202406324/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Amersfoort,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 augustus 2024 in zaak nr. 24/2075 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Amersfoort.
Openbare zitting gehouden op 13 mei 2026 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzitter
griffier: mr. Y. Soffner
jurist: mr. R.F.I. de Lange
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde];
De burgemeester, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 16 augustus 2024 van de rechtbank MiddenNederland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 20 februari 2024 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft de burgemeester de oplegging en invordering van een last onder dwangsom voor het handelen in strijd met de voorschriften van de terrasvergunning, in stand gelaten.
De Afdeling
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In wat [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond waarom de beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig is. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 tot en met 4 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Niet in geschil is dat het na sluitingstijd van het terras beschikbaar houden van het terrasmeubilair in strijd is met voorschrift 5 van de terrasvergunning. Ook is niet in geschil dat [appellante] de parasols na sluitingstijd van het terras open heeft gehouden. De Afdeling is het met de rechtbank eens dat de parasols als terrasmeubilair zijn aan te merken, en niet, zoals [appellante] stelt, als accessoires of als luifels. De parasols dienen namelijk tot inrichting van het terras. [appellante] mag de parasols alleen op het terras hebben staan omdat hij een terrasvergunning heeft.
De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen. Daarbij is niet relevant dat er een strafbeschikking aan [appellante] is opgelegd waartegen hij, naar hij stelt met succes, in verzet is gegaan. In het strafrecht geldt een ander beoordelingskader. In tegenstelling tot een strafbeschikking is de last onder dwangsom een herstelsanctie, die tot doel heeft om [appellante] ertoe te bewegen om zich te houden aan de terrasvergunning en dus om na sluitingstijd van het terras de parasols op het terras te sluiten. De bevoegdheid van de burgemeester om deze last op te leggen, staat los van strafrechtelijke bevoegdheden. De burgemeester heeft bij constatering van een overtreding zelfs in beginsel de plicht om te handhaven, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen.
[appellante] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de burgemeester van de oplegging van de last of van de invordering van de dwangsommen zou moeten afzien. Het is duidelijk dat [appellante] het niet eens is met de last om de parasols na sluitingstijd van het terras in te klappen, omdat hij meent dat dit de veiligheid op straat niet ten goede komt. Hij betoogt dat ook de politie en cameratoezicht dit vinden. Het is echter aan de burgemeester om te beoordelen welke voorschriften hij aan een terrasvergunning verbindt. Zoals [appellante] zelf ook heeft toegelicht, is hij niet door de politie verplicht om de parasols open te houden. De omstandigheid dat het openhouden van de parasols de veiligheid in de buurt zal vergroten is, wat daarvan zij, geen bijzondere omstandigheid.
Het voorgaande betekent dus dat de last onder dwangsom in stand blijft. Ook is terecht vastgesteld dat de last een aantal keer is overtreden en daarmee zijn dus dwangsommen verbeurd. Ook de invordering van de verbeurde dwangsom blijft dus in stand.
Het hoger beroep is ongegrond. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1114