categorieën:

- projecten die passen binnen een vastgesteld structuurplan, structuurvisie, beleidsregel, beleidsnotitie en passen binnen het woningbouwprogramma voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet d.d. 01-01-2022;

- projecten waarvoor de raad reeds een stedenbouwkundige visie, randvoorwaarden, masterplan, gebiedsvisie of een vergelijkbaar ruimtelijk kader heeft vastgesteld.

7.2. In 2020 is de gemeentelijke notitie "Duurzaamheidsagenda, Beleef samen duurzaamheid" vastgesteld. Daarin staat dat wordt aangesloten bij de notitie "Zonneladder Peel en Maas". In deze notitie staat dat de gemeente Peel en Maas zonne-energie stimuleert op basis van bepaalde uitgangspunten. Die bestaan uit vijf onderdelen, ‘tredes’ genoemd. De rechtbank heeft overwogen dat hiermee een prioriteitsvolgorde is aangegeven. Het college heeft dit in het hogerberoepschrift niet bestreden.

Als trede 4 is vermeld dat landbouwgronden alleen kunnen worden benut voor zonneparken als aan vier strikte voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast geldt voor trede 3 (zonnepanelen op agrarische bouwblokken in het buitengebied) en 4 dat maximaal 60 ha met zonnepanelen mag worden gerealiseerd.

De Afdeling overweegt dat de in de Duurzaamheidsagenda opgenomen zonneladder als ruimtelijk kader als bedoeld in de hiervoor als tweede weergegeven categorie van het aanwijzingsbesluit moet worden gezien. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een zonnepark moeten immers worden getoetst aan de zonneladder. De gestelde omstandigheid dat niet aan de voorwaarden van de zonneladder zou zijn voldaan, maakt niet dat het niet het gaat om een geval als bedoeld in het aanwijzingsbesluit. Het aanwijzingsbesluit stelt immers niet de eis dat ook aan het ruimtelijke kader moet zijn voldaan. Die toetsing heeft de raad aan het college willen laten.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staat verder weliswaar in de Duurzaamheidsagenda dat de ruimtelijke consequenties van ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid worden meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie, maar dat doet er niet aan af dat met de zonneladder een ruimtelijk kader is geboden als bedoeld in de tweede categorie van het aanwijzingsbesluit. Verder is, anders dan [appellant sub 3] en andere hebben betoogd, niet van betekenis dat projecten die passen binnen een structuurvisie een geval betreffen van de eerste categorie gevallen die de raad heeft aangewezen. Dit laat immers onverlet dat het vanwege het in de zonneladder opgenomen ruimtelijke kader gaat om een geval van de tweede categorie gevallen.

Het betoog slaagt niet.

Landschappelijke inpassing

8. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de groenstrook van 15 m, die deel uitmaakt van het project, al is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. Volgens het college bestond daarom geen aanleiding om bij de beoordeling of het bereid was af te wijken van het bestemmingsplan, de nadelige gevolgen van deze groenstrook voor het gebruik van de nabijgelegen agrarische percelen, zoals het aantrekken van wild, te betrekken.

Als aan die gevolgen wel betekenis zou toekomen, dan heeft de rechtbank volgens het college miskend dat als de percelen, waarop het project is voorzien, braak liggen, planten daar kunnen groeien. Daarnaast kan het op die percelen toegestane agrarische gebruik ook verschillende fauna aantrekken. Verder wijst het college in dit verband op voorzieningen voor agrariërs voor vergoeding van geleden wildschade.

8.1. Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat het zonnepark alleen mag worden gerealiseerd en gebruikt als is voorzien in de landschappelijke inpassing zoals omschreven in het rapport "Landschappelijke inpassing Zonnepark De Schorf Beringe" van 23 april 2021. Daarin staat een inrichtingstekening. Rondom de zonnepanelen dient een strook van 15 m breed te worden aangelegd. Op de strook moet tussen de 1,5 en 4 m hoog zogenoemd struweel en ruigte worden gerealiseerd. De beplanting zal geleidelijk moeten overlopen in bloemrijk grasland.

In artikel 3.1, aanhef en onder a, b en j, van de planregels staat, voor zover hier van belang, dat gronden met de bestemming "Agrarisch" zijn bestemd voor hobbymatig en bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik met daaraan ondergeschikt groenvoorzieningen. In de planregels staat geen definitie van het begrip ‘groenvoorziening’. De Afdeling overweegt dat op de percelen groenvoorziening is toegestaan, ongeacht of die ten dienste van het agrarisch gebruik is. Dat staat immers niet in artikel 3.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de groene strook niet is aan te merken als groenvoorziening, zoals bedoeld in artikel 3.1. Dat met de groene strook ook is beoogd natuurwaarden te ontwikkelen en dat de inrichting daarvan het mogelijk maakt om een schuil- en verblijfplaats te bieden aan klein wild, maakt dat niet anders. De groene strook is daarom niet in strijd met het bestemmingsplan. Ook zonder de verleende omgevingsvergunning mag op de percelen een groene strook worden gerealiseerd. Daarom bestond voor het college geen aanleiding om de eventuele nadelige gevolgen van de groene strook voor het gebruik van nabijgelegen percelen bij de besluitvorming te betrekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Aan wat het college verder heeft aangevoerd, wordt niet toegekomen.

Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

9. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen bestuurlijke lus heeft toegepast. Het college wijst er in dit verband op dat, hoewel het toepassen van een bestuurlijke lus een discretionaire bevoegdheid van de rechter is, de rechter wel een geschil zo finaal mogelijk dient te beslechten op grond van artikel 8:41a van de Awb. De rechtbank heeft volgens het college miskend dat het vastgestelde motiveringsgebrek te herstellen was binnen een korte periode. Bovendien heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de belangen van alle partijen.

9.1. De Afdeling stelt voorop dat het college bij de rechtbank niet hebben verzocht om het toepassen van een bestuurlijke lus. De in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen is discretionair van aard. De enkele omstandigheid dat de door de rechtbank geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken zich zouden lenen voor toepassing van een bestuurlijke lus, wat daar ook van zij, maakt niet dat de rechtbank daartoe gehouden was.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroepen

10. Nu de rechtbank ervoor heeft gekozen per afzonderlijk beroep een uitspraak te doen, ziet de Afdeling aanleiding per uitspraak van de rechtbank een conclusie te geven over de ingediende hoger beroepen.

- uitspraak in zaak nr. 21/3170

10.1. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van Pure Energie niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

- uitspraak in zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289

10.2. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van Pure Energie niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van het college is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] en andere is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden.

Nader besluit van 4 september 2025

11. Bij besluit van 4 september 2025 heeft het college opnieuw op de aanvraag van Pure Energie beslist. Het college heeft opnieuw omgevingsvergunning verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

12. [appellant sub 3] en andere hebben geen gronden ingediend tegen het nadere besluit. Dat betekent dat hun beroep van rechtswege ongegrond is.

Passende netwerkstructuur?

13. [wederpartijen] betogen dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen, omdat het project niet voldoet aan de voorwaarde in de zonneladder dat er een passende netwerkstructuur moet zijn. Zij betwisten dat het zonnepark direct binnen een redelijke afstand op het elektriciteitsnetwerk kan worden aangesloten. Vanwege zogenoemde netcongestie is dat volgens hen verder niet eerder dan in 2029 het geval.

14. In de zonneladder staat dat landbouwgronden alleen mogen worden benut voor zonneparken als onder andere aan de voorwaarde wordt voldaan dat sprake is van een combinatie met een passende netwerkstructuur. De rechtbank heeft het college gevolgd in de uitleg dat met deze voorwaarde wordt bedoeld dat er binnen redelijke afstand een aansluiting op het elektriciteitsnetwerk mogelijk moet zijn, zodat geen ingrijpende voorzieningen zoals kabels hoeven te worden aangelegd. Door netwerkbeheerder Enexis is op 7 augustus 2023 een zogenoemde transportindicatie afgegeven, daarin staat dat aansluiting van het zonnepark op het netwerk van Enexis mogelijk is. Gelet hierop heeft het college ervan mogen uitgaan dat aan de bedoelde voorwaarde is voldaan. In wat [wederpartijen] hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de voorwaarde vereist dat er direct of op korte termijn na verlening van de omgevingsvergunning een aansluiting op het netwerk mogelijk moet zijn. Dat staat immers niet in de zonneladder en zou ook geen zinnig doel dienen als niet direct wordt gestart met realisering van het zonnepark.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie nader besluit

15. De beroepen van [appellant sub 3] en andere en [wederpartijen] tegen het besluit van 4 september 2025 zijn ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

17. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen van Pure niet-ontvankelijk;

II. verklaart de hoger beroepen van het college en het hoger beroep van [appellant sub 3] en andere tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 februari 2024 in zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289 ongegrond;

III. bevestigt de uitspraken van de rechtbank Limburg van 2 februari 2024 in zaak nr. 21/3170 en in zaak nrs. 21/3277, 21/3287, 21/3288 en 21/3289;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en andere en van [wederpartijen] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 4 september 2025, kenmerk 1894/2025/3240716, ongegrond;

V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Altena

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

163-1099

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…];

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…].

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1˚.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2˚.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…].

Artikel 2.27

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

[…].

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

[…].

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

[…]:

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

2. Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

3. Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

[…];

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Crisis- en herstelwet

Artikel 1.2

Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet en kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage II bij deze wet.

Artikel 1.6

1. De bestuursrechter behandelt het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

3. Indien de bestuursrechter het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.

4. De bestuursrechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn.

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Artikel 1.9a

De artikelen 1.6 tot en met 1.8 zijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Artikel 12

1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, wordt dit in de uitspraak vermeld.

2. De uitspraak vermeldt voorts dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;

b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en

c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand