202500136/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Duitsland)
appellant,
tegen de twee uitspraken van de rechtbank Overijssel van 4 december 2024 in zaak nr. 23/1664 en zaak nr. 24/1390 in de gedingen tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.
Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] van 29 november 2022 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) deels toegewezen en deels afgewezen.
Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] van 1 mei 2023 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) deels afgewezen en deels toegewezen.
Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 21 juni 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de kostenvergoeding voor de bezwaarfase is vastgesteld op €54,88, de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vastgesteld op €1204,56, bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het college in de proceskosten van [appellant] veroordeeld tot een totaalbedrag van €1378,74.
Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 18 december 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend, de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vastgesteld op €1204,56 en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben een nader stuk ingediend.
Coöperatie Damsté advocaten - notarissen U.A. (Damsté) heeft als derde-belanghebbende deelgenomen aan het geding.
De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaak met nummer 202204444/1/A3, op een zitting behandeld 19 maart 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.T.M. Vroklage, advocaat in Enschede, zijn verschenen. Namens Damsté is mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat in Enschede, verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] was directeur en enig aandeelhouder van Zwembad Tubbergen B.V., welke vennootschap op 28 juni 1995 failliet is verklaard. In deze vennootschap exploiteerde hij een zwembad in de gemeente Tubbergen in samenwerking met de gemeente. Na het faillissement heeft de gemeente Tubbergen het zwembad middels een daartoe opgerichte stichting verworven en voortgezet. Tussen [appellant] en het college speelt al jarenlang een conflict over de gang van zaken en de besluitvorming rondom het zwembad in Tubbergen. Deze zaak gaat over de besluitvorming van het college op verzoeken van [appellant] op grond van de Wob.
De Woo-verzoeken
2. Op 29 november 2022 heeft [appellant] het college op grond van de Woo verzocht om informatie openbaar te maken. Het verzoek luidt als volgt:
"in het kader van de problematiek m.b.t. de perikelen van het verleden met de "samenwerking" tussen Uw gemeente en ondergetekende verzoek ik u mij de volgende in informatie/documenten te verstrekken: Alle rekeningen gericht aan de gemeente voor betaling van de afgelopen vijf jaar die ingediend zijn door het advocaten kantoor Damste uit Enschede. (…). Ik verzoek u kopieën te verstrekken van de bij de gemeente ingediende rekeningen van Damste advocaten voor de "werkzaamheden en reiskosten" van de afgelopen 5 jaar, ingediend voor de behandeling van antwoorden etc. in verband met de problematiek van het Zwembad in de jaren '90! (…)."
3. Op 28 april 2023 heeft [appellant] het college nogmaals op grond van de Woo verzocht om informatie openbaar te maken. Dit verzoek is een vervolg op het verzoek dat [appellant] op 29 november 2022 heeft ingediend. Het verzoek luidt als volgt:
"Ik verzoek U om in aansluiting op de hoorzitting d.d. 12 april 2023 en daarop de uitvoerige reactie van de commissie, openbaarmaking van de exacte opdrachten, woordelijk beschreven, die de gemeente Tubbergen aan Damsté heeft verstrekt met inbegrip van alle reacties daarop over de periode vanaf het jaar 2018 tot en met eind 2022. Dus de afgelopen vijf jaar! Voor deze opdrachten zijn door Damsté 51 facturen in rekening gebracht."
4. Bij brief van 12 juni 2023 heeft het college Damsté op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen over het voornemen van het college om een deel van de verzochte informatie openbaar te maken. Op 11 juli 2023 heeft Damsté een zienswijze gegeven.
Besluitvorming
5. Met het besluit van 4 januari 2023 heeft het college 51 facturen van Damsté openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens en de omschrijvingen op de facturen. Deze informatie heeft het college op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo, geweigerd openbaar te maken. Volgens het college bevatten de facturen persoonsgegevens van ambtenaren die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden. Daarnaast leidt openbaarmaking van de omschrijvingen tot onevenredige benadeling voor Damsté, omdat concurrerende advocatenkantoren en juridische dienstverleners daarmee inzicht zouden kunnen krijgen in de door Damsté gehanteerde methodieken en bedrijfsstrategieën. Volgens het college weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens zwaarder dan het belang van [appellant] bij openbaarmaking.
5.1. In het besluit van 21 juni 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gedeeltelijk gevolgd en bepaald dat de specificaties die bij de 51 facturen horen, ook onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Het college heeft echter geweigerd de specificaties openbaar te maken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
5.2. Met het besluit van 18 juli 2023 heeft het college 57 documenten openbaar gemaakt die onder de reikwijdte van het verzoek van [appellant] vallen. Het college heeft geconstateerd dat 51 van deze documenten de specificaties betreffen waarover het reeds in het besluit van 21 juni 2023 heeft besloten. De overige zes documenten heeft het college openbaar gemaakt, met uitzondering van de daarin vermelde persoonsgegevens, uurtarieven en prijsafspraken. Deze informatie heeft het college geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
5.3. Met het besluit van 18 december 2023 heeft het college besloten om een deel van de geweigerde informatie alsnog openbaar te maken. Het betreft gegevens die betrekking hebben op de wijze van declareren en factureren door Damsté en gegevens die door een ieder te raadplegen zijn op de website van Damsté.
Uitspraak van de rechtbank
- Zaaknummer 23/1664
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat Damsté terecht als derde-belanghebbende is aangemerkt omdat het belang van Damsté direct is betrokken bij de beoordeling van de vraag of het college openbaarmaking van de bedrijfsgegevens van Damsté terecht heeft geweigerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college niet om precisering van het verzoek van 29 november 2022 hoefde te vragen, omdat het verzoek voldoende duidelijk is. Ten aanzien van de informatie die het college geweigerd heeft openbaar te maken heeft de rechtbank overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens en dat openbaarmaking daarvan tot onevenredige gevolgen zou leiden voor Damsté. Het college mocht dit belang zwaarder laten wegen dan het belang bij openbaarmaking. Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de vergoeding die het college aan [appellant] heeft toegekend voor de kosten die hij in bezwaar heeft gemaakt, te laag is. Volgens de rechtbank is het college er ten onrechte vanuit gegaan dat [appellant] in Duitsland woont, zonder dit te verifiëren bij [appellant]. In de beroepsfase heeft [appellant] volgens de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk in Spanje woont en ten tijde van het bestreden besluit ook al daar woonde. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vastgesteld op € 1.204,56.
- Zaaknummer 24/1390
7. De rechtbank heeft geoordeeld dat Damsté terecht als derde-belanghebbende is aangemerkt omdat het belang van Damsté direct is betrokken bij de beoordeling van de vraag of het college openbaarmaking van de bedrijfsgegevens van Damsté terecht heeft geweigerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer documenten onder het college berusten die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen dan reeds door het college zijn verstrekt. Ten aanzien van de informatie die het college geweigerd heeft openbaar te maken heeft de rechtbank overwogen dat openbaarmaking van specificaties en uurtarieven leidt tot onevenredige benadeling van het advocatenkantoor. Het college heeft de uurtarieven en prijsafspraken van Damsté daarom terecht geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het college ten onrechte de kosten die [appellant] in verband met de behandeling voor het bezwaar heeft moeten maken, niet heeft vergoed. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vastgesteld op € 1.204,56.
Beoordeling van het hoger beroep
8. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte niet heeft verzocht zijn verzoek van 29 november 2022 te preciseren, terwijl artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo, bepaalt dat het college binnen 14 dagen na ontvangst de verzoeker moet vragen het verzoek te preciseren. Uit deze bepaling volgt ook dat het bestuursorgaan de verzoeker daarbij behulpzaam moet zijn. Hier heeft het college volgens [appellant] niet aan voldaan. [appellant] betoogt verder dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de omschrijvingen op de facturen en de specificaties openbaar te maken. Volgens [appellant] is geen sprake van onevenredige benadeling voor Damsté bij openbaarmaking van deze informatie. Tot slot betoogt [appellant] dat de berekening van de proceskosten door de rechtbank niet correct is, omdat de kosten die hij heeft gemaakt voor een hotelovernachting niet zijn meegerekend.
8.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in beide uitspraken van 4 december 2024 gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.1 tot en met 8.3 opgenomen overwegingen van de uitspraak met zaaknummer 24/1390 en in de onder 4.1 tot en met 7.5 opgenomen overwegingen van de uitspraak met zaaknummer 23/1664, waarop dat oordeel is gebaseerd.
8.2. Zij voegt daaraan nog toe dat de rechtbank heeft overwogen dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Pinoso, Spanje, woont en dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding van de reis- en verblijfkosten vanuit Spanje voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en de zitting bij de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken, volgt dat voor verblijfskosten forfaitair een vergoeding van ten hoogste € 37,85 per dag geldt, met inbegrip van overnachting. De rechtbank heeft een vergoeding voor verblijfskosten voor twee dagen in verband met het bijwonen van de zitting redelijk geacht en de vergoeding vastgesteld op € 75,50. Anders dan [appellant] stelt, zijn de kosten voor verblijf dus betrokken in de berekening van de proceskostenvergoeding.
8.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraken.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
973